Twee belangrijke kernwoorden met een Mem voorop zijn מלך (melekh: koning) en משך (máshakh: zalven, officieel installeren, aanstellen, inhuldigen). De Bijbelse melekh-koning is geen privé-persoon, die op eigen initiatief als een krijgsheer met een eigen legertje zichzelf opgeworpen heeft, ook geen volksvertegenwoordiger die regeert bij de gratie van de meerderheid, maar de Bijbelse melekh is door God Zelf aangewezen en met Zijn Geest gezalfd tot Zijn dienst: de koning is een dienaar. Het officiële teken van deze goddelijke aanstelling en van de zalving met de Geest is de handoplegging (Jad) en de zalving met de olie.*
Wie is koning en wat is de eigenlijke koninklijke dienst? Er is woordsamenhang tussen מלך (melekh) en (לך lékh: ga!) van הלך (hálakh: gaan).
De koning is degene die vóór het volk uitgaat, de voorganger, de voortrekker** of letterlijk: de Aleph. In tweeërlei opzicht is hij een voortrekker. Allereerst gaat de koning vóór in de strijd zowel tegen de vijanden van buiten als tegen de binnenlandse vijanden die wanorde en chaos teweegbrengen. De koning stelt orde op zaken, hij legt de orde van God op aan heel de samenleving, hij is een richter, die recht zet.
Maar de koning is ook degene die vóórgaat in de zorg voor de armen en de ellendigen (Ps.72:12). Hij is de pastor, de herder van allen die hem zijn toevertrouwd. Hij beschermt hen, Hij draagt hen, neemt desnoods hun lasten op zich, ook hun schuld, Hij vereenzelvigt zich met hen. Kortom, hij is net als God in Wiens dienst hij staat rechtvaardig én barmhartig: hij handhaaft het recht en ontfermt zich over hen die geen helper hebben.
Wie heeft deze koninklijke, dienende taak? Ieder die van Godswege verantwoordelijkheid heeft gekregen voor medemensen, ieder aan wie Hij één of meer mensen heeft toevertrouwd. Met name geldt dat voor de oudsten in de samenleving en voor ouders en de oudste zonen in de huisgezinnen. Zij zijn door God uitverkoren en aangewezen om melekh te zijn*** en zij hebben recht op een bijzondere zalving met Zijn Geest om Gods orde te handhaven en op te komen voor de zwakken, om goede leiding te geven en zich te bekommeren om de achterblijvers, om rechtvaardig én barmhartig te zijn.
* Het Hebreeuwse woord voor olie שמן (shemen) hangt samen met שם (shém: naam ) en met שמונה (shêmonáh: acht); acht (= 7+ 1) is het getal van de nieuwe ronde, van de Messiaanse tijd en de Messiaanse Koning.
** De koning heet vanouds de ‘hertog’, een woord dat afgeleid is van ‘her-ziehen’(voortrekken): hij die vroeger voor het leger ‘herzog’ (vooruittrok).
*** Onze leeftijd is een goddelijke verkiezing: wij bepalen niet zelf het tijdstip van onze geboorte. Dat de één ouder is dan de ander berust op een roeping Gods: Hij riep de vader eerder in het leven dan het kind. Daarom is de vader (= letterlijk: de oudere) door God uitverkoren en door Hem aangewezen en aangesteld als ‘koning’ over zijn kinderen. Het Hebreeuwse woord voor oudste is זקן (záqén), vertaald in het Grieks als ‘presbyteros’, dat bij ons verbasterd (en verdraaid) is tot ‘priester’.