De Bijbel spreekt duidelijke taal over Wie de eigenlijke Koning is en de eigenlijke Zegenaar: Israëls God is dé Melekh en ook dé Kohén, de Priester die zegent. Hij is het niet alleen voor Israël, maar voor alle volken.
Alle volken worden opgeroepen om Hem te erkennen: ‘de HERE is Koning, dat de aarde juiche’, ‘looft de HERE, alle Gij volken’ (Ps. 97:1; 117:1). God Zelf is de Gezalfde, de משיח (Mashiach). Hij is het nu in verborgenheid, maar eens zal Hij verschijnen in volle Messiaanse macht en majesteit om recht te doen op aarde, om overeind te zetten wat ondersteboven staat. Dan zal Hij verschijnen in Zijn volle menselijke gestalte, zoals Israëls profeten Hem hebben gezien in Zijn echte menselijkheid (Ezech. 1:26; Dan. 10:5,16) en zoals heel de Schrift van Hem getuigt: Hij is een Koning met handen en voeten, ogen en oren, een neus en een ziel*. Hij is het Die met ‘uitgestrekte’ arm zijn volk bevrijd heeft uit Egypte, Die Tsion gemaakt heeft tot een voetbank voor Zijn voeten. Zijn ogen doorlopen de ganse aarde, Zijn oren horen onze jammerklacht en in Zijn toorn blaast Hij door Zijn neus, zodat de bergen beven. Hij is het Die ons Zijn menselijk gezicht getoond heeft in de Man van Nazareth. Deze menselijke Mashiach is dé Koning van Israël en van de volken.
Hoe kan God Zijn eigen Gezalfde zijn? Dat is dezelfde vraag als: hoe kan Hij Die hoog verheven is, tegelijk mét ons zijn. Maar zo is Hij: Hij is Boven ons én Hij is Immanuël, Hij regeert in de hemel én ook op de aarde als dé Gezalfde Vorst. Nu al, maar eenmaal zal dat zichtbaar worden in volle heerlijkheid. Over deze Messiaanse God zegt Psalm 45 vers 8: ‘Daarom heeft, o God, uw God U gezalfd met vreugdeolie’.
* De profeet Ezechiël (Ez.1:26) zag de Almachtige in een ‘gedaante, die er uitzag als een mens’; in de lijn hiervan wordt in sommige Joodse tradities Gods menselijkheid sterk benadrukt: God heeft niet bij wijze van spreken een arm, maar het is omgekeerd. ‘In feite is de enige, echte arm bij God; de menselijke arm hier in onze werkelijkheid is slechts een zwakke afspiegeling van deze hogere werkelijkheid’. Of met andere woorden: ‘ het betreft hier geen antropomorfe (= mensvormige) beschrijving van God, maar andersom. Wanneer de mens over zijn eigen lichaam spreekt met begrippen als ‘armen’ en ‘benen’ enz. is dat eigenlijk een theomorfe (dat wil zeggen ‘Godvormige’) beschrijving van de mens. De mens was immers geschapen naar het evenbeeld van God (Gen. 1:26) en niet omgekeerd’, aldus J.H. Laenen in ‘Joodse Mystiek’, pag. 75,76.