Martef haShoa (Kelder van de Shoa)
Dit museum, dat verscholen ligt achter de oude stad van Jeruzalem, is volgens de beheerder Aharon Seiden niet echt een museum; het is een gedenkplaats aan de Joden die door de gruwelen in de concentratiekampen tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen. In plaats van aan een graf te kunnen rouwen, zijn er in deze kelder voor de nabestaanden grafstenen gemaakt met de namen van de steden van waaruit Joden zijn gedeporteerd naar de verschrikkingen van de kampen. Deze grafstenen zijn voor vele nabestaanden nog het enige houvast; immers, veel van hun familieleden en vrienden zijn verbrand in de ovens of in massagraven terecht gekomen.
Eigenlijk is de Kelder een ‘Jad vaShem’ in het klein, maar het heeft dezelfde enorme impact door de schokkende overblijfselen die er getoond worden: zoals de met bloed doordrenkte en zwaar beschadigde Torahrollen, waarvan er sommigen worden tentoongesteld in liggende vitrines die op een graf lijken.
Een enorm schilderij van de aartsvaders hangt direct tegenover de ingang en het trekt de bezoeker tot zich door de dramatische afbeelding van biddend huilende aartsvaders, die in bloed besmeurde gebedskleden bidden voor de mensen die aan de onderkant van het schilderij te zien zijn, achter prikkeldraad. De schilder Rafaël heeft de diepte van de pijn weten te raken en laat bij menig kijker de tranen over de wangen lopen. Links in het schilderij is een rij mensen te zien die naar de gaskamers lopen. Dwars door het schilderij, van rechts naar links loopt een gedeelte uit de Hebreeuwse tekst Vehi She’amda uit de Pesach Hagada: מצילנו מידם עמד עלינו לכלתנו והקדוש ברוך הוא שלא אחד בלבד shelo echad bilbhad amad aleinu lekhaloteinu wehaQadosh, barukh Hu matsilenu mijadam.* ‘Het was niet één die tegen ons is opgestaan om ons te vernietigen; in iedere generatie staan ze daartoe op, maar de Heilige, geprezen is Hij, redt ons uit hun hand.’
Wanneer men verder loopt, de volgende ruimte in, dan ziet men diverse overblijfselen uit de kampen zoals een voorbeeld van kampkleding, gebedsriemen en ook en vooral schokkend: een jasje: de kleermaker was een Joodse gevangene die gedwongen werd door de nazi-kampbeul om dit jasje uit een Torahrol te maken om de Joden en hun geloof te beschimpen. Echter, de slimme kleermaker gebruikte slechts die gedeelten uit de Rol met de vervloekingen aan degenen die God niet gehoorzamen. Andere zaken die uit Torahrollen vervaardigd waren, zijn onder meer schoenen, schoenzolen, lampenkappen en een tas.
Wat Joodse gevangenen zelf in het geheim maakten was een Chanoekiah van aardappelschillen zodat ze toch het Chanoekahfeest konden vieren met het weinige dat ze hadden. Een voorbeeld ervan is hier in het museum te zien.
Een groot marmeren graf huisvest de menselijke as die uit vele kampen verzameld en meegenomen is toen de oorlog geëindigd was. De namen van de concentratiekampen staan in het marmer gebeiteld.
In een volgende ruimte kan men kaarsen branden voor de doden en daar is ook een replica van de ovens. In een vitrine kan men stukken zeep bekijken die gemaakt zijn met menselijke huidolie, de gebruiksvoorwerpen om dit te maken liggen erbij. Het is ongelooflijk wat die nazi’s allemaal hebben weten te verzinnen in hun haat tegen Gods volk.
Een grote gedenksteen voor het getto van Warschau is tegenover deze ruimte geplaatst. Er staat op: ‘Ter herinnering aan de strijders, de helden, de heiligen uit het getto Warschau.’
Honderden grafstenen met de stadsnamen hangen aan de muren en helemaal buiten tegen de achterste muur hangt er een met Den Haag erop. Het maakt stil…
Deze bijzondere plek laat niemand koud en men kan er zich klein voelen als men er als toerist komt, het is een heilige plek en men voelt de zwaarte van de gebeurtenissen als men hier loopt. De beheerder vertelt gepassioneerd iets over de plek en zegt dat hij, ook al is hij historicus, niet altijd weet waar alle voorwerpen vandaan zijn gekomen, wel kan hij onder meer vertellen dat de grafstenen uit de jaren vijftig en zestig komen, bij sommigen staat het jaartal er in het Hebreeuws op geschreven.
Dit kleine museum is enorm de moeite waard om een bezoek te brengen, het is gelegen net achter het graf van David, dus door de Sionspoort heen en de bordjes volgen naar ‘Davids tomb’ en dan daar aangekomen nog even rechtdoor lopen, dan komt u er. De straat heet Ma’ale Shazk Street. Het museum is geopend van maandag tot en met donderdag van tien tot half vier. U herkent het aan het bronzen beeld van het Joodse meisje met haar koffertje en haar beertje Mischka. Dit meisje heeft de gruwelen gelukkig mogen overleven…
*Jonathan Razel heeft een prachtig lied gemaakt van het Vehi She’amda, te beluisteren via Youtube.
PS. Lees hier een verslag van een actie van een groep Nederlandse vrijwilligers, die in maart 2020 aan het werk zijn gegaan in de Chamber om de stenen op te knappen.