We weten niet precies wie Gog en Magog zijn, maar we krijgen vanuit de Bijbeltaal bezien mogelijk wel inzicht wát voor soort volken zij zijn.
In de Bijbel, in Ezechiël 38 en 39, is sprake van een beweging onder de volken: op een gegeven moment trekken zij op (of laten zich wegtrekken) in een gemeenschappelijke oorlog tegen Israël. Het zijn de volken van גוג (Góg), een woord dat samengesteld is uit twee Gimels ג. De Gimel is de derde letter van het Aleph-Beth en heeft met ‘beweging’ te maken: op de derde dag kwam er beweging op aarde, het groene kruid schoot op vanuit de vruchtbare grond. Op de derde dag begon Jehoshua in ‘beweging’ te komen met Zijn werk op aarde tijdens de bruiloft te Kana, die plaatsvond op de derde dag! Een grote ‘Beweging’ was er ook ten derde dage toen Hij opstond!
Terug naar Gog, wat zijn dit voor volken? Het woord ‘Gog’ heeft twee letters gemeen met het Hebreeuwse woord voor ‘dak’ גג (gág). Lettersamenhang wijst volgens de Hebreeuwse taaltraditie op betekenissamenhang. De volken van Góg גוג zijn de zogenaamde ‘dakvolken’: volken die nog leven onder een bepaald geestelijk ‘dak’. Het zijn de volken, die nog niet, zoals Israël, in een rechtstreekse relatie leven met God de Allerhoogste, maar nog onder het bestuur staan van tussenwezens, volksengelen of volksgoden,* die zoals ouders over kinderen, een soort ouderlijk gezag hebben over een heel volk. Zij worden vertegenwoordigd in aardse autoriteiten: koningen, priesters, volksleiders. En net zoals ouders vaak moeite hebben om terug te treden uit angst hun kinderen te verliezen, zijn ook deze ‘goden’ bevreesd voor hun positie. Immers, het bestaan van Israël zonder meer, de aanwezigheid van dit aparte volkje in het midden van de wereld, is een voortdurende uitnodiging aan de volken om ook volwassen te worden, dat wil zeggen: zich los te maken van de ouderlijke, voorvaderlijke goden en hun autoritaire vertegenwoordigers, die hen liefst onmondig, onderdanig willen houden.
In plaats van dat de volksgoden hun ‘kinderen’ stimuleren om op te trekken naar Tsion (‘komt laten wij optrekken naar de berg des HEREN opdat Hij ons lere aangaande Zijn wegen’, Micha 4:2; Jes. 2:3), hitsen zij hun onderdanen op om tegen Tsion op te trekken. Zo laten de ‘70’ volken zich opzwepen en meesleuren in een heilige ‘kruistocht’ tegen Israël: de Gog גוג en Magog מגוג oorlog**.
Magog מגוג zouden we ook kunnen lezen als een soort elite gevechtsgroep die vanuit (mé מ betekent uit, vanuit) Gog גוג, tegen Israël vecht.
* De Hebreeuwse woorden voor deze tussenwezens zijn: שר (sar: vorst, ‘luchtvorst’, Daniel 10: 13,20) of בעל (bá`al: heer, heerser, Richt.2:11; 6:25) en soms ook אלהים (‘èlohím: goden, Ps. 97: 9).
** In deze angst voor het mondig worden der volken ligt de wortel van het antisemitisme, van de onoplosbare spanning in het Midden-Oosten en van een wereldwijde antizionistische beweging. Liever dan hun kinderen te verliezen aan Tsion, willen de ‘goden’ een oorlog tegen Tsion.
Heidense volken: goj-gojim
Met een Gimel begint ook het Hebreeuwse woord voor volk גוי (gój, met daarin behalve de Gimel ook de twee GodsNaamletters Waw ו en Jod י). Het woord als zodanig heeft geen negatieve betekenis: ook Israël wordt een ‘goj’ genoemd, een ‘heilig volk, een koninkrijk van priesters’ (Ex.19:6) en Abram krijgt de belofte dat hij een gój gádol גוי גדול (een groot volk zal worden). Het meervoud גוים (gójim) wordt vaak vertaald met heidenen,*** een term die doelt op de ‘onbekeerdheid’ van de volken: de volken, die zich nog niet gekeerd hebben tot de God van Israël, maar nog onder een ‘dak’ leven, zich nog laten leiden door tussenwezens.
*** Ons woord heiden komt waarschijnlijk van heidebewoner: de nog onbeschaafde buitenmens, die buiten de cultuur staat en ‘bekeerd’ moet worden.