13-09-2023

De drie Alijah-feesten

Alle drie Bijbelse hoogtijfeesten Pesach, Shabhuoth en Sukóth zijn dankzeggingsfeesten voor Gods verrassend handelen in schepping en geschiedenis. Vooral in Sukoth bereikt de dankzegging een hoogtepunt. Pesach is het dankfeest voor de beginnende oogst van het graan dat opstond uit de donkere aarde én voor de uittocht uit het duister van de Egyptische verdrukking, Shabhuoth, op de 50e dag na Pesach, is het dankfeest voor de voltooiing van de graanoogst én voor de voltooiing van de uittocht door de Neerdaling van Israëls God op de Sinai met de overhandiging van de Torah en de intieme verbondssluiting tussen Hem en Zijn volk, maar Sukoth, in de zevende maand na Pesach, is het superdankfeest, het supervreugde feest voor het einde van de wijnoogst én het einde van de woestijntocht: de intocht in het Beloofde land, het land van het tarwebrood en de kostelijke wijn.

Anders dan in de Reformatorische kerken, maakt men in Katholica een uiterst scherpe scheiding tussen een Eucharistieviering (‘dankzeggingdienst’) en een Woord-communiedienst. Een Eucharistieviering op zich (dus zonder communie, zonder daadwerkelijke deelname aan de viering) is van een geheel eigen orde en ver verheven boven de Woordverkondiging. Het voorgaan in een Eucharistieviering is daarom ook het exclusieve voorrecht van een geordende priester. Lekenpastores kunnen alleen voorgaan in Woorddiensten of in een Woorddienst met communie waarbij brood en wijn vooraf door een echte priester zijn gewijd.

Wat is dankzeggen? Danken is antwoorden op het Woord, op de Beloften en Daden van Israëls God. Men kan zich afvragen: hoe kan dan de bediening van het ‘Antwoord’ (= dankzeggingsdienst) van een hogere orde zijn dan de bediening van het Woord? Voor nog meer zicht op deze thematiek zijn drie Bijbelse gegevens van belang.

Allereerst het gegeven dat God als Schepper een band heeft met elk schepsel. Alle dingen zijn door het Woord geworden (Johannes 1:3). Daarom spreekt elk schepsel in eigen taal van Gods grote daden. Elk schepsel, dus ook elke boterham en elk glas wijn vertellen over de grootheid van God als Schepper.

Het tweede gegeven is dat brood en wijn geen gewone, maar bijzondere scheppingsgaven zijn. Ze zijn in de Bijbel van een latere datum: er is pas sprake van brood na de zondeval (Genesis 3:19) en van wijn na de zondvloed (Genesis 9:21). Brood en wijn verwijzen behalve naar God als Schepper heel bijzonder naar Hem als Bevrijder. Zowel de tekentaal van het brood, van de graankorrel die sterft en opstaat uit de donkere aarde, als de wijn, de wijndruif die volledig uitgeperst wordt waardoor juist de allerkostelijkste drank ontstaat, verwijzen naar de Liefde en de Zelfovergave Gods, die een ultieme, historische gestalte kreeg in de dood en opstanding van Jehoshua van Nazareth. Brood en wijn zijn dus in dubbele zin met Hem verbonden. Immers, Hij is het Woord waardoor alles geworden is (Johannes 1:1) en Hij is ook Degene naar Wie brood en wijn verwijzen: Hij is de inhoud van hun symboliek.

Dan is er nog een derde Bijbels gegeven dat voor de kernvraag over wie de prioriteit heeft – dankzeggingsdienst of woordbediening – van groot belang is. Danken is niet enkel een woordenspel: er gebeurt iets op het moment dat er gedankt wordt. Volgens de Bijbel verbindt Israëls God Zich met onze lofprijzing en lofzegging: ‘Hij troont op de lofzangen van Israël’ (Ps.22:4). God Die troont in de hemel daalt neer op onze dankzegging: door te danken halen we Hem naar ons toe, geven we Hem een plaats in ons midden. Dat geldt met name ook voor de dankzegging over brood en wijn. Er gebeurt iets met het dagelijks brood voor ons op de huistafel als wij simpelweg bidden: ‘HERE dank U voor deze spijze, amen.’* Er gebeurt zeker iets als we op de vooravond van de wekelijkse Rustdag aan de feestelijk gedekte huistafel of op Zondagavond in de gemeentekring de oeroude dankzeggingen** uitspreken over de wijn en het brood. Door ervoor te danken worden deze scheppingsgaven geheiligd*** = op een bijzondere wijze met de Heilige Israëls verbonden waardoor deze scheppingsgaven meer zijn dan gewoon brood en wijn. Komend vanuit de schepping zijn ze door de dankzegging betrokken geraakt in het historische krachtenveld van Gods bevrijding, van Kruis en Opstanding. Ja, van de Opgestane Zelf: ‘dit is Mijn Lichaam voor U!’

* Brood en wijn zijn nooit, nooit en nergens, niet in de kerk niet aan de huistafel en niet in het restaurant los te denken van Israëls God, van Zijn Liefde en Zijn Zelfovergave die de ultieme belichaming kreeg in Man van Nazareth, in Zijn dood en opstanding. Bij elke boterham, ook zonder dat we het ons realiseren en zonder er voor te danken eten we en genieten we van een scheppingsverschijnsel waarin God Zelf Zich weerspiegelt, waarin Zijn Unieke Liefde, Zijn Zelfovergave zichtbare en tastbare gestalte krijgt, waarin Hij Zich letterlijk ‘belichaamt’.

** De oudste ons bekende eucharistie is de Joodse dankzegging (= berákháh= eucharistie): bárukh ‘atáh, Adonaj Elohenú, Melekh ha`olam, hamotsí lechem min ha’árets = Wij danken U, HERE onze God, Koning der wereld, Die het brood uit de aarde doet voortkomen). Zeer terecht mag men aannemen dat ook Jehoshua steeds deze dankzegging zal hebben uitgesproken bij alle maaltijden waarin Hij als gastheer optrad, zoals bij de vermenigvuldiging van de broden (Lukas 9:16), bij de Pesachmaaltijd (Lukas 22; 19) en bij de Emmaüsgangers thuis op Paaszondagavond (Lukas 24:30). Het Hebreeuwse werkwoord bérékh – in het Grieks eulogeo is de technische term voor het uitspreken van dé bêrákháh = dé betreffende, algemeen aanvaarde dankzeggingswoorden die ieder Joods kind van jongs af aan voor diverse gelegenheden heeft leren uitspreken. Daarom mag men terecht aannemen dat Jehoshua zowel bij de broodvermenig-vuldiging als bij de Pesachmaaltijd en ook op die Zondagavond bij de Emmaüsgangers thuis dé dankzeggings-woorden uitgesproken heeft, niet één, maar dé algemeen gangbare, de aloude dankzeggingswoorden: bárukh ‘atáh, Adonaj Elohenú, Melekh ha`olam, hamotsí lechem min ha’árets.

Het is merkwaardig dat zowel in katholieke als in de protestantse avondmaal liturgieën deze aloude dankzegging ontbreekt, sterker nog: dat praktisch de hele dankzegging over het brood en de wijn ontbreekt, met uitzondering van enkele vage verwijzingen in de allernieuwst liturgieën. Alle nadruk ligt op de meer of minder magisch geladen inzettingswoorden. Waarom is dat?

*** Heiligen betekent letterlijk afzonderen, apart stellen: door de dankzeggingwoorden over brood en wijn worden deze scheppingsgaven verbonden met de Heilige God, de Ene, de Unieke, de Aparte. Heiligen is een verbinding leggen met dé Heilige, dé Aparte.

**** Een voorbeeld van een meer uitgebreide dankzegging over brood en wijn, die vooraf kan gaan aan de klassiek Hebreeuwse:

U danken wij HERE onze God, Koning der wereld, voor de vrucht van de wijnstok waarin Uw Liefde Zich weerspiegelt, Uw Zelfovergave, én voor het brood, dat U uit de aarde doet voorkomen, voor het wonder van de graankorrel die sterft en opstaat uit de donkere aarde, zoals U Uw volk Israël deed opstaan uit het donker van Egypte, en Uw Zoon uit onze dood vandaan; voedt Gij ons met hemels Brood en met de Kracht van Uw Heilige Geest.

De Woordbediening heeft prioriteit

Volgens Calvijn is de Bijbel het ‘gewaad’ waarin de levende Heer tot ons komt. God komt niet alleen in de tekentaal van de graankorrel en de wijndruif op ons toe, maar uitdrukkelijk, veel uitdrukkelijker zelfs in de lettertaal van de Heilige Schrift. Willen we God echt ontmoeten dan kunnen we niet buiten de Bijbel om. De indirecte stem van de door woorden geheiligde scheppingsgave van brood of wijn krijgen pas kracht als we eerst horen naar de Stem van God Zelf, Die direct tot ons spreekt in Zijn Woord.

De Bijbel mag men ook noemen: de gestolde Stem van God. In de Bijbellezing en met name in de ambtelijke Woordverkondiging komen deze gestolde Bijbelwoorden weer tot leven door de Adem van de Geest. In de Woordverkondiging in de gemeente zijn de door de predikant uitgesproken woorden geen gewone woorden meer, maar worden ze omgezet, ‘getranssubstantieerd’ tot Woorden van God, tot heilige Taal, tot de directe Stem van Hem, Die ons bevrijdend, vermanend, oordelend of troostend toespreekt. Als het gaat om de prioriteitsvraag dan heeft Bijbels gezien het Woord de allerhoogste prioriteit: het Woord gaat niet alleen vooraf aan het Antwoord, maar ook de uitdrukkingskracht ervan is het sterkst. De tekentaal van brood en wijn in de eucharistie is weliswaar veelzeggend, maar de lettertaal van het Woord overstijgt dit mateloos: nergens anders komt zo uitvoerig, zo uitdrukkelijk en zo indrukwekkend de Zelfovergave Gods in de Mensenzoon, Zijn Lijden sterven en Opstanding op ons toe als in de Woordverkondiging. Daar kan de tekentaal van brood en wijn niet tegen op.

Trouwens, woorden op zich zijn ook van een geheel andere orde dan de scheppingsgaven van brood en wijn. Woorden zijn ‘geestelijke wezens’, van een heel ander ‘soortelijk gewicht’ dan graankorrels of wijndruiven. Het graan en de wijndruif danken hun bestaan aan het Woord van God: Hij sprak en het was er (Psalm 33:9).

Bovendien, ook de heiliging van brood en wijn voltrekt zich door het woord: door de dank-zég-ging. Woorden en scheppingsgaven zijn onvergelijkbare grootheden. De Woordverkondiging heeft dus in driedubbele zin prioriteit: het Woord op zich gaat vooraf aan het Antwoord, de uitdrukkingskracht is de tekst en het Antwoord is ook geheel afhankelijk van het Woord: brood en wijn worden door het Woord geheiligd.

Kritische vraag:

Als het eenzijdig benadrukken en ‘ophemelen’ van de Eucharistie dus niet Bijbels en ook niet logisch te funderen is, waar berust het dan op? Op andersoortige, filosofische vooronderstellingen of op heidense mythologie? Er is voor de Katholica reden om zich de kritische vraag te stellen of zij in haar missionaire ijver om aan de heidense volken het geheim van Kruis en Opstanding te verkondigen in begrijpelijke taal en zo plastisch mogelijk, zich niet heeft laten verleiden om gebruik te maken van heidense beelden, van algemeen aanvaarde religieuze mythes. Voor de hand lag de mythe van Osiris, de graangod die (gestimuleerd door de magische rituelen van zijn priesters) jaar op jaar zijn ‘offer’ herhaalt: elke winter sterft Osiris weer en is zijn moeder Isis opnieuw diep bedroefd, maar elk voorjaar tegen ‘Pasen’ staat hij weer of ‘opnieuw’ op uit de donkere, doodse aarde.

* Toen keizer Constantijn voor het Christelijk geloof koos als geestelijke grondslag voor het herstel van het Romeinse Rijk, koos hij niet voor het originele Hebreeuwse Christendom, maar voor een vergriekste en deels verheidenste vorm ervan. Dat lag voor de hand omdat deze geloofsvorm binnen het Christendom de meest dominante hoofdstroom was geworden. Het Christelijk geloof had zich in tweeërlei opzicht aangepast aan de heersende cultuur.

a. Het had zich sterk laten beïnvloeden door het toen moderne Grieks-Hellenistische denken, dat minder gericht was op het aardse en veel meer op het geestelijke, hogere en bovenzinnelijke.

b. Het had bovendien de invloed ondergaan van het magisch-religieuze, antieke levensgevoel met z’n behoefte aan mystieke reinigingsrituelen. Zo werd het Bijbelse, Joodse dankzeggingsgebed over brood en wijn aan de huistafel geheel in deze mystiek-cultische sfeer getrokken en volledig ‘gesacramentaliseerd’

Een kritische vraag ook voor de Calvinisten

Maar er is ook alle reden voor nog een kritische vraag, één vanuit de Joodse traditie. Een vraag die ook de Calvinisten raakt: is er niet ten onrechte een principieel verschil gemaakt tussen enerzijds de dankzegging (eucharistie) over brood en wijn in de kring van de gemeente en anderzijds de dankzegging (letterlijk: eucharistie) in de huiselijke kring aan de huistafel over het dagelijkse brood en over de wijn in het weekend? De Joodse dankzeggingsmaaltijden op Shabat en met Pesach – waarin zowel de Roomse mis als het protestantse avondmaal wortelen – vonden (en vinden) immers niet plaats in de Tempel of de synagoge, maar in de huiselijke kring. En de bedienaar van de eucharistie aan de huistafel was en is geen priesterlijke tempeldienaar of één van zijn levitische assistenten, maar gewoon de huisvader of familieoudste of de oudste zoon. Kenmerk van de Joodse godsdienst was en is nog steeds: de liturgische mondigheid. Datzelfde geldt ook voor de eerste missionaire gemeenten die vanuit het Jodendom ontstonden. Er staat niet van de gemeente in Jeruzalem dat zij hun gemeenschapsmaaltijden hielden op het tempelplein, maar in de huiselijke kring: zij braken het brood aan huis. De apostelen riepen de gemeenteleden niet bijeen in aparte zaaltjes of in ruime huiskamers om hun het heilig avondmaal te bedienen, maar de gemeenteleden deden dat zelf. Nadat zij deelgenomen hadden aan de dagelijkse lofzang rond het offerlam op het tempelplein – dat voor hen een nieuwe dimensie had gekregen – braken en deelden zij aan de huistafel het brood, zoals ze dat vanuit hun Joodse traditie gewend waren. Dat gebeurde uiteraard ook weer na de dankzegging (eucharistie) over het brood, dat voor hen net als het offerlam een nieuwe dimensie had gekregen: ‘doe dit (= dit danken, breken en delen van het brood)* tot Mijn gedachtenis.

Zoals in de huiselijke kring de huisvader of familieoudste de liturg was (en is), was dit in de kring van de gemeente één van de gemeenteoudsten. Het Griekse woord voor ‘oudste’ is ‘presbyter’ waarvan ons woord priester is afgeleid. In dit licht gezien is de eigenlijke vraag niet wat prioriteit of originaliteit heeft – de Woordbediening of de eucharistieviering- maar: waar gaat het uiteindelijk om? Gaat het om de gemeente, dat die groter wordt en groeit in geloof en heiliging óf gaat het om het volk, om de heiliging van heel de volkssamenleving met de gezinnen en de families in de voorhoede? Anders gezegd: gaat het om de Kerk of om het Koninkrijk dat heel de samenleving en alle volken wil omvatten? Of nog anders: gaat het om de heilige Avondmaalstafel of om de heiliging van de huistafel? In feite zijn beiden onmisbaar. De Avondmaalstafel is de startplaats voor de heiliging van de huistafel: het draait om het avondmaal maar het gaat om de huistafel.

De huistafel als startplaats voor de heiliging van heel de samenleving

En daar blijft het niet bij want de huistafel is op zijn beurt ook weer een startplaats voor de heiliging van heel de samenleving. Het gáát om een (ere)dienende volkssamenleving. Het gáát om een samen-loving waarbij de oudsten van het volk weer de originele presbyters zijn die leiding geven aan de publieke erediensten, aan de dagelijkse morgen- en avondgebeden en aan de feestelijke vieringen op de hoogtijdagen, daarbij gesteund door tal van deskundigen, musici en zangers. Want het gaat uiteindelijk niet om dankzegging-zangdiensten in kerken en kerkzaaltjes op de eerste weekdag, op Zondagmorgen of -namiddag, maar om de dagelijkse publieke morgen en avondgebeden in het centrum van elk dorp en elke stad, tot in het centrum van de wereld in Jeruzalem, op de berg van Zijn heiligheid: ‘Looft de HERE, alle gij volken, prijst Hem alle gij naties’ (Psalm 117).

* In een overtuigende studie ‘Doet dit tot Mijn gedachtenis’ heeft al jaren geleden dr. G.N. Lammens aangetoond dat het woordje ‘dit’ in ‘doe dit tot Mijn gedachtenis’ niet slaat op het gebeuren als geheel maar specifiek op de bij de Joden gebruikelijke handelingen van danken, brood breken en ronddelen.

** Het beperken van de dankzegging over brood en wijn tot de tafel in de kerk, betekent bij het huidige functieverlies van de kerk een belangrijke factor in de secularisering van onze moderne samenleving. Als de kerk die het monopolie opeist van de dankzegging over brood en wijn, wegvalt, wat komt hiervoor dan in de plaats? Na de verwoesting van de Tempel – wat het einde betekende van de priesterlijke tempelliturgie – kwam in het Jodendom alle nadruk te liggen op de priesterlijke taak van de ouders aan de huistafel en deze huisliturgie werd meer nog dan de synagoge de onmisbare factor voor het overleven van het Joodse volk in de verstrooiing en daarmee ook voor het wonder van hun terugkeer.