1. De Geest- Ruach חור is er in niveaus, gradaties: algemeen in relatie tot de schepping, zoals de Geest die boven de wateren zweefde en in het bijzonder in relatie tot de bevrijding (Geest van Jezus/Jehoshua).
Ook de bevrijdende Geest is er in gradaties, in, laten we zeggen, verschillende verdichtingen. Er is:
a. de Geest van de ‘Voorhof,’ dat wil zeggen dat we aangeraakt kunnen worden door Gods geest als we de Bijbel bestuderen,
b. de Geest van het ‘Heilige:’ gaat een stapje verder naar binnen, het bewerkt bekering in ons, het schuldbelijden, de toe-eigening van vergeving en de bereidheid tot een ander levensgedrag, en er is
c. de Geest van het Heilige der Heiligen, de Inwonende Geest, Hij is alom Aanwezig.
2. Men kan ook zeggen: de Aanwezigheid Gods is er in gradaties, in diverse verdichtingen: Hij is aanwezig in het licht dat ons omringt, Hij spreekt vanuit de schepping, Hij is in het Woord, Hij spreekt door de Heilige Schrift en door de verkondiging, Hij is in ons hart als een innerlijke Stem.
3. Bijbelwoorden zijn als het ware woningen voor het Woord van God. Ook ons hart mag een woning worden van het Woord. Op zich is ook ons hart door het Woord geworden: een woordwezen, waarin Woorden Gods geen vreemdelingen zijn. Toch is het hart ook ontvankelijk voor leugenwoorden, voor influisteringen van de Tegenstander.
4. Godsdienst openbaart zich in menselijkheid, naar niet alle menselijkheid is godsdienstig: humaan gedrag kan ook voortkomen uit humanisme.
Er zijn twee karikaturen: godsdienst zonder menselijkheid en menselijkheid zonder godsdienst.
5. De Bijbelse Godsdienst kent geen heiligen, d.w.z. geen mensen die heiligheid hebben in zichzelf, die zich tot de status van heiligheid hebben opgewerkt, zich tot dit niveau hebben bijgeschaafd. Het woord qêdushah, heiligheid, komt voor in het latere Hebreeuws en in het moderne Ivriet, maar niet in het Eerste Testament/Tenakh. Wel qêdéshah = hoer, zij die seks losmaakt uit de relatie.
Qêdushah, oftewel de eigengemaakte heiligheid, schijnheiligheid, is los van de relatie met de Heilige Zelf. De Bijbel kent dus geen heiligen, maar wel ge-heiligden, mensen die in direct contact leven met de Heilige God van Israël en bij wie de afstraling daarvan zichtbaar is in een apart gedrag, anders dan anderen, omdat ze bevrijde mensen zijn. Maar dit bevrijd zijn en dit geheiligd zijn, is nooit een persoonlijk bezit, los van de relatie met God Zelf. Los van Hem vallen we subiet terug op onze onheiligheid en kunnen we ons als onmensen gaan gedragen, liefdeloos, zelfs moorddadig. Daarom moeten we elke dag opnieuw in het Licht van de Heilige gaan staan, ons door Hem laten bestralen, laten bevrijden én heiligen.
Elke dag moeten we ons Zijn heilige Liefde toe-eigenen. Elke dag en bijzonder geschikt is daarvoor de ‘eerste dag’, de dag van het Licht, Gen.1:3. Ook al hebben wij van jongs af aan geleerd wat liefhebben is, dan kunnen we toch opeens weer liefdeloos worden, als we ons bevinden buiten het krachtenveld van de Heilige Liefde Gods. Het is wonderlijk dat in het Shêma (Deut. 6:4) niet staat: Gij zult liefhebben, maar gij hébt liefgehad. Het is al voltooid! We hoeven alleen maar in het Licht van Zijn Liefde te gaan staan door te lezen uit Zijn Woord en te bidden, te aanbidden, we hoeven het ons alleen maar toe te eigenen!
6. Om de eeuwenlange eenzijdige uitleg van de Heilige Schriften te herstellen en voortdurend de volledige eenheid ervan te bevestigen, moeten we het Nieuwe Testament niet alleen zoveel mogelijk terugvertalen in de taal van OT/Tenach, maar ook terugplaatsen in Tenach, in de vorm van vier lange voetnoten: de Evangeliën bij Leviticus, de Handelingen der apostelen bij Jozua, de Apostolische Brieven bij Ezra en Nehemia, en de Apocalyps bij Daniël. Het NT los zien van het OT is als het gaan naar een film in de bioscoop, maar pas na de pauze binnenkomen. We hebben dan geen idee wat zich er voor de pauze heeft afgespeeld. Jezus/Jehoshua kon Zich helemaal tonen in Mozes en de Profeten toen Hij onderweg met de Emmaüsgangers de teksten die op Hem betrokken waren toelichtte: Lukas 24:27!
7. Zoals de Vleeswording van het Woord een vóórgeschiedenis heeft, zo heeft ook de Schriftwording een voorgeschiedenis. Onze Westerse schrijftaal is in een historisch proces ontstaan: van hele woordentaal (het huidige Chinees) via lettergrepentaal (spijkerschrift) naar lettertaal. Het Hebreeuws van de Sinaï tabletten, echter, is mogelijk het oudste lettertaalschriftdocument ter wereld. Door God geschapen, uitgevonden.