03-10-2023

Psalm 30

Psalm 30 is de eerste Psalm die in het ochtendgebed vermeld staat en die speciaal met Chanukah wordt gelezen. Chanukah חָנוּכָּה betekent inwijding en zoals de Tempel werd ingewijd toen de Makkabeeën deze innamen in het jaar 164 voor onze jaartelling, zo werd eerder in de geschiedenis het huis van David ingewijd.

Het gaat hier waarschijnlijk over de inwijding van de burcht Sion, die David veroverde op de Jebusieten (2 Samuel 5 en 1 Kronieken 11). David verwijst in deze Psalm naar een periode van zeer ernstig ziek zijn en bijna sterven. Is hij gewond geraakt in de strijd en daaraan bijna bezweken of verwijst hij naar de pestepidemie, die hij over zich en het volk heen haalde door zijn paarden en wagens te tellen? Heeft hij pas daarna zijn burcht ingewijd? Of bedoelt hij met het huis zijn eigen lichaam, dat hersteld is van ziekte? Het is niet duidelijk. In ieder geval wordt in deze Psalm verder geen huis meer genoemd, wel zijn eigen herstel.

Deze Psalm heeft twee titels, zoals gezegd al het inwijden van Davids huis, maar ook het danklied na uitredding en die uitredding is ook weer tweeledig: zowel dankt David voor het uitredden van zijn vijanden als van dodelijke ziekte.

Vers 1 מִזְמוֹר שִׁיר חֲנֻכַּת הַבַּיִת לְדָוִֽד׃ Mizmor shir chanukat habajit leDavid, Melodie lied inwijding van het huis van David

Mizmor מִזְמוֹר, melodie komt van het werkwoord zámar זָמַר en dat betekent onder meer: zingen, muziek maken. Van dit werkwoord is ook afgeleid het woord zimráh זִמְרָה, wat betekent: muziek, melodie, lied, maar ook, opvallend: kracht, het beste. Vandaar in Psalm 118:14 de prachtige uitspraak: De Heere is mijn kracht en mijn lied, ázi wêzimráh Jáh עָזִי וְזִמְרָה יָה.

De letters van het woord zámar hebben voornamelijk met discipline te maken. Zajin ז betekent wapenstok en heeft alles te maken met het ordenen van de tijd; Mem מ is de omheining en ook de verinnerlijking en de Resh ר heeft als betekenissen hoofd en principe. Zingen voor God vraagt discipline, vraagt om oefentijd en dit moet ook als het ware omheind zijn, niet zomaar alles kan gezongen worden, niet alles kan er worden bijgehaald, slechts de zaken die God, het Hoofd van het lichaam, ook echt heiligen. De voorzanger moet deze principes goed in de gaten houden, het is een heilige zaak om God met gezangen te eren en dit vergt een goede voorbereiding.

Shir שִׁיר is lied, zang, muziek maar ook meteen het werkwoord: zingen, zoals ook Moshe, Mozes met het volk deed nadat ze met elkaar de Schelfzee waren overgestoken: ‘Ik wil de HERE (Aanwezige) zingen, want Hij is hoogverheven.’

Chanukah חָנֻכָּה betekent zoals gezegd inwijding en dit komt van het werkwoord chánakh חָנַך: inwijden. Zo werd in de Bijbel behalve Davids huis ook het altaar ingewijd in Numeri 7:11 en 84, evenals de muur van Jeruzalem in Nehemia 12:27. Twee opvallende binnenwoorden zijn in chánakh te vinden: chen חֶן, genade en nach נַח, waarvan ook nuach נוּח rusten: een nieuw huis inwijden heeft alles te maken met Gods genade; Hij geeft immers de dingen die we nodig hebben, zoals een huis. En waar rust men beter dan in eigen huis!

Vers 2אֲרוֹמִמְךָ יְהֹוָה כִּי דִלִּיתָנִי וְלֹא־שִׂמַּחְתָּ אֹֽיְבַי לִֽי ׃ Aromimkha JHWH ki dilitáni wêlo simachtá ojêbhaj li, Ik roemde/roem/zal roemen de Aanwezige want Gij hebt mij opgetrokken en U heeft mijn vijanden niet over mij verheugd gemaakt

Aromimkha אֲרוֹמִמְךָ komt van het werkwoord rum (spreek uit: roem) רוּם, roemen, dit Nederlandse werkwoord is een Hebraïsme! Het Hebreeuwse woord rum betekent in de versterkte vorm echter nog meer: oprichten; grootbrengen; verheffen en zelfs: in veiligheid brengen. Zetten we dit werkwoord in de wederkerende vorm (hitpa’el) dan krijgen we onder meer de betekenis: zich verheffen, zich trots opstellen, zoals in Daniel 11:36 beschreven staat over een koning (waarschijnlijk Constantijn) die zich zal verheffen, jitromem יִתְרוֹמֶם, tegen de God der goden. Dit gaat dan juist tegen God in. David echter, verheft zoals het moet: alleen God verheft hij en niet zichzelf.

We hebben wel vaker vermeld dat JHWH יהוה betekent: gebeuren, geschieden, aanwezig zijn. God spreekt tegen Moshe in Exodus 3:15 dat dit Zijn naam is, die: ‘Tot Mijn gedachtenis, zikhri זִכְרִי is.’ De uitspraak van deze naam is verloren gegaan, maar de betekenis niet, Waar HEERE of HERE met hoofdletters in onze vertalingen geschreven staat, daar is dit een vertaling van JHWH en dus kan men deze naam lezen als: Aanwezige. Dit zo te lezen geeft nog meer verdieping aan de tekst, het is echt aan te raden.

U hebt mij opgetrokken, dilitani דִלִּיתָנִי zegt David. Dit heeft specifiek met water te maken. Water wordt met een kruik of emmer opgetrokken uit een put. Het werkwoord hier is dáláh דָלָה, dit betekent: water putten, omhoog halen, redden. Typisch is dat het woord voor deur: deleth דֶלֶת, afgeleid is van dit werkwoord dáláh. In Jesaja spreekt God: ‘Ga heen in uw binnenkamers, Mijn volk en trek de deur toe, totdat de gramschap overga.’ Dit heeft te maken met redden uit de ellende, net zoals hier in Psalm 30 David gered is uit de ellende. In Job 27:20a vinden we een interessante vergelijking: ‘Verschrikkingen grijpen hem aan als waterstromen.’

U heeft mijn vijanden geen vreugde over mij gegeven, zij hebben mij niet overwonnen. Een vijand is een ojebh אוֹיֵב. Opvallend is hier de letter Aleph א, de letter van God Zelf. Aleph betekent immers Koploper, Voortrekker en Eersteling, wat op Hemzelf slaat. Sowieso zitten de twee Godsnaamletters Jod י en Waw ו (uit Zijn naam JHWH יהוה) in dit opvallende woord. God heeft vijanden (Psalm 83:2) én Hij betoont Zich ook een Vijand aan Zijn haters (Exodus 23:22).

Vreugde hebben is het werkwoord sámach שָׂמַח, waarvan afgeleid het woord simcháh שִׂמְחָה, vreugde, blijdschap.

Vers 3 יְהֹוָה אֱלֹהָי שִׁוַּעְתִּי אֵלֶיךָ וַתִּרְפָּאֵֽנִי׃ JHWH Elohaj shivati élejkhá watirpá’eni, JHWH mijn God ik heb aan U om hulp geroepen en U genas mij/ geneest mij/zal mij genezen.

Ik heb om hulp geroepen.’ Om hulp roepen is het werkwoord shává שָׁוָע wat woordverband heeft met het woord voor onder meer vernietiging sho’ah שׁוֹאָה. We kennen dit woord allemaal uit de tweede wereldoorlog…

U genas mij, komt van het werkwoord ráphá רָפָא. Alhoewel in de meeste vertalingen staat: U heeft mij genezen, vertalen wij dit toch anders, namelijk als: U genas mij, wat ook vertaald kan worden als: U geneest mij en: U zult mij genezen. Het woord in het Hebreeuws staat er namelijk niet in de voltooide, maar in de onvoltooide wijs: tirpá’eni תִרְפָּאֵנִי. De Taw ת, die hier betekent: U, staat vóór de stam, wat de onvoltooide wijs aangeeft, in de voltooide wijs staat deze letter Taw áchter de stam en dan zou er gestaan hebben: riphateni רִפָאתֵנִי. In het Hebreeuws kent men in feite maar twee tijden: de voltooide en de onvoltooide tijd en in die onvoltooide tijd horen zowel verleden, heden als de toekomende tijd, machtig interessant is het om dit in het achterhoofd te houden bij het lezen van de profeten in de Bijbel!

Vers 4 יְֽהֹוָה הֶֽעֱלִיתָ מִן־שְׁאוֹל נַפְשִׁי חִיִּיתַנִי מיורדי־ [מִיָּֽרְדִי־] בֽוֹר׃ JHWH he‘elitá min-shê’ol naphshi chijitani mi’jordei bhor, JHWH U heeft mijn ziel doen opgaan uit het dodenrijk, U heeft mij in leven gehouden, ik ben niet afgedaald in de put

הֶֽעֱלִיתָ he‘elita is een zgn hiph’ilvorm oftewel een doevorm, te zien aan de ה die voor de stam staat en de Jod יdie tussen de tweede en derde stamletter staat (even heel technisch ). ‘U heeft mijn ziel doen opgaan,’ zegt David. De werkwoordstam is hier áláh עָלָה, opgaan. Een brandoffer is overigens een olah עֹלָה, dit komt ook van dit werkwoord; bij een brandoffer stijgt de rook immers op. David heeft in zijn leven veel brandoffers aan God gebracht.

Het is opvallend dat Davids ziel, nephesh נֶפֶשׁ, omhoogging uit het dodenrijk en niet omlaag kwam uit de hemel bij zijn bijna-doodervaring. De vraag is dus: gaat de ziel werkelijk wel naar de hemel na ons sterven? In een vorige Tijdstip hebben we hier ook weleens uitgebreider over geschreven. David zegt in ditzelfde vers dat hij niet is afgedaald, van het werkwoord járad יָרַד, in de put, bor בּוֹר.

Vers 5 זַמְּרוּ לַיהֹוָה חֲסִידָיו וְהוֹדוּ לְזֵכֶר קָדְשֽׁוֹ׃ Zamêru lêJHWH chasidav vehodu lêzékher qodêsho, Zing aan JHWH, Zijn gunstgenoten en breng dank ter gedachtenis aan Zijn heiligheid

Een gunstgenoot is een chasid חַסִיד, een vrome, vertrouweling. Het werkwoord is chásad חָסַד, liefde, trouw betrachten, maar er is ook nog een andere betekenis en die is treffend: beschimpen, schande spreken van. Dat doet denken aan Achitofel die een zeer gewaardeerd vertrouwensman van David was, maar die later schande van hem spreekt en hem volledig afvalt door Absalom in het zadel te willen helpen (2 Samuel 15 e.v.). Zo kan een vertrouweling het te hoog in de bol gaan krijgen en zich zomaar omdraaien tegen zijn heer.

Breng dank, hodu הוֹדוּ, het werkwoord is jádáh יָדָה dankzeggen. In dit woord staat het woord voor hand: jad יַד. Ook vinden we in jádáh de verkorte Godsnaam Jah יָה en zo kunnen we zeggen dat we Hem mogen danken voor Zijn handelen in ons leven.

David spreekt hier tegen iedereen die een gunstgenoot van God is, om Zijn heiligheid, qodsho קָדְשֽׁוֹ te gedenken: zákhar זָכַר is hier het werkwoord. Een secretaresse is in het modern Hebreeuws een mazkiráh מַזְכִּרָה, zij herinnert haar baas aan zijn/haar afspraken.

Vers 6 כִּי רֶגַע בְּאַפּוֹ חַיִּים בִּרְצוֹנוֹ בָּעֶרֶב יָלִין בֶּכִי וְלַבֹּקֶר רִנָּֽה׃ Ki rega bê’apho chajim birtsono bá‘erebh jálin bekhi wêlaboqer rináh, Want een moment in zijn boosheid; een leven lang Zijn welbehagen. In de avond overnacht het gehuil, maar naar de ochtend gejubel

רֶגַע rega, moment kan ook vertaald worden met: plotseling of oogwenk. Het werkwoord rágá רָגָע heeft vreemd genoeg een verwarrende uitleg: het betekent namelijk zowel rust als onrust. Hoe diepzinnig is dit: Door Gods plotselinge woede brengt Hij onrust; door zijn welbehagen brengt Hij weer de rust die zomaar een leven lang mag duren. In dit werkwoord kunnen we het binnenwoord רָע vinden, wat betekent: slechtheid, kwaad. Onze slechtheid kan Gods woede opwekken ook al is het maar, in Zijn tijdrekening, voor een ogenblik…

Boosheid, woede is aph אַף wat overigens ook neus betekent. Als God woedend wordt dan stijgt er rook op uit zijn neus, onder meer in Psalm 18:9. Ook in Job staat het treffend: ‘Van de adem Gods vergaan zij en van het geblaas van zijn neus worden zij verdaan.’

Zijn welbehagen is zijn ratson רַצוֹן van het werkwoord ratsá רַצָה, behagen scheppen in. Opvallend is hier een tweede betekenis van dit woord, namelijk: voldoen, boete betalen en dan raken we meteen het Messiaanse karakter van deze Psalm. Hijzelf immers betaalde de boete voor de zonden van de mens! Hij heeft Zijn woede over de zonde in Zichzelf gestild, heeft zelf de strafmaat vervuld aan het kruis. Er is woordverband tussen ratsá רַצָה en nétser נֵצֶר, de Messiaanse Scheut uit Jesaja 11:1.

Rináh רִנָה is gejuich, gejubel. David spreekt hierover in dit vers en in een andere Psalm (32:7) jubelt hij: ‘Gij omringt mij met vreugdekreten van bevrijding.’ Ran רַן betekent vreugdekreet en is een binnenwoord in rináh.

Vers 7 וַֽאֲנִי אָמַרְתִּי בְשַׁלְוִי בַּל־אֶמּוֹט לְעוֹלָֽם׃ Wa’ani ámarti bhêshalêvi bal-emot lê‘olam, En ík heb gezegd in mijn onbezorgdheid: ik zal niet wankelen in eeuwigheid

Heel mooi begint David in dit vers te zeggen: ík, áni אָנִי, ík heb gezegd; ámarti betekent ook al: ik heb gezegd, er is hier dus extra nadruk. David beseft nu dat hij wel wat kan zeggen, maar dat Gods wil toch wet is. Zodra God Zich maar even niet laat zien, overvalt David de schrik. Hoe herkenbaar!

Wankelen is het woord mut, מוּט en wat bijzonder is aan dit woord, is dat het ook betekent: juk. ‘Mijn juk is zacht en mijn last is licht,’ spreekt onze Messias, Die niet wil dat de mens wankelt onder Zijn onderricht. Mut heeft overigens woordverband met een andere mut: מוּת, sterven. Wie het juk van onze Messias op zich neemt, zal nimmermeer sterven! David had nog geen kennis van de Messias en van Zijn onwrikbare belofte om Zijn kinderen nooit alleen te laten. Echter, juist David heeft zo Messiaans geprofeteerd en de liefdesrelatie tussen hem en zijn God liegt er niet om, rotsvast is ook zijn vertrouwen.

Eeuwigheid is in het Hebreeuws: olam עוֹלַם en dat betekent in het modern Hebreeuws ook: wereld. Dat zegt ook iets moois: Gods beloften zijn tot in eeuwigheid én gaan over de gehele wereld, dat is als een tweeledige belofte: één in de tijd en één in de tastbare wereld; God is Heer over alle dingen en er is geen plek of moment dat we buiten Zijn liefde verloren zouden gaan wanneer we Hem volgen.

Vers 8 יְֽהֹוָה בִּֽרְצֽוֹנְךָ הֶֽעֱמַדְתָּה לְֽהַרְרִי עֹז הִסְתַּרְתָּ פָנֶיךָ הָיִיתִי נִבְהָֽל׃ JHWH birtsonekhá he‘emadêtáh lêharêri oz histartá phánejkhá háiti nibhál, JHWH in Uw welbehagen deed U mijn berg sterk staan, U heeft Uw aangezicht doen verbergen, ik ben verschrikt geweest

Maar uit dit vers blijkt dat David toch een tik heeft opgelopen. Zoals hij erop terugkijkt, geeft hij de eer weer aan God, hij beseft dat hij in alles afhankelijk is van Hem en durft dit hardop uit te spreken. Hij maakt zich klein ten opzichte van zijn God: zonder U ben ik verschrikt, kan ik niets…

In Uw welbehagen, birtsonekha, dit komt weer van het werkwoord ratsáh רַצָה.

U heeft mijn berg sterk doen staan, het is wel duidelijk dat David het hier heeft over Jeruzalem, zijn woonplaats. Toen David de dorsvloer van Arauna kocht (1 Kron. 21), was dit om God een offer te brengen teneinde de pestepidemie te stoppen, die hijzelf over het volk heen gehaald had door zijn militaire macht te tellen, wat God niet welbehaaglijk was. Die dorsvloer was op de berg Moriah, wat nu de Tempelberg is en wat veel eerder in de geschiedenis de offerplaats was waar Abhraham bijna Jitschaq offerde. Deze dorsvloer ligt naast de burcht Sion, op de bergtop. Het is tekenend dat David deze zo belangrijke plek echt heeft gekocht, niet heeft gekregen. Omdat dit zo is, is ook heden ten dage deze belangrijke plaats rechtens eigendom van het volk Israël, ook al schreeuwt het zgn. ‘Palestijnse volk’ dat de Joden er niets te zoeken hebben…

Verbergen is sátar סָתַר en dit woord staat hier in de doevorm geschreven: ‘U heeft Uw aangezicht doen verbergen.’ Het zelfstandig naamwoord is séter סֵתֶר, beschutting, toevlucht. Zodra God Zijn aangezicht verbergt, is Davids toevlucht, zijn beschutting verdwenen!

Verschrikt was David: nibhal נִבְהָֽל. Nibhal is de lijdende vorm (niph’alvorm) van het werkwoord báhal בָּהַל, schrikken, verbijsterd zijn, opgeschrikt worden. In het woord báhal zit het woord lebh לֶב, hart. Denk maar aan de Nederlandse uitdrukking: het lef hebben, dat is eigenlijk: het hart hebben, dit is een Hebraïsme. David verloor zijn lef toen God zijn Aangezicht verborg.

Vers 9 אֵלֶיךָ יְהֹוָה אֶקְרָא וְאֶל־אֲדֹנָי אֶתְחַנָּֽן׃ élekha JHWH eqrá wê’el-Adonai etchanán, tot U JHWH riep ik en tot mijn God smeekte ik om genade

Roepen is het werkwoord qárá קָרָא en er is een grammaticaal ‘grapje’ mee te maken: er staat een binnenwoord in: raq רַק en dit betekent: alleen, slechts, enkel. Dan staat ook de Aleph א in dit woord en deze staat voor God Zelf. David roept slechts, enkel en alleen God, de Aleph א aan. Zo is het ook echt in zijn leven, God is echt zijn alles.

Smeken, hitchánen is een bijzonder woord; het komt uit het werkwoord chánan חָנַן, genadig zijn: de betekenis van dit woord wordt (heel bijzonder!) smeken wanneer we het in de wederkerende vorm (hitpa’el) zetten. Als de mens ergens om smeekt in het leven, dan is het wel om genade, dat is zo’n fundamentele behoefte!

Vers 10 מַה־בֶּצַע בְּדָמִי בְּרִדְתִּי אֶל שָׁחַת הֲיֽוֹדְךָ עָפָר הֲיַגִּיד אֲמִתֶּֽךָ׃ Mah-betsa bêdámi bêridêti el sháchath hajodêkhá áphár hajagid amitekhá, Wat voor voordeel in mijn bloed, in mijn afdalen in de kuil, kan stof U loven, Uw waarheid verkondigen?

Betsa בֶּצָע is voordeel, winstbejag, maar ook: snee, breuk, zoals het afbreken van de levensdraad in Jeremia 51:13. Er is geen voordeel of winstbejag te halen uit het sterven van David.

Aphár עָפָר is stof, zand, aarde, maar ook as, stof op het hoofd i.v.m. rouw en het graf, het dodenrijk. Een binnenwoord is het woord רָע, slecht, het kwaad. Slechtheid, zonde leidt uiteindelijk tot de dood (Romeinen 6:23). Echter David weet heel goed sorry te zeggen; om vergeving te vragen aan zijn God, zodat God hem weer opricht en vreugde geeft.

Vers 11 שְׁמַע־יְהֹוָה וְחָנֵּנִי יְהֹוָה הֱֽיֵה־עֹזֵר לִֽי׃ Shma-JHWH wêchánéni JHWH hejéh-ozér li, Hoor Aanwezige, wees mij genadig Aanwezige, help mij

Hoor Aanwezige! Shêma JHWH שְׁמַע יהוה. Shêma komt van het werkwoord shámá שָׁמָע, horen. In dit woord is een binnenwoord te vinden: shém שֵׁם, naam. ‘Hoor Israel,’ zegt God in Deuteronomium 6:4. Hij roept ons bij onze naam: ‘Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn (Jesaja 43:1).’ Hier in Psalm 30 roept David God aan met Zijn eigen Naam JHWH. Directer kan het niet. Er zijn natuurlijk meer benamingen voor God: Elohim of Adonai maar deze namen zijn meer titels: God, Mijn Heer.

Weest U mijn helper,’ roept David: hejéh ozer li הֱיֵה עֹזַר לִי. Uit deze gebiedende wijs halen we het werkwoord hajah הָיָה waarvan de Godsnaam JHWH יהוה is afgeleid. Wie heeft David als Helper: JHWH. Uit de grammatica van dit kleine zinnetje blijkt er geen twijfel mogelijk Wie David hier aanroept. In de vertaling valt deze diepzinnigheid geheel weg.

Vers 12 הָפַכְתָּ מִסְפְּדִי לְמָחוֹל לִי פִּתַּחְתָּ שַׂקִּי וַֽתְּאַזְּרֵנִי שִׂמְחָֽה׃ Háphakhtá mispêdi lêmáchol li pitachtá saqi wat’azréni simcháh, U heeft mijn rouwklacht omgekeerd naar een reidans; U heeft mijn rouwgewaad losgemaakt en U omgordde/omgordt mij met vreugde

Omgekeerd komt van het werkwoord háphakh הָפַך wat ook betekent: veranderen, verwoesten. Zoals God voorzegt dat Hij Sodom zal omkeren, verwoesten, zo keert Hij Davids rouw om in vreugde, het kan dus beide kanten op, zowel positief als negatief.

Mispad מִסְפַּד is rouwklacht. Dit komt van het werkwoord sáphad סָפַד rouwen, doden betreuren. Opvallend is dat het woord sáphad woordverband heeft met Sodom: Sêdom סְדֹם. Het behoeft verder geen uitleg dat er na de verwoesting van deze stad heel veel doden te betreuren waren… Alhoewel de werkwoorden van mispad en mishpat geen woordverband hebben, hebben deze twee zelfstandige naamwoorden dit verband wél. Mishpat מִשְׁפַּט betekent onder meer: rechtszaak waar de doodstraf op staat…

Een rouwgewaad is een saq שַׂק waarbij we kunnen denken aan de Nederlandse uitdrukking: ‘In zak en as zitten.’ Dit is vast een Hebraïsme, temeer omdat men in de Bijbel bij het rouwen as op het hoofd strooit.

Maar David mag reidansen in plaats van rouwen. Een reidans is een machol מָחוֹל en dit komt van het werkwoord chul חוּל. Een binnenwoord in chol is het woord leach לֵחַ, wat betekent: frisheid, levenskracht. Dit mag David ervaren, juist nadat hij heeft ervaren dat God hem heeft opgetrokken uit de kuil. Daar mag op zijn minst een dansje tegenover staan!

In dit vers worden de voltooide tijd en de onvoltooide tijd gebruikt. Alles staat in de voltooide tijd behalve het woord omgorden, dat staat er in de onvoltooide tijd. God omgordde/omgordt of zal David omgorden met vreugde. Davids vreugde is van verleden, heden en toekomst, hij mag dus uitzien naar meer en meer vreugde zolang hij God blijft gehoorzamen. Omgorden is het werkwoord ázar אָזַר. In ázar zit het woord or dat zowel als אֹר en als אוֹר geschreven kan worden. Vreugde en licht hebben alles met elkaar te maken, ‘het licht zien’ maakt blij!

Vers 13 לְמַעַן יְזַמֶּרְךָ כָבוֹד וְלֹא יִדֹּם יְהֹוָה אֱלֹהַי לְעוֹלָם אוֹדֶֽךָּ׃ Lêma‘an jêzamerêkhá khábhod wêlo jidom JHWH Elohai lê‘olam odekhá, Opdat (mijn) eer U zal bezingen en niet zwijgen, Aanwezige mijn Heer, tot in eeuwigheid zal ik U loven/danken (jadah)

(Mijn) eer, kábhod כָּבוֹד kan in dit vers het beste vertaald worden met ziel. In Psalm 16:9 zegt David dit ook: ‘Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn eer.’ In die Psalm staat het er nog duidelijker: kábhodi, waarbij de laatste Jod י wijst op: mijn.

Ik zal niet zwijgen, lo jidom לאֹ יִדוֹם, het is opvallend dat het woord voor stilte, zwijgen ook betekent: dodenrijk. Daar was David nu juist van opgetrokken, zagen we in vers 2 en 4. Dat David dit woord nu precies gebruikt in deze Psalm, in plaats van het woord met dezelfde betekenis: hásáh הָסָה,is vast niet toevallig; in deze Psalm gaat alles om de redding uit het dodenrijk en de vreugde die God Zelf heeft aangetrokken bij David.

Danken is het Hebreeuwse woord jádáh ידה wat ook onder meer betekent schuld belijden. Schuld belijden en danken ligt in het gebedsleven van David heel dicht bij elkaar en zo hoort het ook in onze levens te zijn.

Zo is deze Psalm van David een leerdicht voor de lezer van vandaag, al drieduizend jaar oud is deze Psalm, maar hij is nog net zo actueel als in de tijd van David. Wij mogen daar in onze tijd ook ons voordeel mee doen.