Eén van de allermooiste Psalmen is toch wel Psalm 23. Waarom is dat, waarom spreekt deze Psalm zoveel mensen eigenlijk aan? Waarschijnlijk omdat ie zo eenvoudig is, het is niet moeilijk om te begrijpen hoe God David voort leidt zoals een herder zijn schapen leidt en verzorgt. Iedereen kan zichzelf er wel in zien en dat geeft een uniek troostende ervaring aan de lezer, precies zoals David dat ook in zijn schrijven ervaart. We mogen dankbaar zijn voor de diepe liefdesband tussen God en David, gelukkig heeft hij het allemaal opgeschreven zodat ook wij als lezers van 3000 jaar later er nog steeds door gezegend worden!
David, de herdersjongen, de toekomstige koning, de strijder, de koning en de profeet. En dan niet te vergeten de muzikant en songwriter. Wát een rollen heeft deze man vervuld in zijn veelbewogen leven! Veel Psalmen van David hebben een profetisch karakter en hij spreekt vaak over het Messiaanse lijden, zowel wat betreft de Messias als ook het Messiaanse volk. Dit is een kant van hem die we soms minder scherp zien.
Vers 1:
Lied van David, de Aanwezige is mijn Herder, ik zal niet ontbreken
מִזְמוֹר mizmor, lied, Psalm, komt van de werkwoordstam זָמַר zámar, wat betekent: zingen, iemand bezingen, muziek maken. Zámar betekent echter ook: snoeien; als we God gaan bezingen in het dagelijks leven, dan snoeien we als het ware onze dagelijkse beslommeringen en brengen deze in perspectief. Zámar זָמַר heeft woordverband met זָכַר zákhar, gedenken.
God draagt Zijn volk op om te gedenken, er zijn verschillende teksten over te vinden in de Bijbel: ´Spreekt aandachtiglijk, vergeet niet één van Zijn wonderwerken, gedenk wat de Here u gedaan heeft! ´ (Psalm 107:8, 31).
Mijn Herder of: herder, roí רֹעִי komt van het werkwoord ra’ah: weiden רָעָה. God Zelf is Davids Herder. In Johannes 10:11 en 14 zegt Jehoshua: ‘Ik ben de goede Herder.’
Waarom zou Hij het woord ‘goede’ zo specifiek benadrukken? Een herder is toch goed? Die zorgt toch voor zijn schapen? Er is een woordverband Tussen herder, roí רֹעִי en slecht, kwaad: rá רָע. Hij wist alles over de woordverbanden in het Hebreeuws toen Hij op aarde kwam. Het is heel waarschijnlijk dat Hij daarom zei dat Hij de goede Herder is, wetende van het woordverband tussen herder en slecht en Zijn toehoorders zullen dit ook hebben geweten. In Ezechiël 34 is God erg boos op de slechte herders En Hij belooft de goede Herder te zullen sturen, één Herder, de afstammeling van David (Ezechiel 34:23) en hier is Hij dus in Johannes 10: de Afstammeling van David.
אֶחְסַר לֹא lo echsar: er wordt meestal vertaald met mij zal niets ontbreken, echter, mooier nog is het om te zeggen dat ik niet zal ontbreken. Niemand valt buiten de kudde, geen enkel schaapje ontbreekt door de bescherming van de Goede Herder. Chásar חָסַר betekent ook: te weinig of minder hebben, ontberen. Chásar heeft woordverband met Chásad חָסַד, trouw, liefde betrachten. David is Gods gunsteling, Zijn chásid חָסִיד Chásid betekent ook: vertrouweling, vroom, liefderijk, mild, getrouw. David zegt in Psalm 18:26 ‘Bij de goedertierene houdt Gij U goedertieren’ (Statenvertaling). ‘U bent trouw tegenover wie U trouw is’ (Het Boek). Ook heeft chásar woordverband met chásáh חָסָה, schuilen, toevlucht zoeken. Hoe kunnen we deze woordverbanden toepassen: De Goede Herder is getrouw, chásad חָסַד; aan David, Zijn gunsteling, chásid חָסִיד; door Zijn bescherming vindt David toevlucht, Chásáh חָסָה in Hem, Hij zal niet verdwalen, niet ontbreken aan de kudde,
Bovendien ontbreekt het hem aan niets.
Vers 2:
ּHij doet mij nederliggen in grazige weiden, Hij leidt mij aan stille wateren
Stukje techniek? 🙂 Waarom niet: Hij doet mij nederliggen is jarbitseni יַרְבִּיצֶנִי. De eerste Jod י is: Hij. De laatste twee letters, Nun נ en Jod י zijn: נִי: mij. De Jod י in het midden van het woord geeft de doevorm aan: Hij doet mij nederliggen. We houden nu nog drie andere letters over: de woordstam: rabats רָבַץ. Rábats רָבַץ betekent: zich neerleggen, legeren. Het zelfstandig naamwoord hiervan is rébets רֵבֶּץ leger, rustplaats.
Binoth deshe בִּנאוֹת דֶשֶׁא grazige wei(den). Nêoth of ook naveh נָוֶה betekent weidegrond, verblijfplaats of hut voor een herder of een nomade. Het werkwoord hiervan is náváh נָוָה weiden, rustig wonen maar ook (zo mooi!): verheerlijken, loven. Davids lovende Psalmen zijn deels in de weiden geschreven toen hij nog een herdersjongen was.
Weide, naoth נָאוֹת ontleed: Nun נ betekent vis en staat voor vrijheid; Aleph א betekent onder meer Eersteling: God Zelf; Waw ו betekent haak en staat voor: de mens. Taw ת betekent teken, kruisteken. Aleph en Taw samen vormt het woordje eth את: dat is wat God sprak: Ik ben de Aleph א en Ik ben de Tawת , de Eerste en de Laatste; Ik ben God en Ik heb mezelf aan het kruis overgegeven om de mens te bevrijden. Zodoende heeft mens de vrijheid om neer te liggen in groene weiden en Hem te loven.
Deshe דֶשֶׁא jong groen, gras, afgeleid van het werkwoord דָשָׁא dáshá, voortbrengen, laten ontspruiten. Dáshá דָשָׁא heeft woordverband met דָשֵׁן dáshén: vet, sappig.
יְנַֽהֲלֵֽנִי U leidt mij. De werkwoordstam is nahal נָהַל. De versterkte vorm van dit werkwoord wordt hier in deze Psalm gebruikt en betekent: Vee leiden, verzorgen, zorgzaam zijn. Van nahal נָהַל afgeleid is het woord נַהַלֹל nahalol: drinkplaats voor vee. God leidt David naar de goede bronnen, stille wateren om uit te drinken en om te bespiegelen.
Stille wateren: mai menuchoth מַי מְנֻחוֹת. Aan stille wateren, zegt de vertaling, maar eigenlijk staat er: boven stille wateren. David kan zichzelf spiegelen boven het wateroppervlak. Rust geeft bespiegeling.
Vers 3
Hij verkwikt mijn ziel, Hij leidt mij in rechte sporen om Zijns Naams wil
Verkwikken, herstellen is hier het woord jêshobhebh יְשׁוֹבֵב. Dit woord is een bijzondere uitzonderingsvorm, een pilelvorm waarbij de laatste twee letters dezelfde zijn. Hierdoor lijkt het alsof de woordstam vier letters heeft. Even technisch: Jêshobhebh יְשׁוֹבב: de Jod י vooraan betekent: Hij; de laatste Bheth ב geeft deze zeldzame pilelvorm aan en de woordstam is shubh שׁוּב en dit betekent omkeren. Dit is toch wel een heel andere betekenis dan verkwikken, herstellen. Dit is de schoonheid van het Hebreeuws, wat verrassend kan zijn in betekenis.
Van shubh komt weer het woord voor bekering: teshubhah תְשׁוּבָה; wie zich omkeert naar God, zich bekeert, die mag ervaren dat God hem of haar verkwikt en herstelt.
David heeft dit zelf ervaren (zie ook Psalm 32).
Naphshi נַפְשִׁי, mijn ziel; komt van nephesh נֶפֶשׁ, ziel, adem, levensadem, gevoel, gemoed, innerlijk, levend wezen, persoon. Waar komt dit woord vandaan? Wat is hier het werkwoord?
Het werkwoord is naphash נָפַשׁ en dit betekent op adem komen, uitrusten. Hoe diepzinnig, zeker in onze overhaaste tijd…
Een stap naar Markus 14:42 waar Jehoshua tegen Zijn discipelen zegt: ‘Slaap nu maar en rust, want het is genoeg, de ure is gekomen,’ Steeds vielen ze tijdens Zijn levensstrijd in Getsémané weer in slaap en Hij verwijt hen in eerste instantie dat ze zelfs niet eventjes wakker kunnen blijven terwijl Hij het zo moeilijk heeft, maar als Hij voor de laatste keer bij hen komt, is Zijn keuze gemaakt: Hij gaat de kruisweg en de rest is geschiedenis: ‘Slaap nu maar en rust…’ We kunnen de vergelijking trekken met Psalm 116:7: ‘Keer weder mijn ziel tot uw rust omdat de Here u heeft welgedaan.’ Hier staat het allemaal: onze ziel mag rusten omdat Hij ons heeft welgedaan, onze straf op zich heeft genomen. David wist dit nog niet, maar voelde het als het ware aankomen, dit is steeds opnieuw te merken aan het Messiaanse karakter van zijn Psalmen.
Er is in deze Psalm vers nóg een woord voor leiden: Nacháh נַחָה. We blijven hiermee nog even in de rust van de ziel; in nacháh is het woord nach verstopt: uitrusten, waarvan nuach, נוּחַ rust; Noach נֹחַ en chen חֶן genade, chen is het omgedraaide van Noach. Noach vond dan ook genade in Gods ogen in Genesis 6:8. En ook: toen de zondvloed voorbij was, kwam er weer rust op aarde. David ervaart deze genade en rust ook in deze Psalm. Nacháh נַחָה heeft verband met nácham נָחַם troosten, medelijden hebben. Concluderend: Leiden náhal נָהַל en leiden nácháh נָחָה hebben ook nog woordverband met elkaar: Gods manier van leiden is verzorgend en koesterend, brengt genade en rust. Hoe diepzinnig willen we het hebben?
In rechte sporen bhêma‘êgêlei-tsedeq בְמַעְגְּלֵי־צֶדֶק. Een spoor is het woord ma‘êgal. Er is geen werkwoord voor in de Bijbel maar wel het woord voor kalf, egel עֵגֶל, waarschijnlijk loopt een kalf, zoals zoveel dieren, altijd hetzelfde pad, dus in hetzelfde spoor. In Psalm 84:6 komen we dit onder meer tegen: ‘Welgelukzalig de mens wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn.’
In sporen van gerechtigheid, tsedeq צֶדֶק. het werkwoord is tsadaq צָדַק rechtvaardig zijn, in zijn recht staan. Om Zijns Naams wil, lema‘an shemo לְמַעַן שְׁמֽוֹ. Lema‘an לְמַעַן, om te, omwille van, opdat. Dit komt van het werkwoord anah עָנָה, antwoorden; God beantwoordt aan Zijn goede Naam door David in rechte sporen te leiden. Het spreekt van geestelijke volwassenheid dat David dit in de gaten heeft.
Vers 4:
Zelfs al ga ik door een dal van schaduw van dood, ik vrees geen kwaad want Gij zijt bij mij; Uw stok en Uw staf die vertroosten mij
Vanaf dit vers spreekt David niet meer over God, maar met God.
Tsalmaveth צַלְמָוֶת bestaat uit twee woorden: schaduw is tsel צֶל , van het werkwoord tsalal צָלַל: donker worden. Maveth מָוֶת betekent dood, van het werkwoord muth מוּת doodgaan. Als we tsel צֶל omdraaien krijgen we léts לֵץ. Léts betekent spotter; schaduw kan de ogen bespotten, bedriegen ook, alsof men dingen ziet die er niet zijn, beangstigend is dat soms. David heeft de dood vaker in de ogen gekeken dat wij weten (Psalm 18:5). Eerst als herdersjongen, die de schapen beschermde tegen de wilde dieren; dan moest hij ook nog vrezen voor zijn leven bij koning Saul, maar ook als legeraanvoerder en koning zal hij ongetwijfeld vaker dan eens op het nippertje ontsnapt zijn aan de dood.
Ik vrees geen kwaad, lo ira’ ra לֹא־אִירָא רָע: vrezen is het werkwoord jara יָרָא. De Aleph א, aan het eind, staat voor: ik. Derek Prince zei hier iets moois over: ‘We horen de Here te vrezen, vrees je iets anders in je leven, bijvoorbeeld ziekte, dan wordt dát jouw God.’
In het woord jara יָרָא zit het woord or אֹר, licht. Or wordt ook wel met een Waw erin geschreven: אוֹר: jara יָרָא is vrezen en met de letters wat gehusseld kunnen we maken: ja’ér יָאֵר Hij verlicht. Wanneer wij God vrezen dan verlicht Hij ons pad. Wat is het vrezen van God? Hem vrezen, zei mijn oude voorganger ooit, Is heilig ontzag voor Hem hebben, dat is heel wat anders dan bang zijn.
David is niet bang: want Gij zijt bij mij!
Uw stok en Uw staf shibhtekha umishantekha שִׁבְטְךָ וּמִשְׁעַנְתֶּךָ. Stok, scepter, heersersstaf is shébhet שֵׁבֶט. Dit woord betekent ook stam, van de twaalf stammen. Staf is mish‘enah מִשְׁעֵנָה
van het werkwoord shá‘an שָׁעַן: steunen, leunen. De herder gebruikt de stok om wilde dieren weg te steken. Een ervaren herder kan de stok naast een schaap dat afdwaalt gooien om het weer op het rechte pad te brengen; de stok fungeert als een verlengde arm.
De herder leunt op zijn staf, niet het schaap! Hoe geeft de staf dan troost aan het schaap?
Een schaap dat verdwaald is, is niet blij, weet dat het in gevaar is. Een staf heeft een gebogen kop, daarmee kan de herder het schaap voorzichtig terugtrekken in de kudde, zonder het dier bang te maken omdat hij te dichtbij zou komen, de staf fungeert net als de stok als een verlengde arm. Terug in de veiligheid zijn, werkt vertroostend voor het schaap. Als de staf een gedraaide kop heeft dan kan de herder deze in de grond steken en een lamp eraan hangen. Licht werkt vertroostend. Een prachtige tekst hierbij uit Jesaja 41:10: ‘Vrees niet want Ik ben met u; zie niet angstig rond want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met Mijn heilrijke Rechterhand.’
Troost is nechamah נֶחַָמָהen ook nichumim נִחֻמִים. Jesaja 57:18 slaat de spijker op de kop: ‘Zijn (Israels) wegen heb Ik gezien, doch Ik zal het genezen en het weer vertroosting נִחֻמִים schenken, namelijk aan de treurenden ervan.’ Er is licht aan het einde van de tunnel.
Vers 5:
Gij schikt voor mijn aangezicht een tafel tegen mijn benauwers, Gij heeft mijn hoofd gezalfd met olie, mijn beker vloeit over.
Gij schikt voor mijn aangezicht een tafel. Het woord voor ordenen, schikken, klaarleggen is árakh עָרַך en dit woord betekent ook: Zich opstellen (voor oorlog), zoals in Genesis 14:8, en ook: Gelijkstellen, evenaren, vergelijken, een rechtszaak voorleggen, uiteenzetten
Job 13:18: ‘Zie toch, ik zet de rechtszaak uiteen, ik weet dat ik in mijn recht ben.’ Dus… zou die tafel geschikt zijn… niet om van te eten, maar om een rechtsgeding te voeren? Zoals in Klaagliederen 3:58: ‘Gij voert, o Here, mijn rechtsgeding, Gij verlost mijn leven.’
In Leviticus werd het hout geschikt op het altaar en daarop werd weer het offer geschikt
Hier wordt ook het woord árakh עָרַך gebruikt… In Genesis 22:9 schikt Abraham het hout op het altaar, om Izaäk op te offeren.
Voor mijn aangezicht is lêphanai לְפָנַי. Panim פָּנִים is aangezicht met de meervoudsuitgang im
Waarom is dat: Het werkwoord is panah פָּנָה trekking, beweging: Het aangezicht is een verzameling bewegingen en trekkingen, waardoor er allerlei gezichtsuitdrukkingen ontstaan.
Tegen mijn benauwers צֹרְרָי נֶגֶד neged tsorêrái. Neged is tegen. Tsar צַר is benauwd, denk maar aan mitsrajim מִצְרַיִם Egypte, waar het Godsvolk werd benauwd, onderdrukt in slavernij
Het werkwoord is tsárar צָרַר benauwen, in het nauw brengen, insnoeren. Dan blijft de vraag staan: Zou God een tafel vol voedsel klaarzetten voor David zodat hij tegen zijn benauwers gaat eten? Of zou God een rechtstafel tegen Davids benauwers klaarzetten, Davids rechtsgeding voeren tegen zijn benauwers? Wie gaat er nu eten in het zicht van de vijand?
Denk ook aan Psalm 35:13a waar David zegt: ‘ Mij aangaande daarentegen, als zij ziek waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten.’ David zegt dit hier over zijn bestrijders en het zit helemaal niet in David – en ook niet in het Joodse volk – om breeduit te gaan eten en sneren naar de vijand.
בַשֶּׁמֶן רֹאשִׁי דִּשַּׁנְתָּ Dashanta bêshemen roshi, Gij hebt mijn hoofd met olie gezalfd. Dashan דָשַׁן is zalven, het staat hier in dit vers in de voltooide tijd: Gij hebt gezalfd! Waarom gebruikt David het woord dashan en niet het woord mashach מָשַׁח voor zalven? Omdat dashan alles te maken heeft met vette, sappige weiden; het is een woord dat speciaal voor een schaap wordt gebruikt, we hadden al gezien dat dashen vet, sappig betekent. Er zijn twee soorten van zalving: God heeft David laten zalven, mashach, tot koning, maar David wordt door Hem persoonlijk, verzorgend gezalfd: dashan! Het laatste heeft te maken met het weghouden van vliegen en ander ongedierte dat op het hoofd van een schaap kan gaan zitten. We kunnen deze vergelijken met vervelende gedachten en leugens die ons kunnen plagen. Denk ook aan de geestelijke wapenrusting uit Efeze 6.
Mijn beker vloeit over, kosi revajahרְוָיָֽה כּוֹסִי. Ik denk niet dat we moeten denken aan een glas wijn of dergelijke, maar aan een symbolische beker. Jehoshua zegt: ‘Indien het mogelijk is, laat dan deze beker aan Mij voorbijgaan’ Mattheus 26:39a. Ezechiël spreekt over een beker der verwoesting in 23:33. Doorgaans is de beker in de Bijbel negatief bedoeld, maar David bedoelt het positief in Psalm 16:5 en ook in deze Psalm: een beker vol van Gods goedheid en trouw!
Vers 6:
Beslist volgen goedheid en genade mij al de dagen van mijn leven; ik heb in het Huis van de Aanwezige gezeten aan lengte van dagen
Akh אַך is beslist, echt. Tobh wechesed וְחֶסֶד טוֹב Goedheid en genade. Wie kent er niet het woord tobh, tof טוֹב goed? Chesed חֶסֶד is goedheid, liefde, trouw. Het werkwoord is chasad חָסַד liefde, trouw betrachten.
Volgen is radaph רָדַף en dit heeft woordverband met raphad רָפַד, dit betekent onder meer verkwikken. Gods goedheid en trouw verkwikken David.
Al de dagen van mijn leven. Mijn leven is Chajaj חַיָּי. Woordverband is er met jachad: יָחַד samen; David heeft zijn leven samen met God geleefd
Wonen, zitten is jáshábh יָשָׁב. Tot in lengte van dagen zal David in het Huis des Heeren zitten.
Het is blijkbaar Davids gewoonte om veel in de tabernakel te zijn, zie ook Psalm 15:1a: ‘Here, wie mag verkeren in Uw tent?’ Eigenlijk staat in Psalm 23: shabhti שַׁבְתִי met de Jod als uitgang welke wijst op ik in de voltooide tijd: ‘Ik heb gezeten, gewoond in het Huis des Heeren!’ Echter, het staat doorgaans vertaald in de toekomende tijd. We kunnen uit de grondtekst in de voltooide tijd concluderen dat het voor David de gewoonte is om dicht bij God te leven en om dat altijd te doen: in het verleden, het heden en de toekomst. Het stamwerkwoord van shebh שֶׁב kan zijn jashabh יָשָׁב wonen, zitten, maar kan ook zijn: sibh שִׂיב en dat betekent grijs en oud worden. David is dan ook grijs en oud geworden :-).
In het huis des HEEREN בְּבֵית–יהוה. Toen nog niet Zijn Tempel want die was er nog niet, aan lengte van dagen, lê’orekh jamiem לְאֹרֶך יָמִים. Arokh אָרֹך betekent lang, langdurig.
Goedheid en trouw volgen David want hij is dicht bij zijn God en deelt mee in Zijn overlopende goedheid, tot in zijn oude dag.
David heeft heel wat meegemaakt in zijn lange leven en ook dingen gedaan die niet door de beugel konden. Toch is hij de man naar Gods hart. Hij heeft zich bekeerd van zijn ongerechtigheden en weet zich vergeven; Psalm 23 is een van de mooie bewijzen hiervan…
(zie ook dit artikel)