24-10-2023

Woordstudie Shemesh שֶׁמֶשׁ, zon

Shemesh is afgeleid van Shamash שָׁמַשׁ, dienen en dit werkwoord komen we alleen tegen in Daniel 7:10 bij het droomgezicht van de vier wezens: ׳…Duizend maal duizenden dienden hem….’

Een shamash, wat op dezelfde manier geschreven wordt, is vandaag de dag een bediende, een koster in de synagoge en ook noemen we het kleine houdertje aan een chanukia, waarmee we de kaarsen van de kandelaar aansteken, de shamash, de diener.

Veelvuldig treffen we in de Bijbel het woord shemesh, zon aan, wat van het werkwoord shamash, dienen, is afgeleid. Ook de zon, welke de aarde verlicht, is een bediende zodat gewassen kunnen groeien en bloeien. En zodat wij mensen ons werk in het licht kunnen doen.

In Genesis 15:12 wordt het woord shemesh voor de eerste maal gebruikt. In Genesis 1, bij de schepping van de zon, de maan en de sterren, gebruikt de schrijver niet het woord shemesh, maar in plaats daarvan: me’orot, de lichten. Het grote licht is de zon en het kleine licht is de maan.

Shemesh שֶׁמֶשׁ heeft woordverband met het woord voor hemel: shamajim שָׁמַיִם, de zon ‘hangt’ als het ware in de hemel.

Ook is er woordverband met shem שֵׁם naam. De zon is geen godheid, maar de Naam, JHWH, de Schepper van het licht op aarde, heeft de zon opgeroepen.

Woordverband met shamar שָׁמַר bewaren, behoeden. De zon behoedt overdag de aarde voor de duisternis.

Woordverband is er ook met vet worden, shamen שָׁמֶן. De tarwe wordt alleen vet, rijp, wanneer de zon eroverheen gaat.

Woordverband met shamam שָׁמַם woest en verlaten raken. Wanneer de zon niet zou schijnen zou het land verlaten raken, in woestenij overgaan, zoals in Ezechiël 35:12.