De mondigheidsbeweging geblokkeerd door nieuwe priesters: de moderne wetenschappers
Na de mondigheidsbeweging in de 16e eeuw waarbij de kerkelijke hiërarchie doorbroken werd en de Bijbel in handen kwam van ‘Jan en Alleman’, ontstond er een merkwaardige terugval door de opkomst van de moderne wetenschap die de schepping degradeerde tot een ‘veld van beheersbare dingen’. Toen deze afstandelijke wetenschappelijke benadering ook werd toegepast op de Bijbel, betekende dit voor de pas mondig geworden moderne mens een nieuwe bevoogding, een soort retour tot de Middeleeuwse onmondigheid, waarbij de kerkelijke hiërarchie/dictatuur vervangen werd door een wetenschappelijke in tweeërlei opzicht: door de hiërarchie van de historisch kritische Bijbelwetenschappers en door de hiërarchie van de literaire specialisten.
Afhankelijk van de wetenschappelijke ‘priesters’
De historisch-kritische Bijbelwetenschappers zijn steeds op zoek naar de ‘tekst achter de tekst:’ naar oerwoorden of oerfeiten die onder een laag van legendes en mythes zouden zijn afgedekt. Wie als ‘gewone leek’ nu nog verantwoord de Bijbel wil lezen, moet eerst een grote hoeveelheid kennis verzamelen over de Bijbelse Umwelt, de archeologie en vooral ook over de historische gelaagdheid van de Bijbel. Want het ‘Unieke Kunstwerk van de Geest’ is vakkundig uiteengeplozen in een oneindig aantal elkaar vaak tegensprekende brokstukken, afkomstig uit diverse tijden. Het ‘simpele gemeentelid’ kan daar gewoon geen wijs meer uit worden en moet noodgedwongen wel weer als een onmondig kind gaan lopen aan de hand van de nieuwe clerus, de wetenschappelijke onderzoeker.
Afhankelijk van de literaire ‘priesters’
De literaire specialisten proberen op basis van de voorhanden Bijbeltekst (ze zijn niet meer zo geïnteresseerd in een historische oertekst) via een specialistisch literair structuuronderzoek de ‘ware’ boodschap ‘los te pellen’ uit een bepaald Bijbelgedeelte of Bijbelboek. De grote winst van deze benadering vergeleken met de historisch kritische is, dat de Bijbel weer ontdekt is als een literair kunstwerk. Maar daar staat tegenover het ontstellende verlies dat ook hier de moderne, door de Reformatie mondig geworden, mens weer teruggezet wordt in een Middeleeuwse afhankelijkheid, weer onder het juk gebracht van hiërarchische tussenpersonen, van een kleine elite van deskundige vaklieden, van competente literaire onderzoekers. Immers het gemiddelde gemeentelid bezit nu eenmaal niet de vakkennis en vaardigheid om zelfstandig via een bepaalde tekstanalyse een boodschap uit de Bijbel “te pellen” en blijft dus onmondig voortgaan, aan de hand van een literaire clerus.
Hautain en éénlijnig
Kenmerkend voor deze literaire elite is vaak een ietwat hautaine houding tegenover de vrome eenvoudigen, die hardnekkig blijven geloven dat de Bijbel duidelijk is voor iedereen, dat de Schrift ‘vanzelf’ spreekt, zichzelf uitlegt, dat iedere simpele ziel door Woord met Woord te vergelijken direct en overduidelijk kan worden aangesproken door de ‘Schriftgeworden Stem van Israëls God. Hoe ‘naïef’ toch! Immers, Bijbelexegese is allang weer uitsluitend het privilege van de geschoolde clerus, van de moderne tekstanalisten, die op oud Latijns-Romeinse manier maar één, éénlijnige, éénduidige uitleg kunnen toestaan, de hunne.
Geschiedenis vergeestelijkt
Typerend voor deze literaire vaklieden is veelal ook dat men de Bijbelse geschiedenis niet beschouwt als geschied, maar enkel als beeldspraak of allegorie. Dit betekent in feite een terugval op de allegoriserende exegese (verhaaluitleg) die al stamt uit vóór-Middeleeuwse tijden. Al omstreeks het begin van onze jaartelling trachtte Philo van Alexandrië via een ‘geestelijke’ uitleg die ‘barbaarse’ Hebreeuwse Bijbel aannemelijk te maken voor zijn moderne Grieks-Hellenistische tijdgenoten.
Maar waar de Bijbelse geschiedenissen opgaan in gelijkenissen, vergeestelijkt of gepsychologiseerd worden, vervluchtigen ook de aardse profetische beloften (Micha 4:1-4; Jes.2:1-4 e.a.). Waar het verleden verdampt, verdampt ook de toekomst. Want wat niet geschied is, zal niet geschieden: als Uittocht en Intocht metaforen zijn, is ook het komende Messiaanse Rijk vanuit Tsion voor alle volken niet meer dan een zoethouder. Het hele volk van Israël wordt vergeestelijkt: het is geen natie, maar een notie en het land van Israël is een ‘geestelijk nergensland’, dat niet op onze kaarten mag, maar van de kaart moet. De afschuwelijke gevolgen van deze vergeestelijking zijn intussen geen metaforen.
Dat ook de aanhangers van een gemoderniseerde Bijbelse ‘geheimleer’ of ‘gnosis’ een bedreiging vormen voor de mondigheidsbeweging is duidelijk. Immers slechts een kleine elite, een zeer beperkte groep van ingewijden heeft toegang tot deze geheimleer: als ‘Hebreeuwse goeroes’ staan ze aan de Bijbelpoort om het gewone volk binnen te leiden in de geheime tempel van de Goddelijke Taal.
Geen enkele kennisdrempel!
Maar het is een geweldig feit, nooit hoog genoeg te waarderen, dat er geen enkele barrière ligt voor een vrije toegang voor iedereen tot het ‘Boek der Boeken’: geen historische, literaire of mystieke kennis-drempel belet ons het Bijbellezen. De enige echte drempel is de taal. Maar die is bepaald niet onoverkomelijk! De Bijbel is met recht het Boek voor ‘Jan en Alleman’, dat zich laat lezen in alle talen en vertalingen, ook in de allerslechtste, maar het best in het Hebreeuws, de taal voor Jan en Alleman. Mede daarom heeft Studiehuis Reshiet de Alephcursus ‘Hebreeuws in Zes Dagen’ ontwikkeld :-).