Een woordstudie over het Hebreeuwse woord Tsúm, deel 1
Vasten betekent ’het zich onthouden van voedsel (of drinken) voor een bepaalde periode’ (Esther 4:16). In onze tijd van makkelijk beschikbare, energierijke voeding wordt vasten eerder gezien als een gezonde optie om ‘gifstoffen’ uit het lichaam verwijderen, als een reiniging voor het lichaam of om het nodige gewicht te verliezen. In Bijbelse tijden was voeding echter voor de meesten alleen beschikbaar na verschillende stadia van bewerking op basis van fysieke arbeid (denk hierbij aan het maken van een ‘simpel’ brood: zaaien, handmatig oogsten, dorsen, meel kneden en hout halen om te bakken). Dit betekent dat vasten inbreuk deed op de (energie)reserves van een persoon die elke dag veel fysiek werk moest leveren zodat men zelfs verzwakt kon raken. David beschrijft dit zeer beeldend in de Psalmen: “Mijn knieën zijn verzwakt door het vasten, en mijn vlees is ontoereikend in het vet” (Psalm 109:24). Vasten deed men dus alleen vanuit een geestelijk oogpunt, want in Bijbelse tijd nam men zelfs een risico door te vasten, bijvoorbeeld voorafgaand aan een oorlog (2 Kronieken 20:3, Esther 4:3).
Verootmoedigen van de ziel
Met vasten gaat het dus niet om een soort lichamelijke ‘uitputting’, maar het richten op een geestelijke toestand. Het Hebreeuwse werkwoord voor vasten, tsúm, komt opvallend genoeg niet voor in de eerste vijf boeken van de Bijbel. Wel wordt het werkwoord `ánáh gebruikt, dat onderwerpen, vernederen of verootmoedigen betekent 1). Interessant is dat dit werkwoord in de context van vasten altijd met het Hebreeuwse woord voor ziel, nephesh, samengaat. `ח náh nephesh is dus een bredere term waar het vasten ook onder valt. De uitdrukking ‘vernederen van de ziel’ maakt duidelijk dat vasten om een geestelijk aspect gaat. Zo beschrijft Koning David bijvoorbeeld: ‘Ik verneder mijn ziel… met (of door te) vasten (tsúm)’ (Psalm 35:13). ‘Vasten met de ziel’ houdt ook meer in dan alleen het onthouden van eten of drinken en slaat dus ook op andere zaken die de ziel ‘verhogen’. Lichamelijke zaken stimuleren de ziel (bijvoorbeeld door mooie kleding of lekker eten voelt men zich beter), maar het zorgt ook dat alle aandacht naar het lichamelijke gaat. Door de ziel te onderdrukken, af te zien van lichamelijke afleiding, wordt ruimte gemaakt voor het geestelijke.
Om de ziel te ‘verlagen’ en zich te verootmoedigen trok men daarom sombere kleding of een rouwgewaad 2) aan (1 Koningen 21:27, Nehemia 9:1, Psalm 35:13, Daniël 9:3) en ontdeed men zich van (luxe) materiële zaken 3) en plezierigheden waaronder gemeenschap met elkaar (1 Korinthiërs 7:5). Men ging bijvoorbeeld op de grond liggen in plaats van een stoel of een bed te gebruiken (2 Samuël 12:16). Belangrijk is dus dat de mens zowel een geestelijk als fysiek wezen is en hier moet altijd een goede balans in zijn. Toch zijn we geneigd ons mee te laten nemen in de sleur van alle dag en onze hang naar materialistische en comfortabele zaken. We zien in onze moderne wereld dat het aardse steeds meer terrein wint en dat veel mensen geen ruimte bieden voor de G(g)eest. Vasten leert de mens aandacht te schenken aan dat geestelijke aspect (Galaten 5:16-17). Juist tijdens het vasten citeert Jêhoshuá dit principe uit het boek Deuteronomium (Lukas 4:4). In de gemeente werd dit in praktijk gebracht waardoor de Heilige Geest ruimte kreeg om de discipelen te leiden (Handelingen 13:1-4).
1-De term wordt voor het eerst gebruikt op een specifieke gelegenheid, namelijk op de Grote Verzoendag (Leviticus 16:2; 23:32). Tijdens deze dag verootmoedigde men zich tegenover God gedurende een dag onder andere met vasten. Dit vasten was zo belangrijk dat het bekend kwam te staan als “DE vastendag” (Jeremia 36:6) of zelfs “Het Vasten” (Handelingen 27:9).
2-In de meeste vertalingen wordt dit vertaald met een rouwgewaad. Het is een vertaling van het Hebreeuwse woord saq. In het Nederlands komt de uitdrukking ‘in zak (en as)’ opvallend overeen met het woord ‘saq’. Het woord wordt ook gebruikt voor jute zakken (bijvoorbeeld Jozua 9:4). De eerste keer dat dit woord gebruikt wordt is in Genesis 37:34 waar Jakob rouwt om Jozefs dood en een rouwgewaad (saq) aantrekt. Een diepzinnigheid die in het Nederlands niet direct duidelijk wordt is dat hetzelfde woord wordt gebruikt voor de zak waarin het voedsel op de ezels van Jakobs zonen werd vervoerd. De rouw van Jakob om Jozefs dood werd ‘als het ware’ meegenomen naar Egypte, waar God Jakobs rouwkleed zou veranderen in vreugde (Psalm 30:11) omdat Jozef nog leefde.
3-Dit is een vertaling van de term ‘hálach ‘at’ dit doorgaans wordt vertaald als langzaam lopen of met lome tred (1 Koningen 21:27), maar het werkwoord hálach betekent ook levenswandel. Het betekent dat men ook figuurlijk ‘langzaam’ leefde door zich van allerlei luxe of comfortabele zaken te ontdoen.
Periode van vasten
Voor de duur van het vasten in de Bijbel stond geen vaste periode. Het varieerde van een dag (Richteren 20:26, 2 Samuël 1:12) tot een aantal dagen (Esther 4:16, 1 Kronieken 10:12). Het vasten was soms een collectief initiatief, waarbij een vasten werd ‘uitgeroepen’, (1 Koningen 21:9, 21; Ezra 8:21; Jona 3:5) of een individuele actie (Numeri 30:1). Het vasten, als onderdeel van een rouwperiode, ging gepaard met allerlei uitingen van verdriet (Richteren 20:26, 2 Samuël 12:21, Nehemia 1:4, Psalm 69:10, Zacharia 7:5). Een sombere geestelijke toestand tijdens rouw heeft logischerwijs invloed op het eetgedrag 4). Een goed voorbeeld hiervan is Hannah die zo verdrietig was dat ze niet meer at (1 Samuël 1:7). Maar het vasten heeft andersom ook zijn uitwerking op de geest. Door het lichaam minder aandacht te geven dan men gewend is kan men zich meer richten op God. Vandaar dat vasten een teken was van rouw of verlies (Richteren 20:26, 1 Samuël 31:13, 2 Samuël 1:12).
Rouw maar ook Berouw
Vasten vond niet alleen plaats als teken van rouw, maar ook berouw (1 Samuël 7:6). Het vasten was hierbij een uiting van een persoonlijke inkeer. Bijbels gezien draait het niet zomaar om een spijtbetuiging naar anderen, maar om een nederige houding richting God. Het Hebreeuwse woord voor benauwde situatie, Tsúr, heeft woordverband met Tsúm, vasten. Het is tijdens een benarde situatie wanneer de mens moet vasten (Esther 8:11, 21). Vasten is dus altijd een reactie op een (dreigende) gebeurtenis zoals ziekte (2 Samuël 1:12), een dreigende oorlog (2 Kronieken 20:3), in een moeilijke tijd (1 Samuël 1:7) of een oordeel (Jona 3:5). Vasten is ook het antwoord van de mens op Gods oordeel (Ezra 8:21). Met het vasten kan de mens proberen de situatie te veranderen (Nehemia 1:4, Esther 4:16). Een goed voorbeeld hiervan zijn de inwoners van Ninevé die door vasten Gods oordeel afwendden (Jona 3:5). Ook bij Achab werd Gods oordeel (deels) afgewend (1 Koningen 21:27). Toch zijn er in de Bijbel ook voorbeelden dat vasten een situatie niet kan veranderen. Zo beschrijft de Profeet Jeremia: ’Ook al vasten ze, Ik (God) zal niet naar hun smeekbeden luisteren’ (Jeremia 14:12). Ook Koning David kon het oordeel van God niet stoppen (2 Samuël 12:23). Toen dit duidelijk werd voor David beëindigde hij ook direct zijn vasten. Vasten is dus geen garantie op ons gelijk. God blijft een Heilig en soeverein God!
Wordt vervolgd met:
Vasten en het Laatste oordeel
Vasten vanuit lichamelijk oogpunt
Oprecht vasten
Een Bijbels principe: Vasten, opstaan en lofprijzing
Dr. R.S. van der Giessen