Een zeer interessante geschiedenis. Het gaat om twee ongehoorzame mensen: één uit de Tien Stammen, een Efraïmiet, koning Jerobeam, en één uit de stam van Juda, een profeet. De eerste verandert eigenwillig de door God Zelf ingestelde getijden – er staat (1.Kon 12:33) ‘uit eigener beweging’ verplaatste hij het Sukothfeest van de zevende maand naar de achtste! Waarom? Om zo zijn volk duidelijk afgescheiden te houden van de Joden/Judeërs: anders zouden ze massaal met Sukkoth naar Jeruzalem trekken en zich weer voegen onder het Davidische (Messiaanse) koningschap.
Ook maakt hij een eigenwillige eredienst rond een zichtbare ‘god’, een gouden stierkalf, een vruchtbaarheidssymbool dat zou moeten verwijzen naar Adonai. Net als indertijd Aäron deed: de mensen willen immers graag wat zien. Horen (Deut. 6 vers 4: Hoor, Israël) is voor de meeste Israëlieten te moeilijk, ze moeten iets voor de ogen hebben.
Wat ging er mis met de tweede profeet? Hij hoorde wel naar de Stem, maar hij liet zich afleiden, verleiden door een valse stem. Hij meende in alle oprechtheid te horen naar Gods Stem, maar het was een tegenstem. En daarom wordt hij meteen zwaar gestraft: hij sterft buiten zijn land, in ballingschap. Het is een adembenemend verhaal van de leeuw en de ezel.
Deze twee historische figuren zijn tegelijk symboolfiguren. Jerobeam verwijst naar het eigenwillige Christendom, dat onder keizer Constantijn zich uitdrukkelijk afgescheiden heeft van het Jodendom: om te voorkomen dat de Christenen (velen waren vanouds Jodengenoten) nog naar de synagoge zouden blijven gaan en weer geboeid zouden raken door deze ‘vijandige godsdienst.’ Daarom veranderde Constantijn, net als Jerobeam, de door God ingestelde getijden en verplaatste hij de shabbat (het kerngetijde!) van de zevende dag naar de achtste!
Verder werd er in het katholieke Christendom een nieuw soort eredienst ingevoerd, waarbij de Woorddienst (Hóór Israël!) vervangen/verdrongen werd door een beeldendienst, door de zichtbare Misofferdienst op het heilige Altaar, waar het heilige brood en de heilige wijn als Goddelijk werden vereerd.
De profeet uit Juda staat behalve voor het Jodendom ook symbool voor het Reformatorische Christendom, dat weliswaar het Woord weer centraal stelt, maar dat zich toch laat verleiden door tegenstemmen – door Griekse filosofie, waardoor de leer, de geloofsvisie, het dogma in feite belangrijker werd dan het Woord – en dat zich ook niet heeft willen terug-enten op Israël, de edele olijf. Maar dit geldt tevens voor het Jodendom dat in zijn rabbijnse vormgeving min of meer afwijkt van de Torah. De kern van de Vijf Boeken van Mozes is het evangelie van pure genade! Immers het hart van de Vijf is het middelste boek Leviticus, met in het midden (Lev. 16:20,21) het voorschrift over het offerlam dat de zonden van Israël wegdraagt. Het Jodendom heeft zich laten verleiden door de tegenstem vanuit Rome/Ezau (= de ‘doener’): ieder mens moet ook zelf iets of veel bijdragen aan de verzoening met God (‘verdienstelijkheid van de goede werken’)…
Nog twee aanvullingen:
1. Hoe is het mogelijk dat de profeet uit Juda, die zo duidelijk een rechtstreeks Woord van Adonai had ontvangen, zich laat verleiden door een andere profeet, die zegt dat hij een indirecte boodschap had ontvangen, door middel van de één of andere engel (13:18). Hij had toch moeten denken: ik heb een rechtstreeks Woord des HEREN, dat weegt toch zwaarder en dat alleen is belangrijk?! Maar met nadruk staat er dat de tegenstem kwam uit de mond van een oude profeet. De Godsman uit Juda heeft zich wellicht vooral laten verleiden door het gegeven dat deze profeet ouder was dan hij: eert uw ouders, is een goddelijk gebod! In het huidige Jodendom heeft nog altijd de ouderdom een groot gezag. De tradities, de inzichten van de ‘vaders’ worden vaak hoger geacht dan het directe Woord Gods: de mondelinge overlevering overheerst vaak de geschreven Torah. Datzelfde speelt in het Christendom, niet alleen in het Rooms Katholicisme, waar de Bijbel in principe ondergeschikt is aan de kerkelijke leer, maar ook in het Protestantisme: de Bijbel wordt vaak uitgelegd vanuit de belijdenisgeschriften der vaderen, vanuit de ‘oude’ kerkelijke dogmatiek.
2. Wat die leeuw betreft, die het dode lichaam bleef bewaken en ook de ezel ongemoeid liet (13:24), dit was geen gewone leeuw, net zo min als het offerlam op de berg Moriah, die Izaäk, Israëls stamvader bevrijdde, een gewoon lam was: beide zijn Messiaanse voorverschijningen! Immers, Hij is het Lam en Hij is de Leeuw uit de stam van Juda! En nog steeds, zo zag de profeet Johannes, staat Hij voor de troon van God in beide gestalten: als het Lam, dat de zonden van Zijn volk draagt, wegdraagt en als de Leeuw, die Zijn volk beschermt.
… en daarom ging het volk van Juda net als de profeet uit Juda in ballingschap, in de Romeinse ballingschap.
Bewerkt uit de nalatenschap van ds. R. Strijker