Leesadvies: in gedeelten lezen, de teksten zijn theologisch redelijk ‘zwaar’ maar prachtig :-)
Shalom Jonathan,
Wat betreft je stelling over het evangeliseren onder de Joden hebben mijn vrouw en ik op jouw advies Johannes 8 nog eens weer extra goed gelezen en bestudeerd. Het is één van de meest boeiende, maar ook meest schokkende hoofdstukken uit de Bijbel.
Het viel ons op dat Jehoshua hier vanaf vers 31 in gesprek is niet met dé Joden (‘dé Joden’ is een term die in het Johannesevangelie altijd doelt op niet in Jehoshua gelovige Joodse leiders), maar met Joden die in Hem als Messias geloven. Jehoshua is hier dus in gesprek met Messiasbelijdende Joden. Hieronder bevonden zich mogelijk ook wel een aantal van de Joodse geestelijke leiders, zoals er later immers velen van de Joodse Farizeeërs gelovig geworden zijn (Hand. 15:5). Het is heel schokkend te lezen wat er dan gebeurt. Jehoshua maakt hen duidelijk dat geloven in Hem als Messias niet alles beslissend is. Waar het op aankomt is dat zij innerlijk bevrijd moeten worden: vrijgemaakt uit de macht van de zonde (vers 36). Want alleen wie door de Zoon (oftewel Israëls God, JHWH Zelf, zie ook het Varia-artikel “De Geest van Jehoshua”) is vrijgemaakt is waarlijk vrij. Hoe vrijgemaakt? Door de Inwoning van de Heilige Geest, Die de Geest is van Israëls God, De Geest Die vroeger slechts hier en daar mensen van binnen uit bevrijdde en vernieuwde (Mozes, David, Elia en de vele andere profeten), maar die nu door de Zoon het hele volk, ja heel de mensheid waarlijk vrij wil maken.
Het gaat hier dus net als in Johannes 3 bij de gelovige Nicodemus over de wedergeboorte, over de radicale innerlijke vernieuwing door de Heilige Geest. Wat blijkt nu? Op dit punt komt de innerlijke weerstand aan de dag bij de in Jehoshua gelovige Joden! Ze willen wel geloven dat Hij de Messias is, maar niet dat zij een radicale innerlijke vernieuwing nodig hebben: zij zijn Abrahams kinderen en geen slaven van een geestelijke macht. Die weerstand bestaat niet alleen bij de gelovige Joden, maar ook bij de gelovigen uit de heidenen. De doorsnee Christen of Christusgelovige vindt het al voldoende als hij/zij gelooft dat Jehoshua de Christus is, Die onze zonden op Zich genomen heeft; een verdergaande en doorgaande radicale innerlijke bevrijding en heiliging vindt men niet nodig. Men denkt dikwijls al te gemakkelijk: als ik eenmaal een geestelijke ervaring heb meegemaakt is het wel oké met mij. Maar wedergeboorte betekent, zoals iemand het omschreef: ‘een voortdurend en steeds toenemend sterven van de oude mens, elke dag opnieuw, want de heiden in ons sterft pas echt op de dag van onze dood’.
Jehoshua heeft deze vinnige weerstand van de Messiasbelijdende Joden doorzien en voor zijn hoorders ontmaskerd. Daar waren zij niet blij mee, dat paste niet in hun vertrouwde denkschema’s.
Realiseer je het volgende: de weerstand tegen het Evangelie is bij ons allemaal min of meer aanwezig, niet alleen bij de Messiaanse joden, maar ook bij Christenen. Die terughoudendheid uit zich ook in het niet willen accepteren en bestuderen van de Torah, deze rechtstreeks van God komende liefdevolle Richtlijnen voor het ordenen van de tijd en het aardse bezit. Is het niet zo dat Hij die wil schrijven in ons hart en verstand, zodat we van harte de vreugde van Psalm 119 kunnen meebeleven? Die sluimerende afkeer tegen de Mozaïsche Torah kan ons op het kritieke ogenblik zelfs tot moordenaars maken. Niet meer van Jehoshua de Opgestane, maar wel van Zijn volk, Zijn oogappel. Dat heeft helaas de kerkgeschiedenis bewezen, dat heeft Luther en het Evangelisch gestempelde Duitse volk bewezen.
Daarom, beste Jonathan, lees Johannes 8 nog eens, dit boeiende maar ook zeer schokkende hoofdstuk over wat er kan sluimeren in de harten van de Christusgelovigen. Waar de Geest werkt, kan ook de ‘tegenspeler’ werken, wees alert. Als straks heel de wereld zich tegen Israël keert omdat het Joodse volk hardnekkig blijft vasthouden aan Gods beloften voor het land van Kanaän, en hardnekkig weigert om zich te ‘bekeren’ en zich bij ons aan te sluiten, dan zou het kunnen gebeuren dat de Christelijke Kajafas (roomse priesters, protestantse dominees en evangelische voorgangers etc) de wereldlijke Pilatus (VN, EU, VS) aanmoedigt om Israël van de kaart te vegen: kruisigt hen, kruisigt hen! Wij mogen vermoeden dat ook destijds velen van de ‘velen die in Hem geloofden’ (Joh.8:31) vooraan in de rij voor Pilatus gestaan hebben, waarbij zij hun innerlijk verzet (door Jehoshua al voorzien, Joh 8:37) hebben uitgeschreeuwd: kruisigt Hem!
Je zegt: Je komt met de eeuwenoude twee-wegenleer die de duivel in de kerk heeft gelegd, alleen in een nieuw jasje.
Wij geloven dat er maar één Weg is: de Weg die Jehoshua is. Niemand komt tot de Vader dan door Hem: Noach niet, Abraham niet, Mozes niet, geen van de Profeten en ook geen van de huidige vrome Joden, die oprecht een relatie beleven met Israëls God en met vreugde op Zijn wegen gaan (Ps. 119). Helaas zijn zij blind voor het geheim van Jehoshua, maar een blind mens is geen onmens en een blinde gelovige is geen ongelovige. Dat geldt God zij dank ook voor de blinde Christenen waarvan er miljoenen geweest zijn en nog zijn. Oprechte Christenen die van harte en uit volle borst de Psalmen van Israël meezingen, maar stekeblind zijn (net als jij, Jonathan?) voor het geheim van Israël, van Gods eeuwige, ondoorgrondelijke trouw, waarbij Paulus in zijn brief aan de Romeinen (11:33) uitroept: O, diepte van rijkdom, hoe onnaspeurlijk zijn Uw wegen!
Je zegt: Ook stoppen met de leugen dat wij als Christenen collectieve schuld hebben. Waar jullie het over hebben zijn geen christenen maar naamchristenen, dat moet je uitleggen.
Dit kunnen wij het beste uitleggen door te verwijzen naar drie Bijbelhoofdstukken: Daniel 9, Ezra 9 en Nehemia 9. Daniël, en dat geldt ook voor Ezra en Nehemia, waren persoonlijk niet schuldig aan de zonden van hun volk, zij waren oprechte, gave, vrome Joden. Maar toch beleden zij openlijk hun schuld: wij hebben gezondigd! Je bent niet alleen een individu, maar ook een lid van een volksgemeenschap: je bent Nederlander en zelfs van origine lid van het Europese ‘Heilige Roomse Rijk.’ En als Nederlander deel ook jij in de schuld van Nederland en Europa. Een diepgaande schuld niet alleen tegenover Afrikanen, Aziaten en Indianen, maar ook en vooral tegenover het Joodse volk. Heel dichtbij nog de schuld tegenover de 100.000 Joden die wij bijna zonder verweer met behulp van onze Nederlandse politiekorpsen (waaronder veel Christenen) hebben laten afvoeren naar de gaskamers. Jonathan, je bent naïef en geen volwassen Christen als je dit wilt verdoezelen. Dit alles nog afgezien van de bijzondere schuld die rust op de Messiaanse, Europese Joden. Te zeggen dat het allemaal naamchristenen zijn (ook grote figuren als Luther dus) die zulke misdaden tegenover de Joden hebben gepleegd, is wel heel simpel gezegd…
Je zegt: Dat het joods geloof dood is, is duidelijk want ze kennen God (de vader van Jehoshua) niet, dus aanbidden ze, net als de moslims (en helaas ook vele naamchristenen) een afgod. (Joh.8:44-47).
Je vergist je hier weer: Jehoshua spreekt hier nog steeds tegen de Messiasbelijdende Joden en niet tegen ‘dé Joden.’ Pas vanaf vers 48 komen deze geestelijke leiders uitdrukkelijk weer aan het woord, waaronder wellicht ook een aantal Messiasgelovige Farizeërs (zoals al eerder is opgemerkt). Dus niet de Joodse godsdienst is ‘afgodisch’ in jouw taal gezegd, maar de Joods Christelijke. De Messiaanse Joden worden hier ontmaskerd als tegenstanders van Zijn zending in deze wereld, een zending die gericht is op de radicale innerlijke vrijmaking door de Heilige Geest. Het is opmerkelijk dat de apostel Paulus in zijn zendingswerk ook de meeste hinder heeft ondervonden van de Messiaanse Joden die vastgeroest zaten in hun denkschema’s en alle jonge Christenen uit de volken meteen de hele Torah wilden opdringen.
Bovendien, als de Joodse godsdienst met zijn unieke gebedenboek dat vol staat van Psalmteksten – waarin voortdurend de naam van Jehoshua (of een afleiding daarvan) ter sprake komt – ‘afgodisch’ was, dan zouden de apostelen niet direct na de Hemelvaart naar de Joodse tempel gegaan zijn om deel te nemen aan de dagelijkse, Levitische lofzangen rond het Lamoffer (Luk. 24:53) en zouden ook de Jeruzalemse Christenen niet dagelijks hetzelfde gedaan hebben (Hand. 2:46). En als de synagogediensten ‘afgodisch’ waren, dan zouden de apostelen aan het slot van het apostelconvent in Jeruzalem de jonge Christenen onder de heidenen niet hebben aangeraden om op Shabat de Torahlezingen bij te wonen in de – in alle steden aanwezige – Joodse synagogen om zodoende de Torah in hart en verstand te krijgen. Jij gaat er vanuit dat Jehoshua een volkomen nieuw verschijnsel is (in tegenspraak o.a. met Joh. 8:58 en met 1 Cor.10:4) en dat het geloof in Hem als Messias voorwaarde is voor eeuwig behoud.
Ons uitgangspunt is dat Jehoshua en JHWH één en Dezelfde zijn. Jehoshua is de zichtbare gestalte van de Altijd Aanwezige, Immanuël, God met ons. Jehoshua noemt Zich – vooral in het Johannes Evangelie (ook in Joh.8: 28, en later nog uitdrukkelijker in Joh.18:8) “IK BEN” (‘ehjeh) en dit is dezelfde Naam waarmee Israëls God zich bekend maakte aan Mozes (Ex.3:14). In het slot van Joh.8 (vers 58) zegt Hij met zoveel woorden: Eer Abraham was BEN IK!
Wij gaan er bovendien van uit dat Israël en ook wij niet behouden worden enkel en alleen door te geloven dat Jehoshua de Messias is, maar dat Israëls en ons eeuwig behoud voor alles afhangt van de eeuwige trouw van Israëls God. En verder hangt alles af van de vraag of wij en onze Joodse broeders de Geest van Israëls God (oftewel ook de Geest van Jehoshua) toelaten in ons hart. Anders gezegd: alles hangt af van de vraag of de vruchten van de Geest in ons gevonden worden; of wij een echte relatie hebben met Jehoshua. Want Jehoshua is nu uitsluitend weer in Geestelijke gestalte onder ons, nu niet alleen meer onder het Joodse volk, maar wereldwijd ook onder de heidenen: de HERE nu is Geest (2 Cor. 3:17).
Kortweg: beslissend is niet de geloofsvisie van ons, maar de geloofsvrucht van ons en van onze Joodse broeders en zusters: aan de vruchten wordt de boom herkend, de Christelijke en de Joodse. Onthutsend is wat Jehoshua daarover zegt in Matt. 7 vers 22,23: “Niet ieder die tot Mij zegt HERE, HERE zal ingaan in het Koninkrijk, maar alleen wie doet de wil van Mijn Vader.”
Met een hartelijke groet, ook namens mijn vrouw,
Olof