Over Luther en de Joden en over Luther en de Holocaust (Shoah)
Zeven onthutsende uitspraken
In 1543, drie jaar voor zijn dood, schreef Luther het boekje ‘Over de Joden en hun leugens’. Welke leugens? Volgens Luther verdraaien de Joden het Oude Testament en vervalsen zij het Evangelie van de rechtvaardiging door het geloof. Luther zag daarom de Joden als een groot, zelfs satanisch gevaar voor de voortgang van de Kerkhervorming. Een zo groot gevaar zelfs dat hij aan de overheid een zevental onthutsende maatregelen voorstelde. Dr. René Süss verwoordt deze in zijn dissertatie ‘Luthers theologisch testament’ als volgt:
1. Hun synagogen en scholen moeten in brand worden gestoken.
2. De huizen van de Joden moeten worden verwoest, ze moeten worden ondergebracht in stallen zoals men met zigeuners doet.
3. Men moet hen hun gebeden- en leerboeken afnemen.
4. Publieke godsdienstoefeningen en onderricht geven moet worden verboden op straffe van de dood.
5. Ze horen onder huisarrest te komen en mogen geen beroepen meer uitoefenen.
6. Men moet hen al hun contanten en juwelen afnemen en met dit geld moeten bekeerde Joden, ouderen en gebrekkigen worden gesubsidieerd.
7. Voor dwangarbeid mag het huisarrest worden opgeheven.
Dr. René Süss wijst erop dat Luther nooit de Torah heeft vertaald of uitgelegd en dat hij een soort tegenzin had tegen het Hebreeuwse taal- en denkeigen. Met betrekking tot de invloed van Luther’s visie op de latere holocaust, poneerde Dr. Süss de volgende stelling: ‘Luther leverde een wezenlijke bijdrage aan de eeuwenlange ‘catechese der verguizing’ die mede het klimaat bepaalde waarin de Sjoa (=Holocaust) mogelijk werd.
Waarom Luther anti-Joods (antisemitisch) werd
Luther was aanvankelijk de Joden gunstig gezind, hij zag hen als bondgenoten in zijn strijd tegen de Rooms Katholieke Kerk die eeuwenlang de Joden had verdrukt en nu hetzelfde deed met de protestantse gelovigen. Wat heeft zijn houding zo radicaal doen veranderen? Men wijst wel op het feit dat door de vrijheid die de Joden kregen in de bevrijde protestantse gebieden, en door hun kennis van de Hebreeuwse Bijbel veel Christenen interesse kregen voor het Joodse geloof. In plaats van als bondgenoten ging Luther hen als vijanden zien. Tegelijk drong de Islam sterk op, tot diep in Europa: Luther zag die twee bewegingen samenspannen om het Christelijk geloof te vernietigen.
Maar wellicht is wat dr. René Süss aanduidt van veel meer invloed geweest. Luther had geen enkel begrip voor de Torah, hij heeft die nooit willen vertalen en uitleggen. Luther had zelfs een bepaalde tegenzin tegen het Hebreeuws en de daarmee verweven denkwijze.
Het vervalste uitgangspunt: Wet tegenover Evangelie
Luther die de Joden van verdraaiing en vervalsing beschuldigde, bleef zelf, in het spoor van de Rooms Katholieke traditie de Hebreeuwse Bijbel en de Torah verdraaien en vervalsen. Nog steeds, net als alle theologen in de Christelijke eeuwen daarvoor, ging Luther uit van de vervalste tegenstelling tussen Wet (Oud Testament) en Evangelie (Nieuwe Testament). Net als de Rooms Katholieke Kerk was ook Luther geïnfecteerd door de Griekse geest. Jáwan, de voorvader van het Griekse volk, ‘mocht wonen in de tenten van Sem’ (Genesis 9: 27), maar de Griekse spirit (volksgeest) heeft zich van zijn Semitische verworteling losgemaakt. Griekenland heeft zich van Tsion afgekeerde en er een afkeer, een diepe tegenzin en haatgevoelens aan overgehouden (zie ook over ‘Jawan’: ‘Lessen uit het Joodse leven’, Les 2). Zo heeft ook het feit dat Luther zich afkeerde van de Hebreeuwse Bijbel – hij ging er vanuit dat de Wet/Torah vervuld, afgeschaft, niet meer ter zake was – bij hem geleid tot afkeer en tegenzin tegen de Hebreeuwse taal en Torah, en vanzelfsprekend tot tegenzin en gevoelens van haat en vijandigheid tegenover hen die de Torah blijven koesteren: tegen het Joodse volk, dé dragers van de Torah, dé liefhebbers van het ‘Hebreeuwse taal- en denkeigen’.
Voor Calvijn zijn Oud- en Nieuw Testament een volstrekte eenheid
Het is Johannes Calvijn geweest die als de eerste theoloog in de wereldgeschiedenis uitging van de volstrekte eenheid tussen Oud en Nieuw Testament. In zijn Institutie stelt Calvijn dat het in beide Bijbeldelen gaat om hetzelfde Verbond: ‘het verbond met alle vaderen (= met Abraham, Isaäk en Jacob) verschilt in het geheel niet van het verbond met ons, maar is geheel één en hetzelfde. Alleen de bediening verschilt’(Institutie Boek 2, hfst.10.par.2).
Deze visie van Calvijn is ooit heel scherp verwoord door de gezaghebbende Calvinist prof.dr. A.A.van Ruler: ‘het Nieuwe Testament is een verklarend aantekeningenboekje is bij het Oude Testament’. Zeker heeft ook Calvijn wel eens onvriendelijke dingen gezegd over de Joden en hun denkwijzen. Hij kon naar de gewoonte van zijn tijd daarin ook heel scherp zijn, maar hij heeft nooit de overheid aangespoord om zoals Luther deed verregaande vrijheidsbeperkende maatregelen te nemen tegen de Joden. Integendeel, in de Calvinistische gebieden, met name in de Nederlanden, waren de Joden welkom. Hier mochten ze wonen en hun synagogen bouwen. Amsterdam werd zelfs door hen Mokum (ha-Maqom= de Plaats) genoemd waar ze evenals in Jeruzalem in alle vrijheid de Naam van Israëls God mochten aanroepen, hun Joodse godsdienstoefeningen mochten houden en hun Joodse onderricht mochten geven.
De les van Luther
Er is een Joods gezegde: ‘de geschiedenis leert ons dat wij niets van de geschiedenis leren’. Veel Christenen denken nog steeds in het spoor van Luther dat de Wet, de Mozaïsche Torah is afgeschaft. Men beroept zich daarbij op Johannes 1: 17, waar staat: ‘de Wet is door Mozes gegeven en de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen!’. Maar met geen enkel woord wordt hier gezegd dat de Mozaïsche Torah is afgeschaft. Jêhoshua` zelf zegt even verderop in Johannes 8 vers 58: ‘eer Abraham was ben Ik’. Hij was dus ook al de Aanwezige in de tijd van Mozes. Heel het Oude Testament is vol van Hem, is vol van ‘genade en waarheid’ (Lukas 24:27,44). Het is heel bijzonder dat precies in het hart van de Torah, in het midden van het middelste boek (Leviticus 16:21) het diepste geheim van het Evangelie, de vergeving der zonden, gesymboliseerd wordt in het offerritueel op Jom Kipur. Hierbij neemt het offerlam de zonden van heel het volk op zich en draagt ze weg. In Johannes 1 vers 29, juist in dit zelfde eerste hoofdstuk, wordt verwezen naar dit hart van de Torah: ‘zie het Lam Gods dat de zonden der wereld wegdraagt’.
Dat de Torah zou zijn afgeschaft is ook volmaakt in strijd met wat Jêhóshua` zegt in de Bergrede in Mattheüs 5 vers17: ‘Denkt niet dat Ik gekomen ben om de Torah te ontbinden (af te schaffen). Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen’ = om de volheid en de diepte ervan aan het licht te brengen. De ‘genade en de waarheid’ omvatten meer dan vergeving van zonden. Jêhóshua` is ook gekomen om Zijn volk en met hen de volkerenwereld radicaal te vernieuwen door Zijn Geest, die de Geest is van Israëls God. Johannes de Doper zegt – het staat ook weer in dit zelfde hoofdstuk Johannes 1 vers 33: ‘Deze is het Die doopt met de Geest. En het is juist die Geest van de Heilige Israëls die de Torah wil schrijven in de harten van Zijn volk en van alle volken (Jeremia 31:33, Hebreeën 8:10 en 10:16).
De ‘les van Luther’ is vooral dat de liefde voor Israël zonder liefde voor de Torah gemakkelijk kan omslaan in haat en daadwerkelijke vijandschap. Zo’n omslag kan zich voltrekken als we teleurgesteld worden en Israël niet doet wat wij hadden gehoopt of als met name de Joodse orthodoxie eerder vijandig wordt dan ons welgezind. Wanneer onze liefde voor het Joodse volk dat dé drager is van de Torah, niet wortelt in onze liefde voor de Torah, dan deugt die liefde niet en eindigen we waar Luther geëindigd is.