Christendom een binnen-Joodse beweging – Eva’s speciale antennes voor de geestelijke wereld – Israël eeuwenlang zonder profetische antenne – De profetische antennes hersteld bij de Joodse Christenen – Geen twee wegen, wel twee weghelften
Christendom een binnen-Joodse beweging
Bijbels gezien is het een onbetwistbaar historisch feit dat het Christendom ontstaan is uit het Jodendom. Jêhóshúa` ha-Notsri, de Man van Nazareth, was volop een Joodse man, geboren uit een Joodse moeder en besneden op de achtste dag. Even daargelaten dat hiermee niet alles is gezegd. Volgens het Nieuwtestamentisch getuigenis is Jêhóshúa` de belichaming van het Woord (Joh. 1:1,14), Hij is de zichtbare gestalte van de Stem Die deze wereld tot zich riep, Die Abraham wegriep uit Ur en Mozes opriep om Zijn volk te bevrijden, en Die als een medemens in vluchtige gestalten verschenen is o.a. aan Abraham en Sarah bij de tent en wandelend op weg naar Sodom (Genesis 18: 13, 16-33). Anders gezegd: volgens het Nieuwe Testament is Jêhóshúa` een unieke Gestalte van Israël’s God, de Altijd Aanwezige. De NAAM ‘Ehjeh: Ik ben erbij, die God uitsprak toen Hij aan Mozes de opdracht gaf om de kinderen Israël’s te bevrijden uit Egypte om hen bij de Berg te heiligen tot Zijn volk (Exodus 3:14).
Diezelfde NAAM gebruikte ook Jêhóshúa` toen Hij Zijn discipelen de opdracht gaf om alle volken te bevrijden tot de dienst aan Israël’s God: ‘Ehjeh: Ik ben er bij, alle dagen! (Matheüs 28:20, Lukas 24:47).
Maar dit nu daar gelaten, Jêhóshúa’ HaNotsri was volop een Joodse man en zijn discipelen waren zonder uitzondering Joden. Ook één van Zijn allerbelangrijkste assistenten, tevens Bijbel tekstschrijver, Paulus van Tarsus, was een Jood. Daarom, Bijbels gezien mag men zonder aarzeling stellen: het Christendom is begonnen als een binnen-Joodse beweging. Jêhóshúa` zelf is nauwelijks buiten het Joodse land geweest, alleen reisde Hij één keer door Shomron/Samaria, het stamland van Jozef/Efraim (Joh.4:4), was Hij één keer in Zuid Libanon, het land van Dan (Mattheüs 15:21,22) en één keer ten Oosten van de Jordaan, het stamland van Gad en Ruben.
Jodendom en Christendom als Adam en Eva
De schepping van het Christendom uit het Jodendom is wel vergeleken met de schepping van Eva uit Adam. Deze vergelijking is daarom zo treffend, omdat hiermee zowel het gelijk zijn als het anders zijn wordt aangeduid. De bouwstoffen van Jodendom en Christendom zijn dezelfde, beide zijn opgebouwd door het Woord en de Geest van Israël’s God, maar tegelijk zijn ze volledig anders, zoals Eva, de vrouw een totaal ander wezen is dan Adam, de man. Eva is כנגד keneged: als tegenover gesteld (Gen. 2:20, zie ook De Joodse Weg, Les 3 : Het aparte van het Joodse volk).
De spannende vraag is nu: waarin schuilt dan dat typische verschil? Er staat dat Eva opgebouwd is uit een צלע tsela` van Adam. Tsela` betekent: rib, zijde, zijkant, flank, helling, of: aspect. Met andere woorden: er is één specifiek lichaamsdeel of één speciale lichaamsfunctie of zielefunctie van Adam weggenomen en dit deel of deze functie werd het basismateriaal of uitgangspunt voor de schepping van Eva. Op soortgelijke wijze zou ook het Christendom opgebouwd zijn vanuit een bepaald element of een specifieke functie die uit het Jodendom is weggenomen en die de basis werd voor de vorming van het Christendom. Welk element is dat of welke functie?
Eva’s speciale antenne voor de geestelijke wereld
Uit het scheppingsverhaal blijkt dat het niet Adam was, maar Eva, de vrouw die contact kreeg met de slang, de slimme satanische Tegenstander afkomstig van de Overkant = de voor het blote oog onzichtbare, geestelijke zijkant van onze werkelijkheid. Adam, als ‘aardman’ – zijn naam betekent letterlijk ‘man van de ‘adámáh (= aarde) – was vooral gericht op de aardse kant, op de zichtbare zijde, de tastbare, meetbare en weegbare zijkant van onze werkelijkheid. Daarom kwam de slang ook niet op Adam af, want die had toch geen oog voor hem, die miste daarvoor een speciale geestelijke antenne. Uiteraard was Adam niet al zijn geestelijke functies kwijt geraakt, hij had nog genoeg ‘ribben’ over: we mogen aannemen dat Adam juist wel een geestelijk oor hield voor het Woord van God, voor de Goddelijke ordeningen, de Torah die God hem als in een notendop* had meegedeeld. Ook was Adam niet doof voor de Stem die hem ter verantwoording riep: ‘Ajekhá, waar bent U? Maar vergeleken met Eva mist hij toch die specifieke vrouwelijke antenne voor de ons omringende geestelijke wereld, waarmee ook samenhangt de visionaire profetische antenne voor de dingen die komende zijn, voor Gods plan met Zijn wereld.
* Het Godswoord aan Adam ‘van alle bomen mag U eten, behalve van deze ene’ (Genesis 2:17) is inderdaad te zien als de Torah in een notendop. De kern van de Mozaïsche Torah is ‘alles min één’. Heel Gods schepping staat ons ter beschikking, maar om Hem uitdrukkelijk te erkennen als de Eigenaar, moeten we steeds één deel heiligen, afzonderen voor Hem: alle dagen zijn voor ons, maar één dag is speciaal voor Hem, van alle vruchten van Zijn schepping mogen we genieten, behalve van de eerstelingen. Dat Adam hier weet van had en dit ook aan zijn kinderen heeft doorgegeven moge blijken uit het feit dat Abel een offer brengt niet zoals Kaïn naar eigen goeddunken, maar van de eerstelingen van zijn schapen (Gen. 4: 4).
Israël eeuwenlang zonder profetische antenne
Maar nu, als in deze beeldspraak Adam staat voor het Jodendom, wat zegt dit dan over het Joodse volk? Bijbels gezien is het een vaststaand gegeven dat vanaf het prille begin het Godsvolk Israël gekenmerkt is door de profetie, door het geestelijke, visionaire vermogen dat inzicht geeft in Gods plan met Zijn volk en Zijn wereld. Abraham was een profeet, een geestelijk mens die met God sprak of beter: God sprak met hem over de komende dingen, over de toekomstige verdrukkingen (Gen. 15:13-16), over Zijn plan met het godloze Sodom (Gen. 18:17). Dat zelfde geldt voor Jacob en Mozes, voor Elia, Jesaja, Jeremia en ga maar door tot aan Maleachi. Maar na Maleachi, in de 5e eeuw vóór Christus, stopt de profetie. Pas eeuwen later, bij Johannes de Doper, komt dit geestelijke talent weer voor de dag. Profetisch visionair ziet Johannes in een gewone Joodse man uit Nazareth een bijzondere Godsverschijning: ‘Zie, het Lam Gods dat de zonde der wereld op zich neemt’ (Johannes 1:29).
De profetische antenne hersteld bij de Joodse Christenen
De profetische begaafdheid die in het Jodendom sinds Maleachi zo goed als ontbreekt, is meteen al bij het ontstaan van het oorspronkelijke Christendom een dominante factor. Niet alleen Johannes de Doper was een ziener, de herleving van de profetie begon al bij zijn vader die profetische woorden sprak over zijn zoon (Lukas 1:68-79) en eerder al had zijn moeder haar nicht Maria ‘de moeder des HEREN’ genoemd (Luk. 1:43). Wat een visie! Ook Maria had een visionair talent, zoals blijkt uit haar lofzang (Luk. 1:52-56). Datzelfde geldt voor de oude Simeon die profetische woorden sprak en vooral de bejaarde weduwe Anna, die zelfs uitdrukkelijk een profetes, een directe Godsgezant wordt genoemd en die haar geloof in de toekomst ook uitstraalde naar anderen. Zij was niet alleen een vrome vrouw –ze is wel eens ‘de eerste evangelische christin*’ genoemd – maar als profetes bemoedigde zij met haar vertrouwensvolle visie op de toekomst ook ‘allen die voor Jeruzalem bevrijding verwachtten’ (Luk.1:38).
* Het klinkt wat vreemd om Anna een ‘christin’ te noemen, immers de gangbare definitie van een ‘christen’ is: ‘een volgeling van Jezus Christus’ en dat past nog niet zo goed bij Anna. Het woord ‘Christus’ is echter de Griekse vertaling van het Hebreeuwse משיח mashiach: gezalfde. Israël is God’s Mashiach, Zijn Gezalfde. In Psalm 105:15 worden de kinderen Israël’s letterlijk ‘Mijn Messiassen’ genoemd = naar het Grieks toe vertaald: Mijn Christussen of ‘Christenen’. Dit taalgebruik bevestigt nog eens de stelling dat het originele Christendom een binnen-Joodse beweging is.
Geen twee wegen, wel twee weghelften
Om de spanning tussen Jodendom en Christendom weg te nemen, kiest men soms voor de zogenaamde tweewegenleer: het Jodendom is één weg en het Christendom is een andere weg. Het zou gaan om twee heel verschillende godsdiensten die zich los van elkaar bevinden en verschillend gericht zijn: het Jodendom, dat zich vooral richt op de Mozaïsche Torah, en meer aards en meer ritueel is ingesteld, terwijl het Christendom dat zich concentreert rond de figuur van Jêhóshúa` vooral gericht is op de vergeving van de zonde door Zijn offer op Golgotha, en minder aards is ingesteld, meer met het hemelse bezig is, minder met het nu en meer met de toekomst. Maar het oorspronkelijke Christendom is als binnen-Joodse beweging beslist geen tweede, volkomen andere weg, maar wel om een tweede weghelft die er onlosmakelijke bij hoort: twee één-zijdigheden die samen één Weg vormen met het oog op de bevrijding en heiliging van de volkerenwereld.