Over de voorrang van de Woorddienst of de Eucharistie (dankzegging over brood en wijn)
Inleiding
Er is eeuwenoud conflict tussen Rome en de Reformatie over de vraag of Eucharistie (dankzegging over en brood en wijn) de voorrang heeft óf de bediening van het GodsWoord.
De Kerkhervormers, Luther en Calvijn, hebben duidelijk stelling genomen tegenover de dominantie van de Eucharistie en tegenover het daarmee samenhangende dogma dat door de dankzegging brood en wijn veranderen in het lichaam en bloed van Christus. Daar tegenover benadrukt men in de Reformatorische traditie de voorrangspositie van de prediking: het Woord van God is eerder dan ons Antwoord; Eucharistie, dankzegging is een reactie op de Toezegging van God, dus ondergeschikt aan het Woord; in de kerkdienst dient voor alles het Woord aan het woord te komen: het gaat om het Woord, het Woord voorop! De vraag is, of het in dit conflict niet veel te eenzijdig alleen over de kerkdienst gaat. Het ritueel van de dankzegging over brood en wijn wortelen in het Joodse gezinsritueel aan de huistafel. De instelling van de kerkelijke maaltijd heeft dit huistafelritueel niet afgeschaft en vervangen, maar er juist een nieuwe dimensie aan toegevoegd: ‘doet dit tot Mijn gedachtenis’ (Lukas 22:19).
Doet danken ‘iets’ met brood en wijn?
Er gebeurt wel degelijk iets met het dagelijkse brood op onze huistafel, ook als wij simpelweg bidden: ‘HERE dank U voor deze spijze, amen’. Er gebeurt zeker iets als we op de vooravond van het weekend aan de feestelijk gedekte huistafel, of op Zondag in de gemeentekring de oeroude dankzegging uitspreken over de wijn en het brood, dezelfde dankzegging die hoogst waarschijnlijk ook Jêhoshua` heeft uitgesproken: Barukh ‘Atáh, Adonaj Elohenú, Melekh ha`olam, boré’ pêrí hagaphen = Wij danken U, HERE onze God, Koning der wereld, Die de vrucht van de wijnstok schiep.
Barukh ‘Atáh, Adonaj Elohenú, Melekh ha`olam, hamotsí lechem min ha’árets = Wij danken U, HERE onze God, Koning der wereld, Die het brood uit de aarde doet voortkomen.
Door zo* onze dank te verwoorden worden deze scheppingsgaven geheiligd = met de Heilige Zelf verbonden, waardoor deze scheppingsgaven meer zijn dan gewoon brood en wijn. Komend vanuit de schepping zijn ze door de dankzegging betrokken geraakt in het historische Krachtenveld van Gods bevrijdend handelen, van Kruis en Opstanding. Ja, van de Opgestane Zelf: ‘dit is Mijn Lichaam voor U!’
De prioriteit van de Woordbediening
Volgens Calvijn is de Bijbel het ‘gewaad’ waarin de levende Heer tot ons komt. God komt niet alleen in de tekentaal van de graankorrel en de wijndruif op ons toe, maar uitdrukkelijk, veel uitdrukkelijker zelfs, in de lettertaal van de Heilige Schrift. Willen we God echt ontmoeten dan kunnen we niet buiten de Bijbel om.
De Bijbel is ‘de gestolde Stem van Israëls God’. In de Bijbellezing en met name in de ambtelijke Woordverkondiging komen deze gestolde Bijbelwoorden weer tot leven door de Adem van de Geest. In de Woordverkondiging zijn het geen gewone woorden meer, maar zijn ze omgezet, ‘getranssubstantieerd’ tot Woorden van God, tot heilige Taal, tot de directe Stem van Hem Die ons bevrijdend, vermanend, oordelend of troostend toespreekt. Als het gaat om de prioriteitsvraag dan heeft Bijbels gezien het Woord de allerhoogste prioriteit: het Woord gaat vooraf aan het Antwoord (= letterlijk: een anti-woord, een tegenstem, een echo op het Woord).
Wat betreft de uitdrukkingskracht van beiden: de tekentaal van brood en wijn in de Eucharistie is weliswaar veelzeggend, maar de lettertaal van het Woord overstijgt dit mateloos. Nergens anders komt zo uitvoerig, zo uitdrukkelijk en zo indrukwekkend de Zelfovergave Gods, Zijn Vergevende Liefde op ons toe als in de Woordverkondiging, daar kan de tekentaal van brood en wijn niet tegen op.
Woorden zijn van een ander soortelijk gewicht
Op zich zijn woorden ook van een geheel andere orde dan de scheppingsgaven van brood en wijn. Woorden zijn ‘geestelijke wezens’, van een heel ander ‘soortelijk gewicht’ dan graankorrels of wijndruiven. Het graan en de wijndruif danken hun bestaan aan het Woord: God sprak en het was er (Psalm 33:9).
Bovendien, ook de heiliging van brood en wijn voltrekt zich door het woord: door de dank-zég-ging. Woorden en scheppingsgaven zijn onvergelijkbare grootheden. De Woordverkondiging heeft dus in driedubbele zin prioriteit: het Woord is op zich van een ander soortelijk gewicht, het Woord gaat vooraf aan het Antwoord (echo op het Woord), en het Antwoord is ook afhankelijk van het Woord: brood en wijn worden dóór het Woord geheiligd.
Kritische vraag voor de Katholica
Er is voor Rome reden om zich de kritische vraag te stellen of men in de missionaire ijver om aan de heidense volken het geheim van Kruis en Opstanding te verkondigen in begrijpelijke taal en zo plastisch mogelijk, zich niet heeft laten verleiden om gebruik te maken van heidense beelden, van algemeen aanvaarde religieuze mythes. Voor de hand lag de mythe van Osiris, de graangod die (gestimuleerd door de magische rituelen van zijn priesters) jaar op jaar zijn ‘offer’ herhaalt: elke winter sterft Osiris opnieuw en is zijn moeder Isis opnieuw diep bedroefd, maar ook elk voorjaar tegen ‘Pasen’ staat hij weer op uit de donkere, doodse aarde. Vanuit de Calvinistische traditie wordt deze kritische vraag al eeuwenlang op z’n stelligst beantwoord: de al bijna 450 jaar oude Heidelbergse Catechismus noemt (nog steeds) onverschrokken de Roomse Mis een ‘vervloekte afgoderij’…
Een kritische vraag zowel voor Rome als voor de Reformatie
Er is alle reden voor nog een kritische vraag. Een vraag vanuit de Joodse traditie, die zowel de Katholieke als de Reformatorische Kerken raakt: heeft men niet volledig ten onrechte een principieel verschil gemaakt tussen enerzijds de dankzegging (eucharistie) over brood en wijn in de kring van de gemeente en anderzijds de dankzegging (letterlijk: eucharistie) in de huiselijke kring aan de huistafel over het dagelijkse brood en over de wijn in het weekend? De Joodse dankzeggingsmaaltijden op Shabbat en met Pesach – waarin zowel de Roomse Mis als het Protestantse Avondmaal wortelen – vonden (en vinden) immers niet plaats in de Tempel of in de synagoge, maar in de huiselijke kring. En de bedienaar van de eucharistie aan de huistafel was en is geen priesterlijke tempeldienaar of één van zijn Levitische assistenten, maar gewoon de huisvader of een ander familielid. Kenmerk van de Joodse godsdienst was en is nog steeds: de liturgische mondigheid.
De mondige gemeente in Jeruzalem
Mondig waren ook de eerste missionaire gemeenten die vanuit het Jodendom zijn ontstaan.
Er staat niet van de gemeente in Jeruzalem dat zij hun gemeenschapsmaaltijden hielden op het tempelplein of in een speciaal daarvoor ingerichte ruimte, maar in de huiselijke kring: zij braken het brood aan huis. Nadat zij deelgenomen hadden aan de dagelijkse lofzang rond het offerlam op het Tempelplein – dat voor hen een nieuwe dimensie had gekregen – braken en deelden zij aan de huistafel het brood, zoals ze dat vanuit hun Joodse traditie gewend waren.
Kerk én Koninkrijk: Looft de HERE al gij volken
Op de keper beschouwd is de kernvraag niet wat prioriteit heeft of originaliteit – de Woordbediening of de Eucharistie – maar: waar gaat het uiteindelijk om? Gaat het om de Kerk, gaat het erom dat de christelijke gemeenten steeds groter worden en dat de gemeenteleden steeds meer groeien in geloof en heiliging óf gaat het om de hele volksgemeenschap? Het gaat God zeker om de enkeling – Adam, waar bent ע? – het gaat God ook om een levende gemeente als Zijn Lichaam, Zijn instrument op aarde, maar via de enkeling en via de gemeenten gaat het God om de heiliging van heel de volkssamenleving met de gezinnen en de families in de voorhoede. Anders gezegd: het gaat om de Kerk met het oog op Zijn Koninkrijk dat heel de samenleving en alle volken wil omvatten. Het gaat om een (ere)dienende volkssamenleving, om een samen-loving waarbij de oudsten (presbyters) in het volk de originele priesters zijn die gesteund door musici en zangers de voorgangers zijn in de publieke erediensten in het centrum van alle dorpen en steden, en in het centrum van de wereld: in de Hofstad en de Lofstad Jeruzalem, op de Berg van Zijn heiligheid: ‘Zingt de HERE gij ganse aarde!’, ‘Al gij volken looft de Naam des HEREN!’, ‘Looft de Koning, al gij volken!’, ‘De HERE is Koning dat de aarde juiche!’, ‘Komt voor Zijn Aangezicht met gejubel (Zie Psalm 96, 97, 98, 99 en 100).
* Hieronder een voorbeeld van een dankzegging over brood en wijn tezamen, waarin het ‘doet dit tot Mijn gedachtenis’ is opgenomen: “U danken wij HERE onze God, Koning der wereld, voor de vrucht van de wijnstok waarin Uw Liefde Zich weerspiegelt, Uw Zelfovergave tot in onze dood, én U danken wij voor het brood, dat U uit de aarde doet voortkomen, voor het wonder van de graankorrel die sterft en opstaat uit de donkere aarde, zoals U Uw volk Israël deed opstaan uit het donker van Egypte, en Uw Zoon uit onze dood vandaan; voed ons met hemels Brood en met de Kracht van Uw Heilige Geest.”