Gods woning, mê`ónáh מענה
In Deuteronomium 33:27 wordt het Hebreeuwse woord mê`ónáh מענה vertaald met ‘woning’. Maar wat voor soort woning wordt hier eigenlijk bedoeld? Het woord má`ón מעון of mê`ónáh מענה wordt gebruikt voor het aanduiden van de woonplaats van God. Meestal verwijst het woord naar de tempel (1 Samuël 2:29, 32, Sefanja 3:7, Zacharia 2:13) of de tabernakel (Psalm 26:8). Uit andere teksten komt naar voren dat deze woning op een specifieke plaats staat, namelijk in ציון Tsion, Jeruzalem (Psalm 76:2). Dat de tempel en tabernakel beschouwd werden als werkelijk woonhuis voor God was voor de Israëlieten ongewoon, zo sprak Koning Salomo bij de inwijding van de tempel: ‘Zelfs de hoogste hemel kan u niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor U heb gebouwd’ (2 Kronieken 5:18). Het idee dat God in een huis moest wonen en alleen verbonden was aan een huis en een bepaald gebied, was een gedachte die sterk bij heidense volken leefde. De God van Israël is echter niet gebonden aan tijd en ruimte, zoals Zijn Naam JHWH aangeeft: Hij Die erbij was, Die erbij is en Die erbij zal zijn. Het bewijs daarvoor is dat het woord mê`ónáh מענה of má`ón מעון in de Bijbel even zo goed gebruikt wordt voor Gods ‘verblijfplaats’, Zijn ‘woning’, in de hemel (Deuteronomium 26:15, 2 Kronieken 30:27).
Mê`ónáh: Gods antwoord op ons gebed
Hoewel Spreuken 16 vers 1 op het eerste gezicht niet direct verband vertoont met het woord ‘woning,’ is er in het Hebreeuws wel degelijk verband: ‘Van de mens komen de gedachten van het hart, maar het antwoord van de tong komt van de HERE. Het woord voor ‘antwoord’, ma`aneh, wordt namelijk exact hetzelfde geschreven als מענה mê`ónáh, maar alleen anders uitgesproken. Op die manier wordt een belangrijk aspect van deze Bijbeltekst zichtbaar. De mens kan zijn gedachten over iets hebben, maar als hij het uitspreekt naar God, is Zijn antwoord op ons spreken als een schuilplaats, een veilige plek. Wij mogen ons geborgen weten in ons gebed tot Hem, vertrouwend op Zijn antwoord.
Gods woning als leeuwenhol
In een tekst uit Jeremia: ‘De HERE zal brullen uit den hoge en uit zijn heilige woning zijn stem verheffen,’ komt een ander aspect van het woord מענה mê`ónáh naar voren (Jeremia 25:30). Gods stem wordt hier niet alleen vergeleken met het indrukwekkende brullen van een leeuw (de brul van een volwassen leeuw kan op een afstand van 10 km zelfs nog hoorbaar zijn!), maar het woord mê`ónáh מענה wordt op andere plaatsen namelijk gebruikt voor de schuilplaats van een wild dier (Job 37:8) en specifiek voor het hol van een leeuw (Job 38:40, Psalm 104:22, Hooglied 4:8, Amos 3:4, Nahum 2:11-12). Een leeuwennest zelf stelt niet zoveel voor. Vaak maakt de leeuwin een ondiepe kuil of geul, die verscholen ligt tussen het hoge gras of tussen rotsen, waar ze twee tot drie jonge welpen werpt. (In het Hebreeuws wordt het woord ma`anah op dezelfde manier geschreven en betekent: ‘een geul gevormd door ploegen’, zie bijvoorbeeld Psalm 129:3, 1 Samuël 14:14). Het gaat dus niet om het nest zelf, maar blijkbaar om de bewoner. De leeuw staat, als ‘koning der dieren’, boven alle andere dieren. Een leeuw heeft geen natuurlijke vijanden en in Bijbelse tijden vormde ook de mens geen directe bedreiging. Dit maakte zijn ‘woning’ tot een uiterst veilige schuilplaats en een beschermde plek voor de leeuwenwelpen. In de Bijbel wordt dit beeld dan ook om die reden voor Gods woning gebruikt. Tegenwoordig komt de Afrikaanse leeuw niet meer voor in het land Israël, maar Koning David kwam als jonge herder geregeld leeuwen en hun legerplaatsen tegen en gebruikte meerdere malen het woord mê`ónáh מענה om deze beschermende eigenschap te benadrukken: ‘Want U, HERE, bent mijn toevlucht. De Allerhoogste hebt u tot uw woning (mê`ónáh) gemaakt, het kwaad zal u niet bereiken, geen plaag zal uw tent ooit treffen (Psalm 91:9), Wees mij tot een rots ter woning (mê`ónáh), waar ik altijd naar toe kan gaan, die Gij beschikt hebt tot mijn redding (Psalm 71:3) en Hij is de Vader der wezen en de Rechter der weduwen, God in zijn heilige woning (mê`ónáh) (Psalm 68:5). Het woord mê`ónáh hangt ook nauw samen met het woord `ónah, dat huwelijk betekent (Exodus 21:10) en geeft de intimiteit en geborgenheid weer die in een leeuwennest heerst. Het is bijzonder om te zien hoe leeuwenwelpen rustig op of onder de moederleeuw liggen, met haar stoeien en haar bijten zonder dat dit gevaarlijke dier hen kwaad doet. Een prachtig beeld van de geborgenheid die wij bij God mogen ervaren.
Leeuwenhol óf Schuilplaats van jakhalzen
Hetzelfde woord mê`ón(áh) מענה wordt vreemd genoeg ook gebruikt voor de benaming van schuilplaatsen van kleinere roofdieren (mê`ón tannim). Hoewel de Bijbel in het midden laat om wat voor dieren het precies gaat (het woord tannim betekent land- of zeedier in het algemeen), worden hiermee waarschijnlijk jakhalzen, vossen, cheeta’s en soms ook hyena’s bedoeld. Opvallend is dat deze betekenis alleen in het boek Jeremia voorkomt en bovendien altijd in negatieve zin: als een verlaten, duistere plaats (Jeremia 9:11, 10:22, Jeremia 49:33, Jeremia 51:37). De profeet Jeremia maakt hiermee duidelijk dat niet alleen het volk met hun woningen (Jeremia 21:13, 1 Kronieken 4:41) in ballingschap zijn gegaan, maar dat ook de tempel, Gods woning, verlaten werd (2 Kronieken 36:15, Sefanja 3:7). In het wild is er tussen leeuwen en andere kleine roofdieren, de tannim, een voortdurende competitie om voedsel en territorium. Het is bekend dat jakhalzen dankbaar gebruik maken van verlaten leeuwennesten om hun jongen te werpen en etensresten te verorberen die de leeuw liet liggen. Een roedel jakhalzen zal nooit een leeuw kunnen verjagen, maar wacht zijn kans af tot een leeuwennest leeg is. Zoals een verlaten leeuwennest wordt ingenomen door een roedel jakhalzen, zo werd tijdens de ballingschap de plaats van Gods aanwezigheid ingenomen door duisternis en woestenij. Daar waar Gods Geest afwezig is, is er slechts plaats voor duisternis, voor duistere machten. Dit Bijbelse principe legt Jezus ook uit in Lucas 11 waar de mens vergeleken wordt met een leegstaand huis (Lucas 11:24-28). De mens is een woning, een tempel, waarin Gods Geest inwoning heeft (1 Korintiërs 3:16, 2 Korintiërs 6:16). Als Gods Geest niet aanwezig is, geeft dat een leegte die gevuld kan worden met geestelijke ‘jakhalzen’. Sterker nog, de Bijbel vertelt: ‘Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden’. Hebben wij onze woning, onze schuilplaats, bij de levende God? In Openbaringen 5:5 staat namelijk geschreven welke leeuw er uiteindelijk zal winnen: ‘… Zie, de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen!’
De schuilplaats van Asher
De tekst van Deuteronomium דברים 33:27 is gericht aan de stam Asher. Om te weten wat dit betekent moeten we kijken naar de ligging van de stam Asher in het beloofde land. Asher lag namelijk in het noorden van het beloofde land, aan de kust. Het was de eerste stam aan ‘de weg van de Zee’, een handelsroute voor alle volkeren in het noorden en oosten. De route bestond uit een natuurlijk gevormde ‘weg’ langs de Middellandse zeekust en de heuvels langs de kuststrook. Het gebied langs deze weg (ook wel de ‘Via Maris’ genoemd) bood gelegenheid tot handel en daarmee economische welvaart. Maar de stam Asher, die als eerste van de twaalf stammen aan de route lag, was daarmee ook de eerste stam dat aangevallen werd vanuit het noorden. Het was juist deze stam in dit gebied, die het meest kwetsbaar was, die bescherming nodig had. In Deuteronomium 33 staat wie voor Asher de schuilplaats moet zijn om hen te beschermen van aanvallen: ‘De eeuwige God is een schuilplaats (má`on) מעון, en van onder u zijn eeuwige armen; en Hij verdrijft de vijand voor uw aangezicht, en zegt: Vernietig hen!’