09-03-2023

De eeuwige God is u een woning‭ ‬en onder u zijn eeuwige armen’

Gods woning‭, ‬mê`ónáh‭ ‬מענה‭ ‬

In Deuteronomium 33:27‭ ‬wordt het Hebreeuwse woord‭ ‬mê`ónáh‭ ‬מענה‭ ‬vertaald met‭ ‬‘woning’‭. ‬Maar wat voor soort woning wordt hier eigenlijk bedoeld‭? ‬Het woord‭ ‬má`ónמעון‭ ‬of‭ ‬mê`ónáh‭ ‬מענה‭ ‬wordt gebruikt voor het aanduiden van de woonplaats van God‭. ‬Meestal verwijst het woord naar de tempel‭ (‬1‭ ‬Samuël 2:29‭, ‬32‭, ‬Sefanja 3:7‭, ‬Zacharia 2:13‭) ‬of de tabernakel‭ (‬Psalm 26:8‭). ‬Uit andere teksten komt naar voren dat deze woning op een specifieke plaats staat‭, ‬namelijk in‭ ‬ציון‭ ‬Tsion‭, ‬Jeruzalem‭ (‬Psalm 76:2‭). ‬Dat de tempel en tabernakel beschouwd werden als werkelijk woonhuis voor God was voor de Israëlieten ongewoon‭, ‬zo sprak Koning Salomo bij de inwijding van de tempel‭: ‬‘Zelfs de hoogste hemel kan u niet bevatten‭, ‬laat staan dit huis dat ik voor U heb gebouwd’‭ (‬2‭ ‬Kronieken 5:18‭). ‬Het idee dat God in een huis moest wonen en alleen verbonden was aan een huis en een bepaald gebied‭, ‬was een gedachte die sterk bij heidense volken leefde‭. ‬De God van Israël is echter niet gebonden aan tijd en ruimte‭, ‬zoals Zijn‭ ‬Naam JHWH aangeeft‭: ‬Hij Die erbij was‭, ‬Die erbij is en Die erbij zal zijn‭. ‬Het bewijs daarvoor is dat het woord‭ ‬mê`ónáh‭ מענה‭ ‬of má`ón‭ ‬מעון‭ ‬in de Bijbel even zo goed gebruikt wordt voor Gods‭ ‬‘verblijfplaats’‭, ‬Zijn‭ ‬‘woning’‭, ‬in de hemel‭ (‬Deuteronomium 26:15‭, ‬2‭ ‬Kronieken 30:27‭).‬

Mê`ónáh‭: ‬Gods antwoord op ons gebed

Hoewel Spreuken 16‭ ‬vers 1‭ ‬op het eerste gezicht niet direct verband vertoont met het woord‭ ‬‘woning‭,‬’‭ ‬is er in het Hebreeuws wel degelijk verband‭: ‬‘Van de mens komen de gedachten van het hart‭, ‬maar het antwoord van de tong komt van de HERE‭. ‬Het woord voor‭ ‬‘antwoord’‭, ‬ma`aneh‭, ‬wordt namelijk exact hetzelfde geschreven als‭ ‬מענה‭ ‬mê`ónáh‭, ‬maar alleen anders uitgesproken‭. ‬Op die manier wordt een belangrijk aspect van deze Bijbeltekst zichtbaar‭. ‬De mens kan zijn gedachten over iets hebben‭, ‬maar als hij het uitspreekt naar God‭, ‬is Zijn antwoord op ons spreken als een schuilplaats‭, ‬een veilige plek‭. ‬Wij mogen ons geborgen weten in ons gebed tot Hem‭, ‬vertrouwend op Zijn antwoord‭.‬

Gods woning als leeuwenhol

In een tekst uit Jeremia‭: ‬‘De HERE‭ ‬zal brullen uit den hoge en uit zijn heilige woning zijn stem verheffen‭,‬’‭ ‬komt een ander aspect van het woord‭ ‬מענה‭ ‬mê`ónáh‭ ‬naar voren‭ (‬Jeremia 25:30‭). ‬Gods stem wordt hier niet alleen vergeleken met het indrukwekkende brullen van een leeuw‭ (‬de brul van een volwassen leeuw kan op een afstand van 10‭ ‬km zelfs nog hoorbaar zijn‭!), ‬maar het woord‭ ‬mê`ónáh‭ ‬מענה‭ ‬wordt op andere plaatsen namelijk gebruikt voor de schuilplaats van een wild dier‭ (‬Job 37:8‭) ‬en specifiek voor het hol van een leeuw‭ (‬Job 38:40‭, ‬Psalm 104:22‭, ‬Hooglied 4:8‭, ‬Amos 3:4‭, ‬Nahum 2:11-12‭). ‬Een leeuwennest zelf stelt niet zoveel voor‭. ‬Vaak maakt de leeuwin een ondiepe kuil of geul‭, ‬die verscholen ligt tussen het hoge gras of‭ ‬tussen rotsen‭, ‬waar ze twee tot drie jonge welpen werpt‭. (‬In het Hebreeuws wordt het woord‭ ‬ma`anah‭ ‬op dezelfde manier geschreven en betekent‭: ‬‘een geul gevormd door ploegen’‭, ‬zie bijvoorbeeld Psalm 129:3‭, ‬1‭ ‬Samuël 14:14‭). ‬Het gaat dus niet om het nest zelf‭, ‬maar blijkbaar om de bewoner‭. ‬De leeuw staat‭, ‬als‭ ‬‘koning der dieren’‭, ‬boven alle andere dieren‭. ‬Een leeuw heeft geen natuurlijke vijanden en in Bijbelse tijden vormde ook de mens geen directe bedreiging‭. ‬Dit maakte zijn‭ ‬‘woning’‭ ‬tot een uiterst veilige schuilplaats en een beschermde plek voor de leeuwenwelpen‭. ‬In de Bijbel wordt dit beeld dan ook om die‭ ‬reden voor Gods woning gebruikt‭. ‬Tegenwoordig komt de Afrikaanse leeuw niet meer voor in het land Israël‭, ‬maar Koning David kwam‭ ‬als jonge herder geregeld leeuwen en hun legerplaatsen tegen en gebruikte meerdere malen het woord‭ ‬mê`ónáh‭ ‬מענה‭ ‬om deze beschermende eigenschap te benadrukken‭: ‬‘Want U‭, ‬HERE‭, ‬bent mijn toevlucht‭. ‬De Allerhoogste hebt u‬tot uw woning‭ (‬mê`ónáh‭) ‬gemaakt‭, ‬het kwaad zal u niet bereiken‭, ‬geen plaag zal uw tent ooit treffen‭ (‬Psalm 91:9‭), ‬Wees mij tot een rots ter woning‭ (‬mê`ónáh‭), ‬waar ik altijd naar toe kan gaan‭, ‬die Gij beschikt hebt tot mijn redding‭ (‬Psalm 71:3‭) ‬en Hij is de Vader der wezen en de Rechter der weduwen‭, ‬God in zijn heilige woning‭ (‬mê`ónáh‭) (‬Psalm 68:5‭). ‬Het woord‭ ‬mê`ónáh‭ ‬hangt ook nauw samen met het woord‭ ‬`ónah‭, ‬dat huwelijk betekent‭ (‬Exodus 21:10‭) ‬en geeft de intimiteit en geborgenheid weer die in een leeuwennest heerst‭. ‬Het is bijzonder om te zien hoe leeuwenwelpen rustig op of onder de moederleeuw liggen‭, ‬met haar stoeien en haar bijten zonder dat dit gevaarlijke dier hen kwaad doet‭. ‬Een prachtig beeld van de geborgenheid die wij bij God mogen ervaren‭.‬

Leeuwenhol óf Schuilplaats van jakhalzen

Hetzelfde woord‭ ‬mê`ón(áh‭)מענה‭ ‬wordt vreemd genoeg ook gebruikt voor de benaming van schuilplaatsen van kleinere roofdieren‭ (‬mê`ón tannim‭). ‬Hoewel de Bijbel in het midden laat om wat voor dieren het precies gaat‭ (‬het woord‭ ‬tannim‭ ‬betekent land‭- ‬of zeedier in het algemeen‭), ‬worden hiermee waarschijnlijk jakhalzen‭, ‬vossen‭, ‬cheeta’s en soms ook hyena’s bedoeld‭. ‬Opvallend is dat deze betekenis‭ ‬alleen in het boek Jeremia voorkomt en bovendien altijd in negatieve zin‭: ‬als een verlaten‭, ‬duistere plaats‭ (‬Jeremia 9:11‭, ‬10:22‭, ‬Jeremia 49:33‭, ‬Jeremia 51:37‭). ‬De profeet Jeremia maakt hiermee duidelijk dat niet alleen het volk met hun woningen‭ (‬Jeremia 21:13‭, ‬1‭ ‬Kronieken 4:41‭) ‬in ballingschap zijn gegaan‭, ‬maar dat ook de tempel‭, ‬Gods woning‭, ‬verlaten werd‭ (‬2‭ ‬Kronieken 36:15‭, ‬Sefanja 3:7‭). ‬In het wild is er tussen leeuwen en andere kleine roofdieren‭, ‬de tannim‭, ‬een voortdurende competitie om voedsel en territorium‭. ‬Het is bekend dat jakhalzen dankbaar gebruik maken van verlaten leeuwennesten om hun jongen te werpen en etensresten te verorberen die de leeuw liet liggen‭. ‬Een roedel jakhalzen zal nooit een leeuw kunnen verjagen‭, ‬maar wacht zijn kans af tot een‭ ‬leeuwennest leeg is‭. ‬Zoals een verlaten leeuwennest wordt ingenomen door een roedel jakhalzen‭, ‬zo werd tijdens de ballingschap‭ ‬de plaats van Gods aanwezigheid ingenomen door duisternis en woestenij‭. ‬Daar waar Gods Geest afwezig is‭, ‬is er slechts plaats voor duisternis‭, ‬voor duistere machten‭. ‬Dit Bijbelse principe legt Jezus ook uit in Lucas 11‭ ‬waar de mens vergeleken wordt met een‭ ‬leegstaand huis‭ (‬Lucas 11:24-28‭). ‬De mens is een woning‭, ‬een tempel‭, ‬waarin Gods Geest inwoning heeft‭ (‬1‭ ‬Korintiërs 3:16‭, ‬2‭ ‬Korintiërs 6:16‭). ‬Als Gods Geest niet aanwezig is‭, ‬geeft dat een leegte die gevuld kan worden met geestelijke‭ ‬‘jakhalzen’‭. ‬Sterker nog‭, ‬de Bijbel vertelt‭: ‬‘Uw tegenpartij‭, ‬de duivel‭, ‬gaat rond als een brullende leeuw‭, ‬zoekende wie hij zal verslinden’‭. ‬Hebben wij onze woning‭, ‬onze schuilplaats‭, ‬bij de levende God‭? ‬In Openbaringen 5:5‭ ‬staat namelijk geschreven welke leeuw er uiteindelijk zal winnen‭: ‬‘‭… ‬Zie‭, ‬de leeuw uit de stam Juda‭, ‬de wortel Davids‭, ‬heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen‭!‬’

De schuilplaats van Asher

De tekst van Deuteronomium‭ ‬דברים‭ ‬33:27‭ ‬is gericht aan de stam Asher‭. ‬Om te weten wat dit betekent moeten we kijken naar de ligging van de stam Asher in het beloofde land‭. ‬Asher lag namelijk in het noorden van het beloofde land‭, ‬aan de kust‭. ‬Het was de eerste stam aan‭ ‬‘de weg van de Zee’‭, ‬een handelsroute voor alle volkeren in het noorden en oosten‭. ‬De route bestond uit een natuurlijk gevormde‭ ‬‘weg’‭ ‬langs de Middellandse zeekust en de heuvels langs de kuststrook‭. ‬Het gebied langs deze weg‭ (‬ook wel de‭ ‬‘Via Maris’‭ ‬genoemd‭) ‬bood gelegenheid tot handel en daarmee economische welvaart‭. ‬Maar de stam Asher‭, ‬die als eerste van de twaalf stammen‭ ‬aan de route lag‭, ‬was daarmee ook de eerste stam dat aangevallen werd vanuit het noorden‭. ‬Het was juist deze stam in dit gebied‭, ‬die het meest kwetsbaar was‭, ‬die bescherming nodig had‭. ‬In Deuteronomium 33‭ ‬staat wie voor Asher de schuilplaats moet zijn om hen te beschermen van aanvallen‭: ‬‘De eeuwige God is een schuilplaats‭ (‬má`on‭) מעון‭, ‬en van onder u zijn eeuwige armen‭; ‬en Hij verdrijft de vijand voor uw aangezicht‭, ‬en zegt‭: ‬Vernietig hen‭!‬’‭ ‬