Engelen (málakhim מַלאִכים) zijn hemelse boodschappers. Het woord málakhim (of in het enkelvoud: malakh מָלְאַך) is afgeleid van het werkwoord שלח, wat w.s. betekent: zenden, sturen, het werkwoord als zodanig komt niet in de Bijbel voor. Hoe dan ook, engelen zijn gezondenen van God. Het woordverband van malakh מָלְאַך met melekh מֶלֶך, koning is hier opvallend; engelen zijn door de grote Koning gezonden. Verschillende keren komen deze engelen des Heeren voor in de Bijbel. Soms zijn het engelen en soms zijn ze een verschijning van God Zelf als Engel des Heeren. De belangrijkste schriftplaatsen behandelen we hier.
Abraham heeft op de berg Moriah, bij het bijna-offer van zijn zoon Jitschaq, een ontmoeting met de Engel des Heeren. Genesis 22:11:
‘Maar de Engel des HEEREN riep tot hem van den hemel, en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik! 12 Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! Want nu weet Ik, dat gij God vrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden.’ En verder in vers 15: Toen riep de Engel des HEEREN tot Abraham ten tweeden male van den hemel; 16 En zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de HEERE; daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; 17 Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten. 18 En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt.
De Engel des Heeren laat Zich met name kennen door Zijn woorden. Hij spreekt in de Ik-vorm. Nu spreken de profeten van God vaak ook in de Ik-vorm, dus wat is het verschil tussen een hemelse en een menselijke profeet, zou men zich kunnen afvragen? En de onvermijdelijke vraag rijst dan of engelen überhaupt wel profetisch zijn of dat ze een heel andere taak van God hebben gekregen? Engelen zijn aankondigers, verkondigers, boodschappers. Mirjam wordt door een engel bezocht die haar boodschapt dat zij door de Heilige Geest hét Kind ter wereld zal brengen. De engelen uit het boek Openbaring verkondigen én dienen op een praktische en ondersteunende manier: ze houden de vier winden vast (7:1); ze drukken het zegel op het voorhoofd van de gelovigen (7:3); ze verbreken de zegels (8:1); ze offeren (8:3-5); ze blazen de bazuinen (8:7) en ga zo maar door. Het zijn hemelse dienaren van de Allerhoogste.
Hoe weten we dan dat in bepaalde gevallen de Engel een verschijning van God Zelf is en niet zomaar één van Zijn hemelse boodschappers: niet alleen omdat Hij dan, zoals gezegd, spreekt in de Ik-vorm, maar ook bijvoorbeeld omdat Hij in Zacharia 3:1-6 de overtreding van Jozua/Jehoshua de hogepriester wegdoet. Alleen God kan dat:
‘Daarna toonde Hij mij Jehoshua, den hogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des HEEREN; en de satan stond aan Zijn rechterhand, om hem te wederstaan. 2 Doch de HEERE zeide tot den satan: De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt? 3 Jehoshua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond. 4 Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen. 5 Dies zeg Ik: Laat ze een reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem klederen aan; en de Engel des HEEREN stond daarbij. 6 Toen betuigde de Engel des HEEREN Jozua, zeggende: 7 Zo zegt de HEERE der heirscharen: Indien gij in Mijn wegen zult wandelen, en indien gij Mijn wacht zult waarnemen, zo zult gij ook Mijn huis richten, en ook Mijn voorhoven bewaren; en Ik zal u wandelingen geven onder dezen, die hier staan.’
In deze Schriftplaatsen zien we dat de naam JHWH en de Engel des HEEREN door elkaar worden gebruikt.
Een andere belangrijke aanwijzing dat we hier met een verschijning van God Zelf te maken kunnen hebben, is de reactie van degenen die bezocht worden door de Engel des Heeren. Zoals bijvoorbeeld bij Hagar, de slavin van Sarai, die God Zelf in de Engel des Heeren ziet in Genesis 16:7-13: ‘En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur. 8 En Hij zeide: Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! Vanwaar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai! 9 Toen zeide de Engel des HEEREN tot haar: Keer weder tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen. 10 Voorts zeide de Engel des HEEREN tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden… …13 En zij noemde den Naam des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens (El roi אל ראי)! Want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet? 14 Daarom noemde men dien put, den put LaChai-Rói (aan de Levende, Die mij ziet). In deze opmerkelijke geschiedenis is er geen enkele twijfel bij Hagar over Wie het is Die haar aangesproken heeft.
In Exodus 3:2 heeft Moshe een ervaring met God, Die voorgesteld wordt als de Engel des Heeren: ‘En de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd. 4 Toen de HEERE zag, dat hij zich daarheen wendde, om te bezien, zo riep God tot hem uit het midden van het braambos, en zeide: Mozes, Mozes! En hij zeide: Zie, hier ben ik! 5 En Hij zeide: Nader hier niet toe; trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig land. 6 Hij zeide voorts: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izaäk en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien.’
In Numeri 22:22-35 ontmoet Bileam de Engel des Heeren Die zich voor de ezelin posteert. In vers 35 zegt de Engel des HEEREN Bileam: ‘Ga heen met deze mannen; maar alleenlijk dat woord, wat Ik tot u spreken zal, dat zult gij spreken.’ In vers 38 verhaalt Bileam vervolgens tegen Balak: ‘Zie, ik ben tot u gekomen; zal ik nu enigszins iets kunnen spreken? Het woord, hetwelk God in mijn mond leggen zal, dat zal ik spreken.’
De geschiedenis met Gideon is voor meer uitleg vatbaar, echter, deze heeft veel raakvlakken met de geschiedenis met Manoach en zijn vrouw. Ook hier zegt de Engel aan Gideon om te offeren en dan verdwijnt de Engel ook van voor zijn aangezicht en daarna begint Gideon ach en wee te roepen waarna God hem verzekert dat hij niet zal sterven (Richteren 6:11-23).
De aanstaande ouders van Simson worden bezocht door de Engel des Heeren (Richteren 13), Hij openbaart Zich als een Man Gods (vs.6) met een gezicht als een Engel Gods, ‘zeer vreselijk.’ Wanneer ze Hem iets te eten aanbieden, zegt Hij hen aan om een offer aan JHWH te brengen, waarna Hij vervolgens Zelf in de vlam ervan opvaart. Manoach is in vs. 22 volledig van de kaart na zijn ontmoeting met deze Engel des Heeren en vreest voor zijn leven, immers kan niemand God zien en leven (Ex. 33:20). ‘Wij zullen zekerlijk sterven omdat wij God gezien hebben!’ jammert hij tegen zijn vrouw, die daar gelukkig nuchter op weet te reageren want hoe zou hij hun offer hebben aangenomen als Hij hen had willen doden? (13:23).
De Engel des Heeren lijkt specifiek met de Messias, het Woord Gods, te maken te hebben: Manoach krijgt in Richteren 13:17 een bijzonder antwoord wanneer hij naar de naam van de Engel des Heeren vraagt: ‘Waarom vraagt u naar Mijn naam? Die is toch Wonderlijk.’ In Jesaja 9:5 bij de aankondiging van de Messias wordt Deze ook onder meer Wonderlijk* genoemd:
‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij is op Zijn schouder en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst (SV).’
Als we weten dat niemand die God ziet nog kan leven (Ex. 33:20), dan lijkt het er veel op dat Hij de Engel gebruikt als een soort tussenpersoon die Zijn raad uitvoert én, gezien dat de benamingen Engel des HEEREN en JHWH door elkaar worden gebruikt, lijkt het er verdacht veel op dat deze Engel God Zelf is, maar in een verschijningsvorm waaraan men niet doodgaat als men Hem ziet.
De voorzichtige conclusie is dat de Wonderlijke, dit Kind dat ons geboren is, deze Zoon, Die ons gegeven is, in staat is om Zich als Man Gods, als Engel Gods, als Man met het Zwaard te manifesteren, Hem kunnen we wél aanzien zonder te sterven, Hij is dit ‘deel’ van de Ene God, het Woord** Gods, Die we aan mogen kijken, ook al heeft Hij alle macht.
*In Jesaja 9:5 staat vaak vertaald: wonderlijke Raadsman (pele jo’éts פֶלא יוֵעץ), waarbij wonderlijke dan gelezen wordt als bijvoeglijk naamwoord van Raadsman, echter, als het er op die manier zou staan in de Hebreeuwse grondtekst, dan zouden de woorden andersom hebben gestaan (jo’éts pele יוֵעץ פֶלא); in het Hebreeuws komt het bijvoeglijk naamwoord áchter het zelfstandig naamwoord. Wat staat er: Wonderlijk, Raadsman, beide woorden zijn zelfstandig en Wonderlijk verdient een hoofdletter omdat het in dit geval een naam is. Overigens is het Hebreeuwse woord voor wonderlijk pele פֶלא wat precies het omgedraaide is van Aleph אֶלף, de eerste letter van het Hebreeuwse Alfabet: א. Aleph betekent onder meer Eersteling; de Messias is ook de Eersteling, de eniggeboren Zoon van God, vgl. Joh. 3:16,18 en 1 Joh. 4:9.
**Hij is ‘het Woord Gods; het Woord dat was God’ uit Johannes 1:1. Jeremia 11:1: Het Woord Gods geschiedde aan Jeremia, haDabhar asher hajah el Jiremejahu (הדבר אשר היה אל ירמיהו).