03-10-2023

De Falasha’s, Joden van Ethiopië

Er is vanuit Ethiopië een groot aantal Joden naar Israël gekomen in de jaren ’80 en ’90. Ze staan bekend onder de benaming Falasha’s, deze naam betekent: immigranten of vreemdelingen. Ze noemen zichzelf ook wel Huis van Israël, Beta Israel. Ze hebben deze benaming niet omdat ze naar Israël zijn geëmigreerd, maar omdat ze duizenden jaren geleden vanuit Israël in Ethiopië zijn terecht gekomen.

In het boek Handelingen 8:26-40 ontmoet de apostel Filippus de Kamerling van Morenland, dit zou heel goed een Falasha kunnen zijn geweest die op bedevaart naar het Heilige Land was gekomen.

De oorsprong van de Falasha’s is voor buitenstaanders onduidelijk. Volgens een door hen bewaarde overlevering (opgetekend door de ontdekkingsreiziger James Bruce, die in de 18e eeuw het toenmalige Abessinië doorkruiste), verlieten zij Jeruzalem in het gevolg van Menalik, de zoon van Salomo en de koningin van Sheba. Anderen geloofden dat de Falasha’s afstammelingen zijn van Joden die uit Judea zijn verdreven toen Jeruzalem werd verwoest in de tijd van Vespasianus, en dat ze behoorden tot de stam Dan.

Na een langdurig verblijf aan de Afrikaanse kust, rond de tijd dat de handel aan de Rode Zee in buitenlandse handen overging, schijnen ze zich terug te hebben getrokken in het binnenland, in de bergen achter Takazze waar ze totaal geïsoleerd raakten. Die geïsoleerde staat zou heel goed geholpen kunnen hebben om hun geloof in de Torah puur te laten, ze hebben zich immers verder niet geassimileerd met andere volken en hun religies.

De Falasha’s beoefenden allerlei beroepen, hoewel landbouw hun voornaamste bezigheid was. Ze maakten zelf de gereedschappen die nodig waren voor thuis of op het veld. Ze zijn van oudsher metselaars, architecten, smeden en wevers. Ook is bekend dat ze zeer bedreven zijn in de edelsmederij. Echtparen werkten gezamenlijk in hun beroep waarbij de vrouw de gelijke is van de man.

Ze trouwden op volwassen leeftijd en waren monogaam. Echtscheidingen, die zeer zeldzaam waren, vonden plaats in openbare vergaderingen en niet schriftelijk. De kinderen kregen les van de Dephteras, hun Schriftgeleerden; onderwijs was en is zeer belangrijk en die bestaat eruit hen te onderwijzen uit de Torah en de Psalmen, alsmede hun heilige geschiedenis te lezen en gebeden op te zeggen. De rest van de Tenach kenden ze niet, net zomin als de Talmoed en Mishna.

Schrijven werd zelden onderwezen. De Falasha’s spraken over het algemeen Amhari, de officiële taal van het oude Abessinië, maar thuis gebruikten ze een Falishinadialect. Het is dit dialect waarin ze uit hun Torah citeerden en waarin ze hun gebeden opzeiden, alhoewel hun Torah in het Ge’ez geschreven is, deze taal, die zowel een alfabet als een numerieke volgorde heeft, is één van de oudste talen in de wereld.

De religie van de Falasha’s is dus puur Mozaïsch, gebaseerd op de Ethiopische versie van de Torah, maar gewijzigd door het feit dat ze de Hebreeuwse taal niet kenden. Ze hadden helemaal geen Hebreeuwse boeken. Hoewel ze de Torah volgden, hielden ze zich niet aan de gebruiken die verband houden met de tzitzit (gebedskwastjes), tefilin (gebedsriemen) en mezuza (het kokertje aan de deurpost met daarin onder meer Deuteronomium 6:4); noch vierden ze Purim of Chanukah. Ze hielden de Shabat zeer strikt en noemden het Sanwat Katmai, volgens de traditie dat Shabat vóór hemel en aarde werd geschapen. In feite geloofden ze dat Sanwat een engel is die over de zon en de regen wordt geplaatst, die hen zou voorgaan op weg naar Jeruzalem in de dagen van de Messias. Laten we wel zijn: ze zijn vrijwel allemaal naar Israel gekomen…

De leiders van de Falasha’s zijn onderverdeeld in 3 klassen: Nezirim, Kohanim en Debhteras. De Nezirim leefden in grote getalen samen en aten alleen voedsel dat door hen zelf was bereid. Ze werden bezocht door andere Falasha’s en wanneer de eerstgeborenen van alle Falasha’s niet werden losgekocht, werden zij aan de Nezirim gegeven. Deze Nezirim doen sterk denken aan het Nazireeërschap in de Tenach, zoals bijvoorbeeld van Simson, die ook apart at en dronk; hij mocht immers geen vrucht van de wijnstok eten of drinken.

De Kohanim leefden samen met de andere Falasha’s. Ze trouwden, maar als de vrouw stierf dan trouwden ze niet opnieuw. Zij waren de rituele slachters en kregen een deel van het dier aangeboden. De Debhteras hielpen de Kohanim bij hun werk. Dit is wel te vergelijken met de priesters en de Levieten in de Bijbel.

De Falasha’s volgen een zon-maan kalender, zoals ook de Bijbelse kalender is, echter, de Bijbelse maankalender wordt zeven keer in de negentien jaar aan de zonnekalender gelijk gemaakt (door een extra maand Adar toe te voegen in dat jaar) en de Falashakalender heeft dit eens in de vier jaar.

De Falasha’s vastten heel vaak: op de 10e dag van elke maand ter herdenking van de grote verzoendag, op de 12e dag ter ere van de engel Michael en op de 15e ter herdenking van het Pesachfeest en Pinksteren. De jaarlijkse viering van Pesach werd in Ethiopië op de volgende manier gevierd: op de 11e, 12e en 13e en tot de avond van de 14e aten ze alleen brood, een soort matse, genaamd shimbera. Ze slachtten het paaslam bij zonsondergang op de 14e dag. Pinksteren werd gevierd op de 12e van Siwan (mei), aangezien ze begonnen te tellen vanaf de laatste dag van hun Pesachfeest. Dit is voor hen ook de dag van het geven van de Torah. Nieuwjaarsdag is hun Grote Verzoendag en op Sukkoth hadden zij geen loofhut, maar ze aten zeven dagen lang matses. Ze hadden verder veel vastendagen zoals bijvoorbeeld de tweede en vijfde dag van elke week en ook ter herdenking van de vernietiging van de eerste Tempel van de eerste tot de negende van de maand om Tammuz. Zij herdenken de vernietiging van de tweede Tempel niet.

Besnijdenis wordt uitgevoerd op de achtste dag, bij de jongens maar ook bij meisjes. Als de achtste dag op Shabat valt, wordt de ceremonie op de negende dag uitgevoerd.

Het is duidelijk dat dit bijzondere volk zich al millennia lang grotendeels aan de Torah heeft weten te houden, wat ook een reden was voor de rabbijnen en politici om hen, na veel politiek overleg, uiteindelijk in 1977 Joods te verklaren. Overtuigend was dat de Kohanim van de Falasha’s eenzelfde DNA-gen hebben als de westerse Kohanim.

Vanaf 1934 zijn er Falasha’s in Israël aangekomen. Sommigen kwamen zelf op een toeristenvisum en bleven er als illegaal. In 1979 begon een aantal reddingsoperaties om Falasha’s uit het door burgeroorlog verscheurde Ethiopië te redden, zoals operatie Moshe, operatie Jozua en operatie Salomon. Deze operaties vielen onder de door Amerika en Israël en een aantal Falasha activisten geïnitieerde ‘Operation Brothers.’ Deze operaties duurden tot 1991. In Ethiopië was zoals gezegd een aantal Falasha-activisten bezig om te proberen hun groep naar Israël te krijgen. Dit waren dappere mensen; een aantal van hen, waaronder Faride Yazazo Aklum, benaderde de Mossad voor hulp. In die tijd was ook de Mossad bezig om de kust van Soedan te bekijken met het oog op het openen van een toeristenresort dat als dekmantel kon dienen voor een grootscheepse reddingsactie waarbij Falasha’s met reddingsboten van de kust van Soedan naar Eilat zouden worden gebracht. Waarom Soedan? Omdat Ethiopië geen kust heeft. Het oog viel op een Italiaans hotel dat een decennium eerder was gesloten en er nu verlaten bij lag. Het was een uiterst gevaarlijk en listig plan. Bijna drie jaar lang heeft een undercoverteam van de Mossad dit hotel gerund. Voornamelijk Europese gasten kwamen hier om te duiken terwijl ‘s-nachts de reddingsoperaties gaande waren.

Een van de gasten was een Canadese Jood, die raadde dat er veel meer gebeurde dan het vermaken van hotelgasten, maar gelukkig hield hij het allemaal geheim. Toen de dekmantel ontdekt werd, is men verder gegaan om de vluchtelingen per vliegtuig naar Israël te brengen in verschillende acties. Deze acties hielden wel in dat de Falasha’s vanuit hun woonplaatsen via Khartoum, de hoofdstad van Soedan, helemaal naar de kust van Soedan moesten reizen.

Daniel Suharo was één van deze vluchtelingen. Hij herinnert zich dat hij met zijn familie de honderden kilometers door de woestijn op blote voeten naar Khartoum is gelopen waarbij hij meerdere familieleden heeft verloren. Er was nauwelijks water en voedsel, noch medicijnen. Na acht weken lopen kwam het gezelschap in Khartoum aan en daar hebben ze nog negen maanden moeten wachten in een opvangkamp. Er was ook in dit kamp bijna niets te eten en vele mensen stierven aan malaria. De kinderen kregen daar warme melk; dat was een van de weinige dingen die er waren. Tot op de dag van vandaag kan Daniel de geur van warme melk niet uitstaan; het herinnert hem teveel aan alle doorstane ontberingen.

Duizenden zijn omgekomen tijdens de verschillende reddingsoperaties. In totaal zijn er meer dan 90.000 Falasha’s gered, naar Israël vervoerd.

Daniel Suhalo vertelt in een interview (kijk op Youtube) dat er veel moeilijkheden waren en dat het voor sommigen nog steeds moeilijk is om te wennen en dat komt omdat de Falasha’s een heel sterk geloof hebben in de Torah. Zij droomden er al zo lang van om in het heilige land Israël te komen en de schok was groot toen men, in Israël aangekomen, bemerkte dat vele Israëli’s helemaal niet in God geloven. Een ander moeilijk punt voor de Falasha’s is dat de Staat Israël zo jong is en daardoor ook de jongeren hoog in het vaandel heeft omdat de jongeren de toekomst hebben, maar in de Falashabeleving gaat het vooral om de ouderen die alle respect verdienen.

In Tel Aviv maakte men in het museum een tentoonstelling over de Falasha’s, dat was in 2011, 30 jaar nadat de laatste grote groep per vliegtuigen zijn overgekomen naar Israël, dat was overigens een enorme actie: 14.325 Falasha’s werden binnen 35 uur opgehaald met lijn- en vrachtvliegtuigen, de grootste reddingsactie ooit in de geschiedenis van Israël. Men bezocht voor deze tentoonstelling een aantal Falasha’s die destijds in de laatste actie van 1991 in Israël is gekomen en uit interviews blijkt dat het niet gemakkelijk voor hen was en, voor een aantal nog steeds ís. De meesten komen gelukkig goed mee in Israël alhoewel ze ook wel gediscrimineerd worden. Er zijn ook schrijnende gevallen bij, met name bij de ouderen. Velen, echter, hebben in Israël een goede opleiding genoten, zoals gezegd is dit heel belangrijk voor deze bevolkingsgroep; de ouderen ontzegden zich veel zodat hun kinderen konden studeren. Er is overigens als project een school geopend om jonge Falasha’s te leren goud te smeden en sieraden te maken, dat vakgebied waar hun talent al ligt.

Onlangs vierden zij hier hun belangrijke Sigdfeest, wat vijftig dagen na Jom Kipur gevierd wordt en wat de afsluiting is van een periode van reiniging van zonden, die periode duurt dan ook vanaf Jom Kipur elk jaar.

De minister van immigratie in Israël is een Falasha en eens kreeg ik (Karen) een verkeersboete van een Falasha verkeersagent, hmmmmmm…… :-). Ook Eden, de kandidate voor het Eurovisie Songfestival van 2020 is een prachtig Falashameisje.

Heden ten dage is er het plan van Bibi Netanyahu om nog in ieder geval 1000 Falasha’s uit Ethiopië op te halen. Dat zijn zo’n beetje de laatsten. Het zou ook hard nodig zijn want opnieuw is er een burgeroorlog in Ethiopië uitgebroken waarbij het regeringsleger zeer wreed tekeergaat volgens vluchtelingen uit het Tigray gebied, die opnieuw in Soedan zijn neergestreken. We weten niet of er onder die vluchtelingen, zich ook Falasha’s bevinden.

Er is een Netflixfilm over de reddingsactie met het Red Sea Diving Resort, zoals het hotel aan de kust van Soedan als dekmantel heette (overigens compleet met kleurige folders). De film is nogal veramerikaanst, maar het geeft wel een beeld van hoe het ongeveer was, hoe spannend en gevaarlijk terwijl het tegelijkertijd leek op een jarenlange luxevakantie voor de medewerkers… De film heet heel origineel The Red Sea Diving Resort.

Het lied dat gezongen wordt tijdens de aftiteling van de film is van het Idan Raichel Project, het wordt eerst in het Amharisch gezongen door een Falasha en dat wordt beantwoord door Idan in het Hebreeuws. Het lied is bijzonder poëtisch en daardoor moeilijk te vertalen, maar het is een ode aan het prachtige Ethiopische volk en je zou het lied wel kunnen weergeven alsof God Zelf het zingt naar Zijn volk, het heet: vanuit de diepten, Mima’amikim:

‘Wie zal jou redden van het kwaad, wie zal jou meer liefhebben boven al jouw geliefden, wie zal als het stof voor je voeten zijn, wie zal zijn leven geven om jou te dragen, wiens handen zullen jouw huis bouwen, wie zal zijn ziel geven voor jouw geluk, wie zal een serenade zingen onder jouw raam? Wie roept jou in de nacht in het licht van de maan dat jou naar mij terugbrengt? Vanuit de diepte riep ik jou naar mij toe.’