Israël is een uitverkoren volk. Niet dat zij beter, belangrijker of bevoorrecht zijn, maar zij hebben een andere taak of bediening dan andere volkeren. Hun taak is een licht, een voorbeeld te zijn voor andere volken en een spreekbuis van Adonai om Zijn Wil en Aanwijzingen voor te leven opdat heel de aarde hem erkennen als de God der wereld, de Enige.
Binnen Israël is er de uitverkiezing van Levi als speciale stam die de opdracht kreeg om de heilige voorwerpen te dragen en dienst te doen in het heiligdom. De Levieten kregen geen erfelijk stuk land toebedeeld van Jozua. Zij hoefden ook niet te sloven op het land of te handelen met hun goederen. Zij kregen van de opbrengsten, de tienden van de andere stammen en konden zich verder geheel richten op de dienst aan de andere, de arme, de wees en zij waren geroepen om leraren te zijn. Kwam er teveel binnen dan werd dat omgezet in gouden druiven en daarmee werd de ingang van de Tempel versierd. In tijden van nood ‘plukten’ zij dan gouden trosjes…
Binnen de stam Levi is er de uitverkiezing van Aäron, de broer van Mozes. Alleen via zijn lijn ontstond de priesterlijke orde der Kohaniem. Alle andere Levieten bleven en zijn tot op de dag van vandaag ‘hulpjes’ van de Cohen, de priester. Ook in de hedendaagse synagoge wassen bijvoorbeeld afstammelingen van Levi de handen van mannen die afstammeling zijn van Aäron (Kohaniem). Daarna zegenen de Kohaniem, hun hoofd bedekt met het gebedskleed (talliet), de gemeente met de priesterlijk zegen uit Num. 6:24-26 (De Here zegene en behoedde u ev.).
De uitverkiezing lijkt enigszins op het beeld van de Tempel: de Buitenhof als Israël, het Heilige daarbinnen als de stam Levi en het Heilige der Heilige als de kern van de kern in de lijn van Aäron. Aäron was de Kohen haGadol, de Hoge Priester. Een dochter van een kohen die met een niet-kohen trouwde verloor haar status en haar kinderen worden niet als kohens beschouwd. Het is bijzonder dat de overdracht van de priesterlijke vader op zoon niet alleen een geestelijke overdracht is maar ook fysiek kan worden aangetoond. Eind vorige eeuw zijn aan de hand van genetisch onderzoek binnen Joodse gemeenten verdeeld over de wereld bij 80% van de kohaniem genetische kenmerken op het DNA ontdekt die alleen zij als kohaniem met elkaar deelden. Bij niet-kohaniem was datzelfde gen maar bij 20% aanwezig (dat zou overigens kunnen aantonen dat er veel meer kohaniem zijn dan we weten…). Onder niet-Joden was dit gen bij 5% aanwezig. Doordat de kohaniem van overal ter wereld getest werden, van de VS, Afrika tot Jemen en het verre oosten kan men stellen dat deze priesters van één en dezelfde familie afstammen. Het gen kwam zowel voor bij de huidige tweedeling van het Joodse volk, de Asjkenazische en de Sefardische Joden. Het gen wordt alleen overgedragen van vader op zoon via het Y-chromosoom. Doordat deze kennis al eerder werd onderzocht en verondersteld accepteerde het rabbinaat in Israël ook de toetreding van de min of meer eeuwen ‘ondergedoken’ zwarte Ethiopische Joden omdat hun kohaniem hetzelfde gen op het DNA hadden als de blanke kohaniem.
Bron: The Coming Revolution, studie uitgevoerd aan het Technion in Israël olv. o.a Prof. Karl Skorecki en het Rambam Medical Center in Haifa. In samenwerking met Amerikaanse en Engelse onderzoekers. Gepubliceerd o.a. in magazine Discovery 1997.