13-10-2022

De God der Hebreeën is Echad: uniek

(Studietafel Beth, twee)

De God der Hebreeën is ‘echad, enig, uniek. Hij is niet één van de vele volksgoden of scheppingsmachten (‘elohim of tsêbha`oth), Hij is niet de God van de filosofen, niet te vereenzelvigen met het meest algemene, met wat in heel de schepping en in alle mensen aanwezig is, de oerstof, de oervonk. De God der Hebreeën is met niets en niemand te vergelijken. Hij is de Schepper van hemel en aarde, Hij is niet een ‘elohim, maar Elohim, oneindig hoog verheven boven alle andere goden: Hij is Heer der hemelse machten, Adonaj tsêbha`oth. Zoals een kunstenaar onvergelijkelijk ver verheven is boven zijn kunstwerk – tussen Chagal en de ramen van Chagal is een onbeschrijfelijk groot verschil, dat zijn twee totaal verschillende werkelijkheden – zo is Israëls God een radicaal andere Werkelijkheid dan de onze. Hij is volslagen uniek en Hij openbaart zich ook in het unieke: in unieke scheppingsverschijnselen, geen twee blaadjes aan de boom zijn gelijk; in unieke mensen; in het unieke volk Israël, in de unieke gestalte van Jêhoshua van Nazareth; in de unieke vereniging der volken rondom de ene, unieke Rots Tsion in het hart van de unieke stad Jeruzalem (Jes.2:1-4).

Er is woordverband tussen ‘echád אחד (één) en ‘achér אחר (andere, tweede, volgende, latere, Gen. 4:25; 30:24). In de Hebreeuwse Bijbel wordt in Deut. 6:4 de letter Daleth van Echád  אחד groot geschreven om het verschil duidelijk te maken: Israëls God is Enig en niet gelijk aan één van de anderen, van de lateren, van de oneindig veel later geschapen goden!

De God der Hebreeën is ֵEchád: Eén, uit één stuk

Israël God is Echad, dat wil ook zeggen dat Hij uit één stuk is: Hij doet wat Hij zegt. Hij is betrouwbaar. Hij zegt niet vandaag zus en morgen zo. Hij is niet de grillige god van het heidense noodlot. Hij is wel veelzijdig en meervoudig, Hij is Woord en Geest, rechtlijnig en creatief, maar Hij is niet innerlijk tegenstrijdig zoals de onderling kibbelende, Griekse goden op de Olympus. Hij is uit één stuk, Hij is de betrouwbaarheid Zelf. Hij is ook betrouwbaar in heel Zijn scheppingswerk. De scheppingsmachten, de tsêbha`oth, voeren als ‘gedienstige geesten’ Zijn programma zo getrouw uit dat hun onophoudelijke bezigheden dag en nacht en jaar in jaar uit ons zelfs de indruk geven alsof het onveranderlijke natuurwetten zijn!

Het Hebreeuwse woord voor betrouwbaarheid, ’emeth, vertalen wij meestal met waarheid. Maar waarheid in Bijbelse zin is betrouwbaarheid, gegrond op Gods betrouwbaarheid. Dat H²O de scheikundige formule voor water is, dat een steen van een bepaald gewicht altijd met een exact te berekenen versnelde vaart naar beneden valt, zijn wetenschappelijke waarheden, die berusten op de betrouwbaarheid, de ‘emeth’ van Israëls God en op de getrouwheid van Zijn hemelse (verborgen) gedienstige geesten (tsêbha`oth). Dat er ook uitzonderingen op deze regel zijn, daarvan getuigt de Bijbel bijna op elke bladzij. Maar dan gaat het niet om de grillige willekeur van een ondoorgrondelijk goddelijk noodlot, maar om de trouw, de ‘emeth’, van Israëls God aan Zijn volk en aan Zijn mensheid: om Zijn volk te bevrijden uit de greep van de Egyptische verdrukker en Zijn beloften aan Abraham waar te maken, verandert Hij water in bloed, en om zijn volk in woestijn in het leven te houden, om Zijn belofte waar te maken (‘Ik zal U brengen naar een land vloeiend van melk en honing’), verandert Hij een Rots in een waterbron (Ps.114:8 ) en de dagelijkse dauw in broodmeel (manna).

De God der Hebreeën is Echád: Eén, eerst

Dat Israëls God Echad is betekent tenslotte ook dat Hij de Eerste is: Hij is nummer Eén. Het initiatief ligt altijd bij Hem. Niet wij beginnen, maar Hij begint. Hij is begonnen met de schepping, maar Hij nam ook het initiatief tot onze bevrijding: Hij riep Abram uit Ur en Israël uit Egypte, Hij riep ons tot geloof: niet wij hebben Hem uitgekozen, maar Hij heeft ons uitverkoren. Hij nam ook het initiatief tot de radicale vernieuwing van ons leven en samenleven: Hij heeft de Shabat geheiligd, Hij heeft bij de Sinaï Zich voor altijd en eeuwig verbonden met Zijn volk, Hij heeft hen geheiligd tot een Godsvolk. Hij was en is altijd de Eerste! Hem zij alle eer!

De God der Hebreeën is zoals Hij heet: JHWH, Hij geschiedt Altijd en Alom

De God der Hebreeën heeft Zich bekend gemaakt, heeft Zijn Wezen onthuld, in Zijn Naam: ‘Ehjehasher ’Ehjeh(Ex.3:14). Hij maakte Zich op deze wijze bekend, toen Mozes vroeg wat hij moest zeggen als de verdrukte kinderen Israëls hem zouden vragen: ‘wie heeft u gestuurd om ons te bevrijden!’ Antwoord: ‘Aldus zult gij de kinderen Israëls zeggen: ‘Ehjeh (Ik ben Aanwezig) heeft mij tot u gezonden.’ Israëls God heeft Zijn Naam, Zijn Wezen ( Zijn Hart, Zijn diepste Innerlijk) onthuld in een vorm van het werkwoord hajah: gebeuren, geschieden, aanwezig zijn. Wie is Hij? Hij is de Ene, de Unieke, Die daadwerkelijk aanwezig is hier en nu, Die alom en altijd gebeurt, Die de schepping en de geschiedenis voortstuwt naar Zijn bestemming. Hij lijkt niet op een heidense godheid die er ‘ergens is,’ hoog, ver weg, zelfgenoegzaam opgesloten in zichzelf, onbereikbaar voor kleine mensenkinderen in hun nood en wanhoop. Maar Hij is de God Die gebeurt, Die ‘geboort,’ Die naar buiten treedt, Die uittreedt uit Zichzelf, Die neerdaalt, Zich liefdevol neerbuigt, Die met ons is, Immanuël, Die Zich met ons vereenzelvigt in onze schuld en nood, tot in onze dood toe. Hij is letterlijk de geschiedende God, Die in alles wat in de schepping en in het leven van mensen en volken geschiedt, aanwezig is, erbij betrokken is, ieder uur, ieder seconde en op elke plek, Altijd en alom. Hij is er scheppend bij betrokken of oordelend, maar vooral bevrijdend en helend.

Hoe is Hij erbij, hoe geschiedt Hij, hoe beweegt Hij Zich in de stroom van de tijd? Hij is aanwezig, of beter ‘in-wezig’ in de stroom van de tijd als een vis verborgen onder het wateroppervlak, die slechts zo en dan ‘kringen’ maakt aan de oppervlakte of soms even voor ons oog tevoorschijn springt: ‘Zie hier is Uw God!  Zie Ik ben er ! (Jes.52:6; 65:1).’ Deze Inwezigheid van Israëls God in alles wat gebeurt, geeft aan alle gebeurtenissen een teken-karakter. Wat voor de schepping geldt – ‘t is alles een gelijkenis van meer dan aards geheimenis’ (Jan Wit, Liedboek 479:3) – geldt ook voor de geschiedenis: alles spreekt van Hem. In het bijzonder geldt dit van de Bijbelse geschiedenissen: het zijn gewone gebeurtenissen (Uittocht, Doortocht, Intocht) maar het zijn ook ‘gelijkenissen’, die spreken van Hem, Die gezegd heeft: ‘Ik ben met u’, Immanuël, Ik Ben Die ik Ben, ‘Ehjeh ‘asher ‘Ehjeh.

Het ‘kerngebeuren’ van de God der Hebreeën is bevrijden

Het meest kenmerkende van de God der Hebreeën is Zijn bevrijdend handelen: de werkwoorden hajah היה (geschieden,waarvan de naam: JHWH1)) en jasha ישׁע (bevrijden, waarvan de naam Jehoshua) zijn feitelijke synoniemen. Heel de Hebreeuwse Bijbel is onder dit ene thema te vatten: ‘Elohénu hoshia`, moshia`, jehoshia` (onze God heeft bevrijd, bevrijdt, zal bevrijden). Hij bevrijdt de schepping uit de chaos, Hij bevrijdt Noach met zijn gezin uit de zondvloed, Hij bevrijdt Abram en Saraj uit een multireligieuze, verwarrende (‘babylonische’) cultuur, Hij bevrijdt de kinderen Israëls uit de tirannie van Egypte, Hij bevrijdt bij de Sinaï Zijn volk uit het krachtenveld van de satanische schuldeiser: Hij vergeeft hun zonden, neemt ze op Zich en draagt ze weg, zoals gesymboliseerd in het ritueel op Jom Kipur waarbij één van de offerdieren de zonden van het hele volk op zich neemt en wegdraagt2).

De God der Hebreeën is één en al Woord

De God der Hebreeën is Woord, Levend Woord, Woord en Geest inéén, Doorademd Woord. Anders gezegd: Israëls God is een ‘WoordWezen,’ de ‘grondstof’ van Zijn Wezen is Woord, Zijn gestalte is Stem (Deut.4:12). Hij is geheel en al opgebouwd uit Woorden: Zijn ogen3), Zijn oren, Zijn handen, Zijn machtige armen. Eén en al Woord is Hij, Levend Woord. Ook al Zijn Werken, alle scheppingsverschijnselen zijn in wezen woorden. Of beter nog: ant-woorden, weerklanken op Zijn scheppende Stem.

De God der Hebreeën hult Zich in woorden

Hij, Die het Woord Zelf is, hult Zich ook in woorden: de Heilige Schrift is Zijn ‘gewaad,’ de Bijbel is de ‘bekleding’ waarin Hij Zelf op ons toekomt, een kleed van Woorden. De Hebreeuwse woordenschat is niet groot – er zijn nauwelijks 8800 Hebreeuwse woordstammen – maar het gewicht van deze schat is oneindig: elk van die duizenden woorden is een weerklank van het Woord Zelf. Elk Bijbelwoord is direct of indirect, positief of negatief, betrokken op de Werken van Israëls God in schepping en geschiedenis.

De Bijbel is Zijn gewaad, de schepping Zijn opperkleed

Als de Bijbel Gods gewaad is – een gewaad van Woorden – is de schepping Zijn opperkleed: ‘Hij hult Zich in het licht als in een mantel (Ps.104:2);’ licht is Zijn eerste scheppingswoord, Gen.1:3. Israëls God laat Zich horen in de tekentaal van heel de schepping: bomen, bloemen, dieren, alle scheppingsverschijnselen zijn als hiëroglyfen, waarin Gods majesteit, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid zich laat ontdekken, zich laat ontcijferen (Rom.1:20). ’t Is alles een gelijkenis van meer dan aards geheimenis’ (Jan Wit, Liedboek van de Kerken  479:3). Maar het meest direct en het allerhelderst laat de God der Hebreeën van Zich horen in de woorden van de Heilige Schrift: voor de gelovige Bijbellezer maken de Woorden zich los van het papier en gaat God rechtstreeks tot hem of haar spreken. ’Woorden, woorden, het oor op de rails van de taal en gij hoort de Allerhoogste op ons niveau aankomen in de verte’ (Barnard, ‘Lofzang is geen Luxe’ p. 30).

De drijfveer van God der Hebreeën is Zijn Unieke Liefde

Wat drijft de God der Hebreeën? Waarom daalt de Hoog Verhevene af en keert Hij Zich naar ons toe? Waarom keert Hij Zich niet af van Zijn wereld, van Zijn volk, van zijn mensheid. Waarom bevrijdt Hij Zijn schepping telkens weer: na het oergericht (Gen.1:2,3); na de Zondvloed (Gen. 6:13,14) en tot op heden?  Waarom neemt Hij onze schuld op Zich en draagt die weg? De drijfveer van Zijn bevrijdend en heiligend Handelen is Liefde: een Unieke, Heilige Liefde. Hij heeft niet alleen lief, maar Hij is Liefde. Niet een Liefde die erotisch de ander naar zich toetrekt om zich aan hem of haar te bevredigen, niet een liefde die de ander ziet als een verlengstuk van zichzelf. Maar een Zichzelf verloochende Liefde. Een liefde die ruimte schept voor de ander om er te zijn, om zichzelf te zijn, een liefde die op afstand blijft, met respect voor het eigene van de ander. Maar ook een liefde zich desnoods vereenzelvigt met de ander, zich in hem of haar verplaatst en de last overneemt, op zich neemt en wegdraagt. Zijn Liefde is plaatsmakend en tegelijk plaatsvervangend.

Het is deze unieke, heilige Liefde die nu al eeuwenlang de God der Hebreeën drijft tot Zijn bevrijdend en heiligend handelen. Daarom Hij keert Zich niet af van Zijn wereld, van Zijn volk, van zijn mensheid. Maar daalt Hij af en treedt Hij binnen in onze wereld, in de ruimte en de tijd die Hij voor ons heeft vrijgemaakt, als een architect die zijn bouwvallig bouwwerk binnentreedt om te bezien hoe het nog te redden is. Hij bekijkt niet alleen de rampzalige ruïne van onze moderne samenleving met al zijn verwarring en verstoring, maar Hij vereenzelvigt Zich met ons alsof Hijzelf schuldig is aan de verwording en ontaarding van ons leven en samenleven, Hij verplaatst Zich in ons. Omdat Hij ons liefheeft, omdat Hij Liefde is, een liefde die gesymboliseerd is in het offerritueel op Jom Kipur, waarbij één van de offerdieren alle schuld van heel het Godsvolk op zich neemt en wegdraagt (Lev.16:21), een liefde die een unieke historische gestalte kreeg in de Man van Nazareth: Zie het Lam Gods! (Joh 1:29).

Hij is ook bevrijder van de schepping

Het Bevrijdend Handelen van de God der Hebreeën voltrekt zich vooral op het vlak van de menselijke geschiedenis: Hij bevrijdt Noach, Abraham, Israël. Maar Hij is ook de Bevrijder van de schepping, van de planten en dierenwereld, die lijden en zuchten onder menselijke tirannie, die in de greep is van negatieve machten. Men kan zelfs stellen dat al in Genesis 1 sprake is van Zijn bevrijdend Handelen: Hij heeft Zijn aarde bevrijd, niet alleen uit de wateren van de zondvloed, maar ook uit het diepe duister van totale woestheid (of: verwoesting4)) en ontlediging (‘tohu wabhohu’). En dat biedt perspectief, ook voor de toekomst van onze vervuilde, verziekte, verminkte aarde waar de ‘woestheid,’ de woestijnen onweerstaanbaar opdringen.                                                                  

jasha moshia jehoshua

Het werkwoord ישׁע jásha: bevrijden heeft een voorrangspositie. De Bijbel is kortweg het Boek van de bevrijdingen. Dat begint al in Genesis: God heeft de schepping bevrijd uit de chaos, want de aarde was woest en ledig gewórden (naar we mogen aannemen: geworden in een oergericht, want er staat in Gen.1:3 een vorm van het werkwoord van de Naam: היתה(hájetáh: geschieden). Daarna heeft Hij Noach bevrijd uit het gericht van de zondvloed en Abraham uit een ten dode gedoemde afgodische cultuur. Een dan volgt het grote bevrijdingsverhaal: Hij heeft de kinderen Israëls bevrijd, niet alleen uit het tirannieke Egypte, maar ook uit een geestelijke tirannie. Bij de Sinaï heeft Hij hen bevrijd door hen te heiligen; hen voor altijd en eeuwig met Zichzelf te verbinden.

Wat geldt voor de Bijbel geldt uiteraard ook van de God van de Bijbel. Hij is geen studieobject, maar studiesubject: Hij spreekt ons aan en Hij spreekt in ons. Hij spreekt ons aan in Zijn Woord en in Zijn Werken, in schepping en geschiedenis en Hij spreekt in ons door Zijn Geest. De God der Hebreeën, Woord en Geest verenigd in de Stem, is een Levend Wezen, met ogen om de ellendigen te zien, oren om naar hen te luisteren, voeten om naar hen toe te gaan en handen om hen op te richten. Hij is geen onpersoonlijke Kracht, maar een ‘Ik’ die handelen kan, scheppend en bevrijdend.

En al Zijn werken zijn in wezen woorden. Of beter, al Zijn werken zijn ant-woorden, weerklanken op Zijn Stem. Toen Hij riep ‘er zij licht!’, was het daglicht het antwoord. Alles om ons heen alle scheppingsverschijnselen, ook wij zelf zijn antwoorden, echo’s op Zijn roepstem: Hij sprak en er kwam een echo, een antwoord. Zijn Stem weerklonk tegen de ‘wanden van Zijn Aanwezigheid.’ Want Hij sprak niet in het lege Niets, maar in de Ruimte die Hij binnen Zijn Aanwezigheid had ingeruimd (Hand.17:28). Het gebed: ‘Verlos ons van de Boze’ is gefundeerd in Zijn volbrachte Bevrijding, gefundeerd in Zijn Naam: Jihjeh-Jehoshua יהיה יהושׁע.

Het helderst is Hij hoorbaar in de Bijbel

Omdat alles door Gods Woord geworden is, is Hij te horen in de tekentaal van heel de schepping: alle scheppingsverschijnselen zijn hiëroglyfen van de Schepper. Maar het helderst hoorbaar is Hij in de taal en het allerhelderst in de taal/woorden van de Heilige Schrift. Taal is geen menselijke uitvinding of bedenksel, taal is een scheppingsverschijnsel; behalve planten, bomen, mensen schiep Hij de menselijke taal, de ene taal die naderhand net als de ene mensheid uiteenviel in een bonte verscheidenheid van talen. Vanaf de oudheid was men het erover eens dat de ene taal van Gen. 11:1 De Hebreeuwse taal is.

De Bijbel is een Boek over een Boek

Er zijn tal van mooie verhalen geschreven over wat er gebeurd is in het verleden van mensen en volken, maar er is geen mooier verhaal dan het gebeuren zelf. Er is geen groter Schrijver dan God de Schepper, Die met de pen van het gebeuren de mooiste verhalen schrijft. Niet alleen het verhaal van Israël en de volken rondom, maar ook onze hele wereldgeschiedenis met Zion in het centrum, is Gods Manuscript.

Als de geschiedenis van God met Zijn volk een ‘geschrift’ is, literatuur, een historisch boek dan is de Bijbel een Boek over een boek, Literatuur over literatuur. De Heilige Schrift is geen literaire bewerking van wat er eens (‘ooit, misschien’) is gebeurd, maar onthulling van een historisch-literair Meesterwerk: de fijnzinnig gelaagde geschiedenis van de ‘Geschiedende God,’ van Hem, Die met ons ging tot in de diepten van onze schuld en dood, en Die daaruit opstond.

Is de God der Hebreeen is weg te redeneren

Nooit is er een moment, nooit een plek waar Hij niet Was, Is en Zijn zal. Zijn Scheppende en Bevrijdende Aanwezigheid is de tijd en de ruimte waarin wij ons bevinden: in Hem bewegen wij ons en zijn wij (Hand.17:28).

Hij is de Tijd-Ruimte waarin wij ons bewegen. Hij is HaMaqom: de Plaats in Wie wij zijn geplaatst, met heel de schepping

‘Hier en nu’, ruimte en tijd zijn twee gegevens, die wij geneigd zijn radicaal van elkaar te scheiden: de vragen ‘waar ben ik?’ en ‘hoe laat is het?’ hebben volgens ons weinig of niets met elkaar te maken. Maar volgens de grote natuurkundige, Albert Einstein, zijn ruimte en tijd in wezen één en dezelfde werkelijkheid. Einstein, de Jood, raakt met deze stelling het hart van de Hebreeuwse Bijbel, want Israëls God is Zelf de eenheid van ruimte en tijd! Hij is er Hier en Nu, Hij is er Alomén Hij is er Altijd. Hij is de Alom-Altijd Aanwezige, Hij de Maqom, de Plaats, waarin wij ons bevinden, met heel de schepping.

De letters van de Naam weerklinken in heel de Bijbeltaal

De fluisterzachte letters Jod, Hé’ en Waw kunnen verklinkeren. Zij kunnen als klinkers dienstdoen bij de vervoeging en verbuiging van alle Bijbelwoorden. Zoals gezegd is heel de Bijbeltaal in het Vierletterwoord JHWH samengevat, maar het omgekeerde geldt ook: in de vervoeging van alle werkwoorden en de verbuiging van alle naamwoorden weerklinken deze drie allerzachtste letters van het Hebreeuwse alfabet, de fluisterzachte י Jod, ה Hé en ו Waw. Deze drie kunnen zelfs geheel onhoorbaar worden, ze kunnen zogenaamd ‘verklinkeren:’ de Jod in de ‘i’, de Hé’ in de ‘á’ en de Waw in de ‘u’ of ‘o’. En als zodanig, in klinkervorm doen de drie GodsNaamletters dienst bij de vervoeging van alle werkwoorden en bij de verbuiging van alle naamwoorden: in alle werkwoordstijden, in alle handelingen, in alles wat geschied is, in heel Israëls geschiedenis, in alle Zijn Werken, in alle werk-woorden weerklinkt Zijn Naam : scheppend, bevrijdend, vergevend, heiligend, troostend, oordelend is Hij Aanwezig.

Maar niet alleen in de werkwoorden, ook in verbuiging van alle naamwoorden doen de fluisterzachte Naamletters dienst, vooral om de bezitsrelaties aan te geven: mijn = י Jod,  zijn = ו Waw, haar = ה Hé’. Kortom in heel de Hebreeuwse Bijbeltaal is de Naam יהוה te horen… ‘met het oor op de rails.’

1) De Vierletterige Naam JHWH is te zien als een samenvatting van de drie werkwoordsvormen, die gevormd worden met de letters Jod, Hé’ en Waw: היה (Hájáh : Hij is geschied, Hij was Aanwezig); יהיה (JihjeH: Hij zal geschieden, Hij zal er zijn) en  הוה(HoWeh: Hij is geschiedende, Hij is Aanwezig). JHWH is als zodanig een eerbiedsuitdrukking, een eerbiedige weergave van de volledige zelfopenbaring van Israëls God: הוא היה והוא הוה והוא יהיה = Hij, Die erbij is geweest en Die erbij is en Die erbij zal zijn = Hij, Die gisteren en heden Dezelfde is en tot in eeuwigheid (Hebr.13:8).

2) Het Hebreeuwse woord voor vergeven is נשׂא násá’: opnemen, wegdragen. Het is veelzeggend dat dit bevrijdingsritueel beschreven staat in het hart van de Torah, precies in midden van het middelste boek, dat in zijn geheel handelt over het herstel en het onderhouden van de relatie met God der Hebreeën (Lev. 16:21).

3) Dat Israëls God ogen heeft die ons kunnen zien in al onze ellende en oren om naar ons te luisteren, voeten om naar ons toe te gaan en handen om ons op te richten, is geen mensvormige wijze van spreken, zoals wij vaak stellen. Niet onze ogen zijn de echte, maar Gods ogen! Immers, Hij schiep ons naar Zijn beeld: onze ogen zijn een afdruk van Zijn ogen en daarom kunnen ook wij oog hebben voor de ellendigen en handen en voeten om hen te helpen (zie ook bij woordstudies onder hoofdwoord Lebh).

4) Achter het woord ‘verwoesting’ steekt de gedachte dat de ‘woestheid’ van de aarde geen statische begintoestand is, maar net als bij de zondvloed samenhing met wangedrag of wanbeheer van de toenmalige schepselen. Volgens een rabbijnse, zeer plausibele uitleg zou de aarde vele keren ‘woest en ledig’ geworden zijn vóórdat God begon aan de herschepping zoals beschreven in Genesis 1, waarbij een geheel nieuw type schepsel ontstond: niet soortgewijs geschapen als de dieren, die naar hun eigen aard zich gedragen (groepcentrisch gericht), maar geschapen naar het beeld van God (gericht op de ander).