In Psalm 126 gaat het om een verrassende omwenteling van pakweg 2600 jaar geleden. Twee maal staat er in de eerste zin van deze Psalm een vorm van het werkwoord שוב (shúbh: omkeren, wentelen). De eerste zin vertaalt men doorgaans als: ‘Toen de Here de gevangen van Tsion deed wederkeren…’
Een letterlijke vertaling is: ‘toen de Here de omwenteling van Tsion weer omwentelde’. In ballingschap gaan betekende voor het vrije Israël een historische ommekeer: ze konden niet meer optrekken naar Jeruzalem: stad en Tempel waren immers verwoest. Daarom was ook de terugkeer uit deze ballingschap zo’n grote ommekeer: stad en Tempel werden herbouwd! Men kon daar weer de Feesten vieren van Israëls God: ‘toen de omwenteling gewenteld werd!’ Later – ongeveer na 600 jaar – kwam er opnieuw een omwenteling. In het jaar ‘70 werden stad en Tempel opnieuw verwoest, nu door de Romeinse veldheer Titus, waarmee de langdurige Romeinse ballingschap begon. Pas in 1948, na een hevige crisis van zeven jaar (1938-45), de hevigste in de Joodse geschiedenis, kwam er de verrassende ‘terug-wenteling:’ de Staat Israël werd gesticht en de ballingen mochten terugkeren.
We staan er vaak niet zo bij stil, maar ook in de geschiedenis van het Christendom is sprake van enorme omwentelingen. De eerste grote historische wending was in het jaar 313: na een eeuwenlange discriminatie, met min of meer verdrukking door de Romeinse overheid kwam toen de officiële erkenning: het Christelijk geloof mocht nu vrijuit zijn stempel drukken op de hele samenleving in Europa, het Midden Oosten en Noord Afrika. De heidense tempels, theaters en arena’s werden gesloten en de Kerk met haar prediking, viering en onderwijs kreeg in elke stad en elk dorp de centrale plaats.
Maar, en het is goed om ook daar eens extra bij stil te staan, aan deze ommekeer ging een zeer zware verdrukking vooraf. In de beginperiode van het Christendom waren er wel verdrukkingen en vervolgingen geweest, zoals o.a. onder keizer Nero en Decius, maar vlak voor de Grote Christelijke Omwenteling was er de zogenaamde ‘grote vervolging’ onder de fanatieke keizer Diocletianus. Vlak vóór het dag wordt, is het meestal het koudst. Zoals de holocaust kwam vlak voor de stichting van de staat Israël, zo kwam ook vóór de Christelijke gemeente eerst de ‘nacht’. Ook ruim zeven jaar heeft deze laatste crisis geduurd, van 303 tot 311. Over deze vervolging en de daarop volgende ommekeer schrijft dr. F. van der Meer in zijn ‘Kleine Atlas van de Christelijke Beschaving’ (pag. 51, 52) o.a. het volgende:
“De toegewijde maar weinig ontwikkelde Diocletianus zag het Christendom als een gevaarlijke staat-in-de-staat; hij besloot deze voor het te laat was uit te roeien. Maar de keizer faalde, het geloof in Christus was niet meer te stuiten. Tallozen, ook vrouwen, en bijzonder veel soldaten en officieren en welopgevoede lieden getuigden ervan met hun bloed, in die ‘grote vervolging’ , van 303-311. Tegenover het onmetelijke paleis aan de Adriatische Zee, waar de keizer, na zijn afstand, zijn nadagen sleet ligt landinwaarts Salona: daar staan nog de resten van de heiligdommen, die de stad oprichtte voor haar martelaren. En dergelijke herinneringstekenen (memoriae) verrezen bij alle steden van het Romeinse rijk, terwijl binnen de muren de nieuwe kerkgebouwen (basilieken) werden opgetrokken, waarin de gemeente der Christenen vergaderde voor de prediking en ook – achter gesloten deuren- voor haar geheimen. Kort na 311 had één der viervorsten, Constantijn – zoon van Constantius Chlorus - zijn mededingers overwonnen en uitgeschakeld: hij gaf aan de Christelijke eredienst dezelfde rechten als die van de oude religie en aan de Kerk een eervolle civiele staat. Zestig jaar later liquideerde de Spanjaard Theodosius het heidendom: de tempels gingen dicht en er was niemand die er iets voor over had ze weer te openen. Het Christendom was vanaf toen de godsdienst van het Romeinse rijk. Het Romeinse leger volgde een standaard bekroond met het naamcijfer van Christus: XP.”
Dr. Van der Meer vraagt zich af hoe het Christendom na 350 jaar van verachting en vervolging het machtige Romeinse rijk wist te overwinnen. Bij de Romeinse schrijver Tacitus en andere heidense schrijvers kunnen we het weinige lezen, dat men anno ’70 van de Christenen vond: “het was een sekte van ‘mensenhaters’, die onrust bracht in het al bekende milieu van de grote-stads Joden, van dat eigengereide volk zonder goden, welks enige Tempel, tezamen met Jeruzalem, juist door Titus was verwoest.” Maar bijna 200 jaar later kende iedereen in Carthago, Antiochië of Rome de bisschop der Christenen. Men wist ook hoe zijn gemeenteleden zich gedroegen: zij schuwden de theaters, meden de tempels en feesten en stonden elkaar in alles bij. In tijden van conflict met de Romeinse staat, meestal vanwege de verplichte offers aan de keizer- verschenen sommigen voor de rechter: zij antwoordden dat zij wel de keizer respecteerden doch slechts Eén God en geen goden dienden, en dat zij christiani (christenen = gezalfden) waren.
Het Christelijk geloof had al vóór het jaar 303 in alle steden van de kerngebieden van het Romeinse rijk aanhangers. Langzaamaan werd de bestaande heidense godsdienst van binnen geheel uitgehold, hoewel het van buiten vaak nog heel wat leek. “Na 313 bleek, dat de enorme façade van het heidendom de leegte daarachter niet meer kon verbergen, zomin voor de intellectuelen als voor de aan de bonte feesten verknochte, maar toch naar waarheid en eeuwig leven hunkerende menigte. Ook zij erkenden tenslotte, dat het beter was de God van de Bijbel te dienen dan hun scandaleuze goden, de meedogenloze staat en het noodlot”. Wat er overbleef van dat ooit zo imposante, door de massa aanvaarde heidendom “slonk ineen tot een minderheid, bestaande uit boeren die aan hun folklore, en een kleine clan van intellectuelen, die aan hun traditie hingen en het Grote (heidense) Verleden niet wensten te ruilen voor de nieuwe alleman godsdienst” — “Doch beide groepen stierven uit, mét de oude heidense cultus. Wat bleef, was de leerschool die het Romeinse rijk overleefde, tezamen met de oude handboeken, Homerus, Cicero en Vergilius”. Tot zover de citaten.
Maar nu de zeer actuele vraag: zou ook het Christendom net als het Jodendom een Tweede Grote Ommekeer kunnen beleven? Zou er, zoals in Ps. 126 genoemd, ook voor de Christenen ‘een omwenteling van de omwenteling’ kunnen plaats vinden? Want na 313 is er veel gebeurd. Eerst kwam er een geweldige opbloei van het Christendom, helaas dikwijls gepaard gaande met vervolgingen van Joden. Christelijke hoogtepunten waren de jaren 1100-1300: met als symbolen de onvergelijkelijk imposante kathedralen in alle hoofdsteden van Europa en in Parijs de theologie van Thomas van Aquino die in zijn studies, het oude Griekse denken probeerde in te voegen in het Christelijk denken zodat het volledig naar zijn mening met het Bijbelse was te verenigen. Maar vanaf 1300, dus ongeveer 1000 jaar na de ‘overwinning’ op het heidendom, begon het heidendom ‘terug te slaan’: het triomfantelijke Christendom begon gaandeweg af te brokkelen. Er kwam weliswaar nog een sterke tegenbeweging: de Reformatie die een beweging terug naar de Bijbel in gang zette, met name ook terug naar de Hebreeuwse Bijbel. Maar vooral na 1650 begon het oude heidendom weer onweerstaanbaar vat te krijgen op de geesten der intellectuelen. Van toen af werd welbewust de Bijbel als uitgangspunt voor het denken en het handelen aan de kant gezet en de mens – ‘wat ik denk en vind en voel’ – werd maatstaf. Eigenlijk kan men wel spreken van een al meer dan 350 jarige vorm van verdrukking voor de Christenen in Europa: al sinds 1650! Soms met heftige vervolgingen en martelaarschap, met name ook in de atheïstisch communistische landen, waar de haat tegen het Christelijk geloof een tot dusver ongekend hoogtepunt kreeg.
Het lijkt er weliswaar op dat deze neo-heidens-Griekse beweging, vooral na de val van het communisme, over haar hoogtepunt heen is. Bovendien zijn in het oude Europa en wereldwijd hoopvolle tekenen van een hernieuwde terugkeer naar de Bronnen van Woord en Geest: er is niet alleen een Beweging die terug wil naar de Geestelijke Bronnen van het oer christendom, maar er is ook de Hebreeuwse Beweging die – en dit in directe verbinding met de Tweede Terugkeer van het Joodse volk naar Tsion – terug wil naar de Bronnen van de Hebreeuwse Bijbel. Maar moeten wij, vóórdat deze beide radicale bewegingen zich volledig doorzetten, vóór de Grote Omwenteling plaats vindt, rekening houden met nog weer een Laatste Grote Crisis zoals in de dagen van Diocletianus? Het heidendom laat zich niet zo maar uitschakelen, het zal alle krachten inzetten om dit eigengereide Joods-Christelijke geloof voorgoed uit te roeien. Na het falen van de atheïstisch communistische ideologie, zal men er alles aan willen doen om de unieke, Bijbelse godsdienst te verdraaien, te veralgemeniseren (katholiseren) en het aan te passen aan het ‘moderne’, Griekse denken. Maar net als toen zal het ook nu niet lukken: de opmars van dit radicaal vernieuwde Bijbelse geloof is niet meer te stuiten. En net als toen zal de massa die nu nog verknocht is aan smartphone, tv, film en theater, aan sportfestijnen en ‘bonte discofeesten’ (met drank, drugs en sex) de leegte achter onze moderne culturele façade ontdekken. En ook de leidinggevende elite (intellectuelen, artiesten, opiniemakers en politici) zullen inzien dat een Hebreeuws gefundeerde cultuur, gebaseerd op de Torah en in hechte verbondenheid met het eeuwenoude, door lijden gelouterde Joodse volk de beste garantie biedt voor een stabiele en florerende samenleving, wereldwijd (Micha 4:1-4; Jes. 2:1-4).
Het Lied van het Land
In Psalm 126 gaat het over de terugkeer naar het Land, het aan Abraham en zijn nageslacht beloofde Land. In één van zijn Bijbelstudies wijst de bekende rabbijn Shlomo Riskin op een merkwaardig gegeven in verband met het voorgeschreven dankgebed na de maaltijd. Op zich is het al van belang te weten, zeker in onze jachtige tijd, dat het een goddelijk voorschrift is om te danken na het eten. Want zo staat het in Deuteronomium 8 vers 11: ‘Gij zult eten en verzadigd worden en de HERE uw God prijzen om het goede land dat Hij u gaf.’ Of zoals het in het Joodse dankgebed na de maaltijd (‘Birkat hamazon’) vertaald wordt: ‘en als u dan naar genoegen gegeten hebt, dank dan de Eeuwige uw God voor het goede land dat Hij u gegeven heeft’. Maar Shlomo Riskin benadrukt in zijn uitleg, dat er niet staat: ‘dank dan voor het voedsel, dat God geeft’ maar ‘dank God voor het land’!
In dit kader vertelt Riskin dan het verhaal van Jaakov Hazan, één van de kibboetspioniers die in het begin van de vorige eeuw, lang voor de Hitlertijd, vanuit Litauwen teruggekeerd is naar het Land van zijn voorouders. Toen de jonge Jaakov nog in Litauwen woonde, leed hij aan anaemia en de dokter adviseerde zijn ouders om hem in de zomermaanden in de buitenlucht op het land te laten werken. Zijn vader kende een niet-Joodse boer die hem wel kon gebruiken. Naar zijn zeggen bewerkte hij samen met de boer het land ‘van de dauw tot aan de schemering’. Daarbij viel het hem op dat de boer ondanks het inspannende werk altijd een glimlach om de lippen had. Toen Jaakov naar de reden daarvan vroeg, zei de boer, enigszins verbaasd: ‘maar hoor jij dan niet, hoe het land zingt? Op dat gezegde bukte Jaakov met de hand achter het oor naar de grond, maar teleurgesteld moest hij rapporteren dat hij niets hoorde, geen enkel lied. ‘Ik weet wel hoe dat komt’, zei toen de boer: ‘het is niet jouw land!’ Dat was het moment, zei Jaakov Hazan, dat ik met een eed heb gezworen om als ooit voor mij de kans komt, ik zeker naar mijn eigen thuisland zal gaan, zodat ook ik kan horen het ‘lied van de aarde’.
Merkwaardig- en daar wijst Riskin eveneens op- dat in de Bijbel ook echt sprake is van dit ‘lied van de aarde’. We lezen in Gen.43:11, hoe Jacob zijn zonen adviseert om de ‘boze heerser’ in Egypte gunstig te stemmen door van ‘het lied van de aarde’ mee te nemen: balsem en honing, gom en hars, terpetijnnoten en amandelen. In Hebreeuws staat er זמרת הארץ (zimrath há’árets, van zimráh: lied, psalm, lofzang). In onze vertaling is dat weergegeven met: het ‘fijnste van de aarde’, wat duidelijk een vervlakking is*. Het bewijst ook eens weer, hoe belangrijk, hoe verrijkend het is om Hebreeuws te leren, om een Hebreeuwse concordantie te leren hanteren teneinde zo de grondtekst of de ‘brontekst’ te kunnen bestuderen!!
* In de Statenvertaling wordt zimrath há’arets heel mooi vertaald, ook heel dicht bij de brontekst, met ‘het loffelijkste dezes lands’, waarin nog iets van het ‘lied’, de ‘lofzang’ doorklinkt.