Velen van u kennen de letter Resh ר. De letter, die sprekend lijkt op de Daleth ד.
Het enige verschil zit in de rechter bovenhoek, die bij de Resh rond is en bij de Daleth scherphoekig, soms zelfs met een kleine ‘oversteek’. Wist u ook dat wanneer u de letter omdraait naar rechts dat deze dan op ‘onze’ r lijkt…?
Resh of ro’sh betekent hoofd. In ons menselijk lichaam is het hoofd het leidinggevende orgaan, het bestuurlijke centrum. Ook in onze menselijke samenleving zijn er hoofden, leidinggevende figuren: in de Bijbelse samenleving zijn de oudsten de hoofden in het gezin, familie of volkssamenleving.
Het Resh-thema
In de Bijbel zijn alle mensen gelijk, maar niet gelijktijdig: er zijn eerderen, ouderen, ouders en oudsten, die eerder dan de anderen in het leven geroepen zijn. De eerderen zijn letterlijk uitverkorenen, want niemand kiest zijn eigen geboortedatum: dat mijn vader er eerder was dan ik is puur Gods uitverkiezing. Deze door de Schepper uitverkorenen moeten als vertegenwoordigers van God gerespecteerd, geëerbiedigd worden: “Eert uw vader en uw moeder.” De eerderen moeten geëerd worden als de hoofden: zij zijn de Resh-mensen, de leidinggevende organen in Gods Koninkrijk. Eerbied voor de eerderen is de basis van een hechte en duurzame samenleving.*
De Resh-mens is de drager van het beginsel: Resh (Reshiet) betekent behalve hoofd ook beginsel of principe. Het beginsel waardoor alles geschapen is en waardoor alles heel blijft is het Woord: zonder het handhaven van de principes, die in het Woord zijn gegeven, vervalt de schepping tot chaos. Leiding geven aan gezin en samenleving kan niet volgens eigen principes, inzichten of gevoelens, maar alleen aan de hand van het Woord: alleen wie zich door het Woord laat leiden, kan een leider zijn.
Ook alleen dan hebben ouders en oudsten gezag – gezag hangt samen met zeggen en gezeggen – wie slechts eigen inzichten overdraagt (wat ik vind, wat ik voel) heeft in wezen niets te zeggen, heeft geen zeggingskracht, geen gezag.**
Het is niet zonder zin dat de letter Resh volgt op de letter Qoph nauwe opening in het Hebreeuwse Aleph-Beth: alleen wie door het oog van de naald gegaan is, wie bij het passeren van die nauwe opening in principe afstand gedaan heeft van al het eigen bezit, ook geestelijk bezit (overtuigingen, opvattingen), kan het Woord dragen, overdragen. Alleen wie zijn eigen ‘hoofd verloren’ heeft, kan hoofd zijn over anderen, kan anderen voorgaan, kan een voorganger zijn in het horen naar het Woord, in het saamhorig zijn. Een Resh-mens moet een Qoph-mens zijn: zonder de Qoph-ervaring komen de uitverkorenen, ouders en oudsten niet tot levensrijpheid, maar blijven zij zich gedragen als grote kinderen, egocentrisch en eigenwijs.
* De erkenning van de rangorde in de tijd – d.w.z. van de bijzondere positie van de oudsten in familie, gezin en samenleving als Gods geroepenen, als Zijn uitverkorenen in de tijd – is de erkenning van Gods verkiezend handelen: Hij schiep de één eerder dan de ander. Dit respect voor Hem, Die in Zijn welbehagen de presbyters (oudsten, ouders en oudste zonen) heeft uitverkoren, geeft garantie voor wel-vaart: ‘Eert de presbyters (vaders en moeders) en het zal u wel-gaan in het land dat Ik u geef (Ex.20:12).’ Zonder dit basisprincipe van de ongelijktijdigheid, ontaardt elke democratische samenleving op den duur in schijndemocratie, eerst in demagogie, dan in anarchie en tenslotte in dictatuur. Ook de wereldsamenleving van de ‘70’ volken krijgt geen vrede zonder erkenning van de oudste der volken: Israël, Gods eersteling, Zijn presbyter. Een presbyteriale samenleving, nationaal en internationaal, zal uitzicht geven op stabiliteit, vrede en welvaart.
(In de lijn van de Joodse traditie wijst de apostel Paulus op de uitverkoren positie van de oudste weduwen in de Messiaanse gemeente als bijzondere ‘vrouwelijke presbyters’ (1 Tim.5:3,9).
** De hoofden zijn geen heersers, maar dienaars, die hun gezin, familie of volk dragen: zij zijn letterlijk een נשיא násí’: ‘drager’, voorganger, vorst.
Oudsten zijn kohén כהן en melekh מלך
De tweeheid van de Resh komt ook tot uitdrukking in de dubbele taak van ouders en oudsten. Zij zijn niet alleen כהן kohén eredienaar, priester,* die door dankzegging, bêrákháh, het leven van alle dag heiligen, verbinden met de Heilige, maar zij zijn ook melekh מלך dienaar, koning, degenen die dienend, zorgend en ondersteunend aanwezig zijn. Het woord melekh מלך hangt mogelijk samen met hálakh הלך gaan: een melekh, een koning is letterlijk een vóórganger, die het volk vóór gaat in het dienen, een dienaar bij uitstek.
Kohén en melekh, de twee taken van de oudsten, zijn eigenlijk twee posities: de kohén staat met het gezicht naar God toe, hij kaatst de liefde van God terug in lofzegging, liederen en gebeden en de melekh (andere positie) staat met de rug naar God toe, hij laat Gods liefde doorstromen naar deze wereld.
* Het woord ‘priester’ is afgeleid van het Griekse ‘presbyter’ (oudste). Het is in feite een verwarrend woord: in de loop van de geschiedenis zijn de oudsten aan de kant gezet door de ‘begaafden’ of ‘specialisten’.
De mal’ákhím: gezanten, boodschappers van bevrijding en vrede
Een bijzondere figuur die niet zo zeer naast de oudsten/hoofden staat, maar eerder, van Godswege, er tegenover, is de mal’ákh,* de Goddelijke gezant. Het woord מלאך mal’ákh: gezant, bode, ook engel, gezondene of apostel lijkt op מלך melekh: dienaar, koning: het enige verschil is de א Aleph, de één, 1, die er tussen in staat. Een mal’ákh מלאך is een bijzondere melekh מלך, een dienaar in wie rechtstreeks de Stem (א) ter sprake komt: zo zegt de HERE. De mal’ákh is niet alleen de heraut, die in donkere tijden als iedereen, ook de leidinggevenden de moed in de schoenen zakt, Gods Bevrijding verkondigt en het Messiaanse rijk aankondigt, maar hij of zij is ook diegene die voortdurend het volk, de oudsten met name, oproept om niet ‘rond’ te worden, om niet in zichzelf te keren, in de greep te raken van de verleidelijke slang.
De mal’ákhím (mv. van mal’ákh) worden niet gekozen op grond van hun leeftijd (zoals de oudsten) of op grond van hun begaafdheid of afkomst (zoals de musici en andere begaafde assistenten), maar omdat de HERE God hen kiest en roept. Deze uitverkorenen zijn niet allereerst de edelen, de adellijken, maar juist vaak zij die in een achterstandspositie verkeren, zoals herders in Bethlehem en eenvoudige vissers uit Galilea, die als eersten Gods grote daden mochten verkondigen*.
* Tegenover de dubbele taak, die de presbyter (oudste) heeft als kohen, priester, eredienend en als melekh, koning: dienende, bestuurlijk en pastoraal, helpende, kan men de andersoortige bediening van de מלאך mál’ákh: boodschapper, engel ook omschrijven als ‘de persoonlijke gezant of woordvoerder van Israëls Koning’ of als ‘Zijn heraut die bevrijding (jêshuáh) en vrede (shálóm) verkondigt’. Deze gezanten tezamen ‘belichamen’ de komende Messias-Koning: ter plaatse vormen zij samen de Messiaanse gemeente. Deze ‘gezanten’ of ‘boodschappers’ zijn eerder dan de andere volksgenoten geroepen, uitverkoren. De Messiaanse gemeente of ekklesia is een groep van eerderen of ouderen in het geloof: in deze kring van gelovigen kan het kind ouder zijn dan de vader of moeder, omdat het eerder geroepen en aangesproken werd door het Bevrijdende Woord van Israëls God. Daarom kent de Kerk ‘jonge’ ouderlingen, die volwassen zijn in geloof.
Er is onderscheid tussen het ‘lichaam’ van de Messias en het volk van de Messias (Israël) met in hun spoor de ‘70’ volken die zich aan Israëls Koning onderwerpen. Anders gezegd: ‘Kerk’ is niet hetzelfde als ‘Koninkrijk’. De Kerk, de Messiaanse gemeente, is slechts heraut en voorloper van het Godsrijk dat vanuit Zion alle volken zal omvatten.
Mêl’ákhím in groepsverband
Onder Israël was niet alleen sprake van enkelingen als Elia en Elisa en Jesaja, maar ook van groepen: profetengroepen. Na de uitstorting van de Heilige Geest op het feest van de Nun, Pinksteren/Shabhuoth (= de vijftigste dag na Pasen) verschijnt de ekklesia in Jeruzalem, de ‘geroepen groep’ die geroepen en uitverkoren is om onder de 70 volken Gods Bevrijding (Jeshu`áh) te verkondigen en de Bijbelse levensstijl voor te leven en de volken op te wekken om in saamhorigheid met het Joodse volk Torahstudie te doen.