06-10-2023

De ‘verborgen’ Psalm uit Kronieken – deel 2

De eerste verzen vanaf vers 8- 22 zijn in dit artikel te lezen. Het Boek Kronieken is naar alle waarschijnlijkheid geschreven tussen de periode van Ezra na de ballingschap tot aan omstreeks 350 BC. Het eerste Boek Kronieken is een aanvulling op 2 Samuel en beschrijft de theologische geschiedenis van met name Judah.

In het Hebreeuws heet dit boek Dibhrej ha’jamiem דִברֵי הַיָמִים. Dibhrej, de gebeurtenissen, de woorden of zaken is het meervoud van het woord dábhár, woord דָבַר. God Zelf is Woord. Het boek gaat dan ook vooral over Zijn handelen en spreken met het volk. Jámiem zijn dagen יָמִים (de samenstelling van die twee woorden heet taaltechnisch gezien een schmichut, aanleunvorm en daarom valt de Sluitmem achter dibhrej דִברֵי weg). Letterlijk vertaald betekent Kronieken ‘De woorden van die dagen of de gebeurtenissen van die tijd.’

Kronieken is het laatste Boek van de Tenach of Oude Testament volgens de originele versie/volgorde. Vertalers hebben, mogelijk wel met alle goede bedoelingen in het achterhoofd, de Hebreeuwse Bijbel toegankelijk willen maken voor een breder publiek en kozen daarbij voor een andere volgorde van de Bijbelboeken, meer chronologisch, meenden zij. Een Hebreeuwse tekst vertalen is echter niet zo gemakkelijk, eigenlijk niet goed mogelijk omdat het ‘t Woord van God Zelf betreft en iedere vertaling is een verschraling en doet iets af van de Grootheid van Hem Zelf als zijnde Woord. Bovendien is de originele volgorde ook zinvol: Torah, het centrum van de Onderwijzing van Adonai, als een Heilige der Heilige; vervolgens de Profeten (Nebhi’iem) die verwijzen naar de Onderwijzing en het volk steeds terugbrengen naar de Bron, als beeld van het Heilige. Tenslotte de Geschriften (Ketubhiem) waarin de liefde voor Gods Onderwijs doorklinkt zoals o.a. de Psalmen. Ook zien we hier in de geschiedschrijvingen hoe God Zijn volk beschermd en onderwijst. De Geschriften, waaronder ook Kronieken valt, kunnen we dan zien als de Voorhof. De originele volgorde is derhalve niet een typisch chronologische volgorde maar wel een ‘Bijbellogische.’

De ‘Verborgen Psalm’ is bijna één grote lofzang. David brengt onder luid gejubel en dans de Ark van het Verbond naar de Stad van David. Even daarvoor gaf Adonai aan David de overwinning op de aartsvijand: de Filistijnen. Werkwoorden die we tegenkomen in deze psalm zijn o.a. Loven, Zingen, Beven, Heiligen, Danken, Blij zijn in Hem, Hem zoeken, Hem altijd voor ogen hebben, Herinneren, Proclameren, Evangeliseren, Zijn daden bekend maken maar David roept ons ook op te bidden om bevrijding en redding uit de ballingschap.

Het laatste vers (22) wat we in de vorige editie bespraken is Raak mijn gezalfden, messiassen niet aan.’ Aanraken is nagá נָגָע. De eerste keer in de Bijbel komen we dit woord tegen in Genesis 3:3. Chava/Eva mocht de Boom van kennis van goed en kwaad niet aanraken, zei Adam. We kunnen ons afvragen hoe Adam aan dat advies kwam want we lezen niet dat God tegen Adam zegt dat we de boom niet mochten aanraken. We mochten er niet van eten maar mogelijk had Adam al gauw door dat zijn ‘tegenover’ de neiging had om ‘met de handen te kijken’ 😊. Ook in Genesis 26:6 komen we het werkwoord naga tegen. Op deze plek vertalen we naga met iemand iets aandoen: Avimelech zegt tegen zijn volk dat Abraham geen kwaad gedaan mocht worden. In het Boek Ruth waarschuwt Boaz dat de werkers Ruth niet mochten lastigvallen. Waren de eerste 14 lofzangverzen (vanaf vers 8) terug te vinden in Psalm 105; de volgende 11 verzen vinden we bijna letterlijk terug in Psalm 96.

Vers 23 ‘Zingt tot de Here heel de aarde.’ David dacht groot! De eerdere verzen zijn meer bedoeld voor het nageslacht van Israel, maar hij roept nu heel de aarde op om Hem bezingen! God is immers de Schepper, Bevrijder en Rechter over héél de aarde (vers 14), Zijn rechtspraak gaat over heel de wereld. Abraham erkende God’s grootheid als eerste toen hij in Genesis 18: 25 zei tegen Adonai: ‘Zou (U) de Rechter der gehele aarde geen recht doen?’ Vandaar, zegt David, dat iedereen Hem behoort te bezingen, heel de aarde. Opnieuw is ook dit vers een oproep tot evangelisatie! Davids oproep klinkt vanuit het liturgisch centrum der wereld: Jeruzalem. Letterlijk staat er ‘zing tot God, heel de aarde:’ gezegd tegen alle aardbewoners, want het werkwoord staat in het meervoud: shiru שִׁירוּ.

Het is niet genoeg dat alleen Israël God erkent. Zijn soevereiniteit moet door héél de wereld worden geaccepteerd, is Davids oproep. Wat is ervan gekomen? Israëls God wordt wel erkend door vele wereldbewoners, maar de oorspronkelijke boodschappers, de Joden, zijn dikwijls zelf niet erkend als dragers van het Woord. Er is Hebreeuws woordverband tussen shier שִׁיר en bisér בִשֵׂר: beide werkwoorden zien we terug in vers 23. Shier is zingen en bisér betekent proclameren, verkondigen. Bisér is de zogenaamde versterkte/intensieve vorm van het werkwoord básar. Proclameren is intensief, nadrukkelijk verkondigen, eventueel al zingende. Besora בְשׂוֹרָה betekent: ‘boodschap’, het Evangelie, de goede boodschap, is ook afgeleid van het werkwoord proclameren.

Aarde is het woord erets אֶרֶץ en aan het einde van een zin spreken we het uit als arets. Erets betekent ook land. We praten over Erets Yisrael, het land Israël. Israël is zo klein als het land Israël, maar zo wijd en omvattend als heel de wereld. Wat moeten we dan proclameren: dat er bevrijding is! Het gaat weliswaar in de Bijbel om Gods Koninkrijk op aarde wat gestalte moet krijgen. Maar het draait in de Bijbel om bevrijding: Yeshuah יְשׁוּעַה, want God is hoe dan ook een God van bevrijdingen, voor ieder persoonlijk en voor heel de aarde. Dagelijks bevrijdt Hij ons: verlost Hij ons van de boze. Er is ook letterverband tussen de volgende drie (werk)woorden: bevrijden: jasha יָשָע; uitkijken naar: sha’ah שָׁעָה en poort: sha’ar שָׁעַר. Zo kijken de wachters uit naar bevrijding vanaf de poort: wanneer komt Hij? Sha’ah, uitkijken naar, letten op, komen we voor het eerst tegen in Gen. 4:5: ‘God lette niet op het offer van Kain.’ Ook in Jesaja 31:1: ‘…zij zien uit naar, hulp verwachten van de paarden van Egypte’ en in Jesaja 17:7: ‘Op die dag zal de mens kijken/uitzien naar zijn Maker. Of in 2 Samuel 22:42: ‘Zij keken uit naar hulp, maar er was geen redder, yishu ve’ein moshia ישעו ואין משיע.

Er is ook woordverband tussen sha’ah שָׁעָה en asah עָשָׂה, doen, maken. Yehoshua is de Bevrijder, Degene Die op ons let en Hij is de Doener. Yehoshua betekent letterlijk: Hij doet bevrijden. Dagelijks zegt David: מִי יוֹם אֶל יוֹם mie jom el jom, van dag tot dag. Bevrijding hebben we dagelijks nodig, wist ook David. Verkeerde neigingen of andere verzoekingen kunnen ons dagelijks aankleven. ‘Onze Vader, bevrijd ons van de boze, leid ons niet in verzoeking.’ De dagelijkse brandoffers waren dagelijkse dankzegging van Bevrijdingen. Brandoffers kunnen we vandaag de dag niet brengen, maar wél de lofoffers, zingend dankzeggen en proclameren. David was er vol van en hij vertoonde vast een aanstekelijke vrolijkheid met zijn muziek en lofzang.

Vers 24: ‘Vertelt Zijn eer onder de heidenen, Zijn wonderwerken onder alle volken.’

Saphar סָפַר betekent zowel tellen als vertellen, opsommen, maar ook: schrijven. Een sopher סוֹפֶר is een schrijver en een סֶפֶר sepher is een boek. Israël wordt ook wel het volk van het Boek genoemd, Am ha’ Sepher. God heeft ook een Boek, lezen we in de Bijbel, waarin daden en gebeurtenissen worden opgeschreven (Psalm 56:10; Maleachi 3:16) de namen van hen die God vrezen opgeschreven in Zijn Boek. Ook in het NT lezen we over Gods Boeken en bijv. Boekrollen (Opb. 5 ev.). David spoort het volk aan om van Gods eer te vertellen, het op te schrijven wellicht.

In vers 24 worden twee woorden gebruikt voor volkeren: goyiem en am. Goyiem wordt ook wel vertaald met heidenen. Dit klopt wel en het klopt ook niet. Israel en de volken worden genoemd in de Bijbel, waarbij dan de volken niet-Israëlische volken zijn. Maar God sprak tegen Abraham dat Hij zijn nakomelingen tot een groot volk zou maken: een goi gadol גוֹי גָדוֹל.

עַם יִשְׂרָאֶל חָיִ Am Israël chai: het volk Israel leeft! Vaak wordt am gebruikt voor Israël, of bnei Yisraël, בני ישראל de kinderen van Israël en goi(iem) voor andere volken.

Zijn wonderwerken: niphlotav נִפְלְאֹתָיו. Het werkwoord is pálá פָּלָא, onbegrijpelijk, wonderlijk, onmogelijk zijn. Pálá kan ook betekenen: een gelofte vervullen. Een pele פֶּלֶא is een wonder. Dit woord is het omgedraaide van Aleph אָלֶף, de letter die op God Zelf slaat: God Zelf is wonderlijk, boven alles verheven in al Zijn glorie.

Vers 25: waarom moeten we Adonai loven?

De volgende verzen geven redenen: Hij heeft de hemelen en de aarde gemaakt. Hij is te vrezen boven alle (af) goden die door andere volkeren vereerd worden. Hij is hoog te prijzen – Halal – הָלָל waarvan הַלֶלוּיָה hallelujah. De letter lamed ל steekt als enige letter boven de kantlijn uit in dit woord. Lamed is een aanwijsstok-een prikstok. We mogen uitreiken naar Hem met volle lengte; zingend of met de armen omhoog want Zijn grootheid gaat dwars door de bovenlijn van ons menselijke verstand heen! Psalm 95:3: ‘God is een groot koning boven alle elohiem.’ Psalm 82:1: ‘God staat in de vergadering van goden.’ Alleen God is de ware God.

De vergadering van God is de Edat El עֵדַת אֶל. Een edat is een verwijzing naar een rechtszaal. Het Israëlische gerechtshof wordt in Num. 35: 24/25 een edah עֵדָה genoemd. De rechters zijn Zijn aangestelden. Maar God is De Rechter die in het midden van de vergadering der rechters staat. Rechters zijn ook elohim; God staat in het midden van de verzameling rechters als Opperrechter. Een éd עֶד is overigens een getuige. Psalm 82: 6: ‘Ik zeg: elohiem, goden-rechters, zijn jullie en kinderen, benei elyon, בְנֵי עֶלְיוֹן van de Allerhoogste.’

Vers 26: Elohiem-afgoden, gemaakt door mensenhanden, nietige objecten.

Nietig: aliel אָלִיל. Dit woord bevat wel het woordje voor God, el אל. Men probeerde een beeld te maken van hoe God/El eruit zou kunnen zien. Leviticus 19:4: ‘Wend u niet tot de afgoden, אֶלִיֶלְיָה elieljah.’ Leviticus 26:1: ‘Maak u geen eliel, afgod.’ Waardeloze dokters (kwakzalvers)… רֹפְאֵי אֶלִיֶל rophei eliel, bromt Job in 13:4!

Hemel, hemelen: shamajiem שָׁמַיִם. Er zijn meerdere hemelen. Paulus spreekt over de derde hemel (1 Kor. 12:2) en we kunnen weleens in de zevende hemel zijn :-). De hemel is alles wat boven je voeten uitsteekt w.b. lucht. Dáár begint de hemel. Oneindig ver weg reikt de hemel, maar ook is Hij, Die in de Hemelen Is, zonder dat we het beseffen, ontiegelijk dichtbij! In Genesis. 11:4: de toren van Babel die tot in de hemel reikt. In Genesis 27:28 is de eerste zin van de zegen van Izaak voor Ja’akov: Hij geve je de dauw uit de hemelen!

Vers 27: Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en vrolijkheid zijn in Zijn plaats

Het woord voor majesteit is hod הוֹד wat overigens in Numeri 27:20 te vertalen is als autoriteit. In Numeri geeft God aan Moshe de opdracht om van zijn autoriteit over te dragen aan Jehoshua/Jozua. Heerlijkheid is hádár הָדָר. Dit woord betekent ook: sier, sieraad, luister, pracht, praal, glans, heerlijkheid. Al die betekenissen mogen Gods uitmuntendheid weergeven en al deze woorden schieten tekort! Hij is nog zoveel meer dan dit alles! Het werkwoord van hádár הָדָר is hádar הָדַר 🙂 wat net anders is beklinkerd. Dit werkwoord betekent: sieren, eer bewijzen. Aan God komt alle eer toe!

Een andere betekenis van hádar הָדַר: iemand begunstigen in een rechtszaak. David zegt in Psalm 9:5: ‘Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan; Gij hebt gezeten op Uw troon, o Rechter der gerechtigheid.

Voor Zijn aangezicht is lêphánáv לְפָנָיו. ‘Moet Mijn aangezicht met u meetrekken om u gerust te stellen,’ vraagt God aan Moshe in Exodus 33:14. Zijn aangezicht: dat is Hij Zelf!

Sterkte is oz עֹז. Het werkwoord is ázaz עָזַז, sterk zijn. Wie voor Zijn aangezicht te vinden is, die mag delen in deze sterkte. Sterkte zit hem in het relatie leggen met God, in het gebed en de aanbidding tot Hem. ‘Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog,’ zegt de Psalmist Ethan in Psalm 89:14.

Het woord vrolijkheid, blijdschap chedwah חֶדְוַה komt maar drie keer voor in de Tenach: zoals in Nehemia 8:11b waar staat: ‘Zo bedroeft u niet want de blijdschap des HEEREN is uw sterkte. Ook in Ezra 6:16 vreugde over inwijding van de Tempel. Chedwah heeft woordverband met jadah loven: יָדָה. Wanneer twee stamletters overéénkomen is er dikwijls woordverband te zien en zo kan men ook gemakkelijker woorden onthouden. Hebreeuws is een zeer associatieve taal. In Zijn plaats bimqomo בִּמְקֹמוֹ. Plaats is máqom מָקוֹם. Amsterdam/ Mokum komt van dit woord máqom. Abraham noemt de berg Moriah: De plaats waar de HEERE zal voorzien (Gen. 22:14). In de plaats van Izaak, Jitschaq, wordt een offerlam, een ajil איל geofferd op deze berg. Later stierf Jehoshua bij die plaats voor de zonden van de mens. In de plaats van de ajil wordt later de Messias geofferd, voor eens en voor altijd is Zijn offer, er is geen ajil meer nodig.

Vers 28: ‘Geeft de HEERE, gij geslachten der volken, geeft de HEERE eer en sterkte.’

Geven, gunnen is het woord jáhábh יָהָב. In dit woord staat de verkorte Godsnaam Jahיָה verborgen: ‘Geef Jah eer en sterkte!’ In de gebiedende wijs betekent dit woord ook: komaan, hábháh הָבָה zoals in Exodus 1:10: ‘Komaan, laat ons wijselijk tegen hen handelen.’ Geslachten, families, clans: mishpachoth מִשְׁפַּחוֹת. Alle families moeten God eer en sterkte geven. Toch best een raar vers? Heeft God dan Zelf geen eer en sterkte? Heeft Hij ons nodig om Hem deze dingen nog te geven? Nee! Of…? Hij gaf Zijn leven over aan het kruis, zo sterk houdt Hij van ons, Hij zoekt relatie met de mensen, Zijn volk is het voorbeeldvolk om uiteindelijk heel de aarde aan hem te binden. Wij mensen kunnen Hem niet anders naderen dan met een offer van aanbidding: Geef Hem eer en sterkte! Vertel Hem hoe goed Hij is, hoe onnavolgbaar geweldig!

Vers 29: Breng een offerande, een mincha מִנְחָה

Een mincha is ook een geschenk.

Genesis 32:14: het geschenk van Ja’aqobh voor zijn broer Esav/Esau. In mincha מִנְחָהzit het het werkwoord נַח: rusten. Na het geven van een geschenk komt er rust tussen partijen. Ook God kunnen we geschenken geven: o.a. lofoffers! Shacha שַׁחָה is aanbidden maar ook eerbied tonen door te knielen, …in ‘de pracht, de sierlijkheid van heiligheid.’

Vertalingen geven b.v. aan heilige feestdos, feestelijke kleding, zoals de priesters ook prachtig gekleed waren. Heiligen is apart zetten. Levi wordt apart gezet als stam en binnen Levi de lijn van Aharon: (Exodus 28:41). Ook Tsion is afgezonderd. Afzonderen is op zich niet heiligen. Een aparte dag is nog geen Shabat. Heiligen is met de Heilige verbinden! De heiliging voltrekt zich uitsluitend via de Heilige Zelf. Dus: als God iets heiligt dan zet Hij het apart. En de mens heiligt als antwoord door datgene met God te verbinden.

Vers 30: beef, bibber staat er… chielu חִילוּ. Wij mogen bibberen, beven voor Zijn Aangezicht, vol heilig ontzag. Zouden we voor een reus of olifant van 3 meter of meer die op ons afkomt al niet beven…? Laat staan voor de Schepper van alles! Niet direct uit doodsangst, maar uit vol respect. Een chajal חָיַל is een krijgsmacht, daadkracht. In modern Hebreeuws is een chajal een Israëlische soldaat.

De wereld als geheel staat vast. Niet het woordje arets אָרֶץ, maar tebhel תֶּבֶל gebruikt David hier voor wereld. Tebhel is een poëtische vorm voor het beschrijven van de wereld. Gods wereld staat vast, staat rechtop: van het werkwoord koen כּוּן. Dit heeft woordverband met kohen כֹּהֵן een staander voor God. De wereld kan niet van zijn plek komen, schrijft David.

Vers 31: dat men onder de heidenen zegge: God is koning!

Melekh מֶלֶך is koning; van halach הלך gaan, voorop gaan. De koning gaat voorop in de strijd. In het Duitse woord voor hertog (een koning over een klein rijk) kunnen we dit goed zien: herzog: der herr zog, de heer trok vooruit.

Vers 32 : alles wordt opgeroepen Hem te loven, laat de zee brullen! Met zee wordt in de Bijbel vaak de volkerenzee aangeduid. Brullen is רָעַם ra’am, wat ook: dreunen, donderen, bruisen betekent. In Psalm 98:7 komen we dit ook tegen.

Vers 33: God zal rechtspreken over de aarde en al wat erop is.

Hij komt om de aarde te richten. In Psalm 96 staat er zelfs tot 2 keer: Hij komt! Als een vreugde uitroep. Jesaja 11:4 ‘Want met gerechtigheid zal Hij de armen richten.’ God als Rechter brengt verschrikking onder de arrogante en slechte mensen en blijdschap aan de onderdrukten. Een mishpat is een rechtszaak מִשְׁפַּת. Shapat is rechtspreken שָׁפַּת en oordeel is mishpat‘ met een Teth ט aan het eind: מִשְׁפַּט. Dit woord komt van het werkwoord shapat‘ שָׁפַּט wat betekent: recht spreken, oordelen. Psalm 9:20-21: ‘Sta op, Aanwezige, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw Aangezicht geoordeeld worden. O Aanwezige! Jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten dat zij mensen zijn.’

Nog eens over het rechtop staan, staander voor God: één van de rode lijnen in de Psalm is dat God Rechter is en de aardbewoners zal (be)oordelen en Hij zal rechtop zetten wat de mens omver heeft geworpen. Zijn we wel met elkaar, de aarde, ons bezit, onze tijd omgegaan zoals Hij dat wil?

Vers 34: Zijn chesed is voor eeuwig.

Chesed חֶסֶד, goedgunstigheid, waarvan het woord chasidiem חַסִדִים, vromen, gunstelingen. Voor eeuwig is le’olam לְעוֹלַם en dat is vergelijkbaar met: ‘tot in het duizendste geslacht’ (vers 14).

Vers 35 springt eruit samen met vers 22: Beiden zijn geen lofzang en dankbetuigingen. Vers 22 zegt: ‘Raak mijn messiassen niet aan,’ dit is een oproep, een waarschuwing van God. En in vers 35 is er de oproep tot God om ons te verzamelen uit de verstrooiing, en ons te bevrijden van de ellende die ons wordt aangedaan in de ballingschap. David blikt als het ware eeuwen vooruit; nog steeds is er ballingschap voor het Godsvolk… Deze twee verzen zijn echter wel door de Kroniekenschrijver later toegevoegd aan het oorspronkelijke lied van Asaf/David. ‘Haal ons uit de put’ waarin wij terecht zijn gekomen, in de landen van heidense volkeren die U niet erkennen als de Rechter en Bevrijder. Die uw volk eten als eten zij brood….

Galoet גָלוּת is ballingschap en dit komt van het werkwoord Gala גָלָה, ontbloten. Dit heeft weer woordverband met Galgalta גָלְגָלְתָה, Golgotha waar Hij ontbloot aan het kruis hing om ons terug te kopen uit de ballingschap van de dood. Bevrijd, verzamel en red ons opdat wij uw grote Naam mogen bezingen voor altijd in het land wat u onze voorouders gegeven heeft: het is beloofd aan de nakomelingen van Abraham, Itschak en Ja’aqobh: zie vers 18!

Vers 36: Geprezen zij de God van Israël! En het volk zei: Amen!

Israël ישראל: In de letters zijn de aartsvaders en aartsmoeders te herkennen.

י Jod: Itschak, Ja’aqobh Izaak en Jakob

ש Shin: Sarah Sara

ר Resh: Rivka, Rachel Rebekka, Rachel

א Aleph: Abraham Abhraham

ל Lamed: Leah Leah

Amen אמן komt van geloven, het er mee eens zijn, Prijs de Heer!