Over de terugkeer van de wereldreligies naar de Hebreeuws-Abrahamitische Bron
Alle wereldgodsdiensten komen thuis en hervinden hun eigenheid en originaliteit in het kader van de veelzijdige, Bijbels-Hebreeuwse godsdienst
De eenzijdigheid van de wereldgodsdiensten
De grote wereldgodsdiensten vertegenwoordigen weliswaar een veelheid en rijkdom aan waardevolle inzichten, maar missen de veelzijdigheid en volheid van de Bijbels-Hebreeuwse godsdienst.
De Islam
De Islam ziet zichzelf als een Abrahamitische godsdienst, met Ismaël als hun stamvader. De naam voor G’d, Allah, hangt nauw samen met het Hebreeuwse ‘él en ‘elohím. Het overheersende element in de Islamitische godsdienst is de grote afstand ten opzichte van Allah*. Kenmerkend is het diepe ontzag voor deze Ontzagwekkende Goddelijke Grootheid, wat ook zichtbaar gemaakt wordt in de knielende gebedshouding, diep gebogen met het voorhoofd op de aarde. Dit respect is onlosmakelijk gekoppeld aan het diep ingeprente besef van het komen gericht: er komt een oordeeldag. Het woord ‘islam’ betekent letterlijk onderwerping, wat een kernbegrip is in de Islamitische vroomheid.
* De Islam is, hoewel geconcentreerd op de hoogheid en verhevenheid van Allah, niet eenvormig, er zijn onderling grote verschillen, maar mist toch de kenmerkende veelzijdigheid van de Bijbels-Hebreeuwse godsdienst.
Hindoeïsme
De voornaamste godsdienst van India, het Hindoeïsme, is in tegenstelling tot de Islam niet gericht op de afstand tot de alles en iedereen overstijgende Goddelijke Grootheid, maar juist gefocust op het leggen van een verbinding met dit Grote Mysterie. Kenmerkend voor het Hindoeïsme is de strijd. De strijd om de kwade machten die zich ook manifesteren in de zuigkracht van de aardse, materiële dingen, te overwinnen en op te stijgen tot het Goddelijke niveau , om uiteindelijk, na tal van levens (incarnaties) op te gaan in het Ene Goddelijke waaruit al wat is en leeft geboren is en waartoe ook al wat bestaat eens zal terugkeren, als een vonk in het Goddelijke Vuur, als een waterdruppel in de Goddelijke Oceaan.
Het Hindoeïsme is slechts gedeeltelijk van Indiase bodem, het is een mengvorm van de aanwezige (pré Abrahamitsche) godsdienst met de religie van de uit het Westen binnengestroomde Ariërs of Arya’s*. Het woord arya’s betekent ‘edelen’: voortrekkers dus, die geschikt zijn om leiding te geven. Centraal in de Arische religie en in de daarmee samenhangende Vedische cultuur waren offer en gebed en deze zijn nog steeds bepalend voor het Hindoeïsme. Via fijnzinnige offerrituelen en diepzinnige gebedsspreuken tracht de Hindoegemeenschap onder leiding van hoogontwikkelde priesters (brahmanen) hun leven en samenleving te heiligen, zich te bevrijden uit de demonische zuigkracht van het aardse, materiële en zich op te heffen tot het niveau van het Goddelijke**.
* Over de herkomst van deze Ariërs is maar weinig bekend. De kernwaarden van offer en gebed doen vermoeden dat zijn mogelijk net als de Islamieten van Abrahamitische afkomst zijn, afstammelingen misschien van één van Ketura’s zonen die door Abraham naar het Oosten zijn weggezonden (Genesis 25:6). India ligt pal ten Oosten van Kanaän.
** Hoewel het Hindoeïsme een eenduidige spits heeft, is het niet eenvormig. In tegendeel, de vroegere Indiase president Nehroe noemde het Hindoeïsme ‘een vaag, amorf, veelzijdig geloof, alles voor iedereen’. Maar hoe veelvormig of zelfs veelzijdig ook, het mist de unieke veelzijdigheid die typerend is voor de Bijbels-Hebreeuwse godsdienst.
Boeddhisme
India is ook het stamland van het Boeddhisme en net als het Hindoeïsme wortelt het in de religie van de binnengestroomde Ariërs. Hoofddoel is ook de levensheiliging: de strijd om zich te onthechten van het aardse en de begeerte te overwinnen. Het verschil met het Hindoeïsme is dat het Boeddhisme niet de weg kiest naar Omhoog, naar de ons overstijgende Goddelijke Grootheid, maar de weg naar binnen, naar het eigen goddelijke innerlijk. Men stelt meestal dat het Boeddhisme geen godsdienst is maar een levensfilosofie, een levensweg die tot verlichting leidt en uiteindelijk tot het volledig uitblussen van het ik-besef*: het opgaan als een druppel in de Goddelijke Oceaan. Hoe het ook zij, het is wel een religieuze filosofie. Zeer kenmerkend voor het Boeddhisme is de grote betrokkenheid op het lijden van de medemens: medelijden, compassie is een kernwoord in het Boeddhisme.
* Ons ‘ik’, dat wil zeggen onze puur persoonlijke identiteit, onze eigenheid en originaliteit, onze unieke naam waarmee G’d ons in het leven riep, wordt pas gewekt als de Ander (G’d) of een ander namens Hem, onze ouders, ons aanspreken. Het is opmerkelijk dat Adam (althans in het Bijbelverhaal) pas ‘ik’ zegt als G’d hem aanspreekt: ‘Adam, waar ben jij?’ In het eindoordeel als G’d ieder van ons apart ter verantwoording roept, wordt ons ‘ik’ niet uitgeblust, lost onze eigenheid zich niet op als een druppel in de Grote Oceaan, maar zullen we wellicht ons juist des te meer bewust worden van ons ‘ik’. Ons ‘ik’, ontdaan van alle camouflage, bloot en bevend, oog in oog met de Heilige Zelf! ‘Als Gij HERE onze ongerechtigheden in gedachtenis houdt, wie zal dan bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat gij gevreesd wordt’ (Psalm 130:3).
Confucianisme en Taoïsme
China kent twee religieuze stromingen, Confucianisme en Taoïsme, die beide gericht zijn op hetzelfde thema: er bestaat een nauwe samenhang tussen het gedrag van de mensen (van de koning in het bijzonder) en wat er gebeurt in de natuur. Natuurrampen en andere ordeverstoringen zijn het gevolg van het afwijken van de Goddelijke Orde, het Tao*. In de uitwerking van dit beginsel echter staan beide stromingen radicaal tegenover elkaar. Het Confusianisme spoort zijn volgelingen aan om strikt de Goddelijke Orde te volgen en zich in te spannen om een deugdzaam leven te leiden. Het Taoïsme daarentegen roept juist op dat niet te doen, niet te handelen, daadloos te zijn. Men moet eerder streven naar een geestelijke, mystieke relatie met het Tao, zodat een deugdzaam leven als vanzelf, van binnenuit zich voltrekt. Er zijn Joodse wetenschappers, zoals ooit prof. drs. Henry van Praag, die een historisch verband menen te zien tussen de Joodse levensvisie en het Confucianisme. Opmerkelijk is wel dat bij de woorden Tao en Tora drie letters dezelfde zijn.
Terugblikkend kan men stellen dat de genoemde wereldgodsdiensten overwegend eenzijdig zijn*, maar bij elkaar genomen vertonen zij een grote diversiteit. Opvallend is wel dat één element bij allen ontbreekt, wat hét kernelement is in de Bijbels-Hebreeuws godsdienst van het Oude en Nieuwe Testament: de radicale bevrijding door G’d Zelf. HIJ, G’d met ons, neemt onze zonden op Zich en draagt ze weg, zoals gesymboliseerd is in het offerritueel op Jom Kipur en in de kruisdood van Jêhóshua‘ HaNotsrí. Onlosmakelijk gekoppeld aan dit kernthema is G’ds Heiligend Handelen. De G’d van Abraham, Isaäk en Jacob, Die met ons is, wil ook in ons zijn om van binnenuit, door Zijn Heilige Geest, ons te heiligen, ons met HemZelf te verbinden = radicaal ons te vernieuwen tot Zijn evenbeeld, tot een mens van chesed (daadwerkelijk liefdebetoon) en ‘emeth (trouw, betrouwbaarheid)
* De stelling dat de wereldgodsdiensten lijden aan eenzijdigheid geldt deels ook voor het Jodendom en Christendom. Beide godsdiensten staan weliswaar het dichtst bij de Bijbels-Hebreeuwse Bron waaruit zij ontsproten zijn, maar hebben toch ook bepaalde eenzijdigheden. Het Christendom is sterk gefocust op bevrijding en mist de breedte van de Bijbels-Hebreeuwse levensheiliging op basis van de Mozaïsche Torah. Met als gevolg een eigenwillige, op het heidendom georiënteerde ordening van de tijd en van het aardse bezit. Bovendien heeft men te weinig oog voor de volstrekte eenheid tussen het Oude en Nieuwe Testament waardoor Jêhoshua‘ tot een zelfstandige grootheid wordt, losgekoppeld van Israëls God, zodat veel Christenen geheel te goeder trouw een Griekse, Romeinse of Germaanse ‘Jezus’ aanbidden. Een ‘Jezus’ aanbidding die de basis vormde voor de kerkelijke Jodenhaat en Jodenvervolging en uiteindelijk de voedingsbodem werd voor de Shoa/Holocaust.
Het Jodendom dat juist sterk gericht is op de levensheiliging, heeft weinig oog voor het unieke Werk van de Heilige en Heiligende Geest. De manier waarop men in bepaalde Joodse kring spreekt over onze ‘Goddelijke ziel’ die zich door onze wetsgetrouwheid kan verheffen tot een hoger geestelijk niveau, doet denken aan wijsgerige thema’s uit de Indische religies. Zoals eerder gezegd is naar Bijbels inzicht onze ziel, onze naam, ons diepste wezen, een schepsel en geen goddelijk ‘uitvloeisel’ of goddelijke ‘vonk’. Het is de Heilige en Heiligende Geest Die dit ‘maaksel’ na de bevrijding uit negatieve krachtenvelden wil heiligen, verbinden met de Heilige Zelf en Die Zijn heilige Torah wil graveren op de ‘tafels van ons hart’.
Nieuwe religies?
Volgens sommige godsdienstwetenschappers is er met name in de geseculariseerde Westerse wereld een nieuwe religie in wording: de religie van de ‘Nieuwe Spirituelen’. Het is de vraag of dit echt iets nieuws is, het lijkt meer op een nieuwe vorm van het oude, pré-Abrahamitische heidendom, dat pantheïstisch van aard is. Kort samengevat: G’d is niet transcendent, maar immanent’, niet boven ons, niet ver ons overstijgend, maar gewoon hier beneden. Of anders gezegd: er is ‘Iets Goddelijks’ in alle dingen, in planten en dieren, maar vooral in de mens. ‘Iets positiefs’ dat ons de zo nodige Kracht/Spirituele Energie geeft om onszelf te handhaven in deze verwarde, perspectiefloze, barre wereldtijd. Volgens sommige theologen is deze religie, die puur anti-Bijbels is, hét instrument voor de verwachte wereldheerschappij van de Antichrist. De moderne cultus rond het menselijke ‘ik’ of ‘zelf’ (zelfhandhaving, zelfverlossing, autonomie) wortelt diep in onze genen, wortelt in ons oermenselijke, satanisch geïnspireerde verlangen om als G’d te zijn, onszelf te redden en zelf te bepalen wat goed en wat kwaad is en niet te hoeven luisteren (‘Hoor Israël’) naar voorschriften of onderwijzing (Torah) van Bovenaf (Genesis 3:4,5).
Een andersoortige, Grieks gekleurde, nieuwe religie is het kunstgeloof: kunst verzacht, verlicht de levenspijn. Kunst geeft bepaalde antwoorden op de grote levensvragen die tot rust of tot berusting kunnen leiden. Voor de niet religieuze mens is het leven in feite zinloos, absurd en in principe is dat onverdraaglijk. De beleving van kunst (met een grote K) in literatuur, muziek en beeldende kunst maakt het ondragelijke draaglijk. Men kan zichzelf herkennen in de beschreven literaire figuren en zich vereenzelvigen met zijn of haar ervaringen en reacties, men kan de muzikale stemmingen meevoelen of zich door de uitstraling van bepaalde beelden laten inspireren of bemoedigen. Men stapt even weg uit deze harde, onverdraaglijke wereld en verkeert tijdelijk in een andere virtuele, door de mens zelf gecreëerde culturele werkelijkheid, om even op adem te komen, te recreëren. Nauw verwant aan deze kunstcultuur is de moderne, ook Grieks gekleurde sport- en spelcultuur en dicht hier tegenaan ligt de moderne verslavingscultuur: men vlucht even (of langdurig) weg uit het absurde, niet te verdragen bestaan en zoekt asiel in drank of drugs, zoals men asiel kan zoeken in klassieke muziek of discoklanken, in sportwedstrijden of computerspelletjes.
De wereldgodsdiensten komen thuis
Als de stelling terecht is dat de wereldgodsdiensten van Islam, Hindoeïsme en Boeddhisme, van Confucianisme en Taoïsme te zien zijn als een eenzijdige afsplitsing van de unieke en universele Bijbels-Hebreeuwse godsdienst, dan is de conclusie gewettigd dat deze godsdiensten, binnen het kader van de unieke en universele Bijbels-Hebreeuwse godsdienst, weer thuiskomen, hun eigenheid en originaliteit hervinden, tot volheid komen en op een tot dusver ongekende wijze dienstbaar kunnen worden aan de bevrijding, heling en heiliging van hun volkssamenleving.