De Hebreeuwse z ז, de Zajin, is de zevende letter. Hij lijkt ook op het getal 7 ז. Zeven is een typisch door God ingesteld getal en dankzij de Bijbel kennen we bijvoorbeeld de zevendaagse werkweek! In het Griekse alfabet zijn voor zover bekend voor het eerst in de taalgeschiedenis de klinkers opgenomen in de letterrij, waarmee het typisch Hebreeuwse onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke taalelementen werd weggenomen. Deze taalkundige gelijkschakeling is een symptoom van de filosofische en politieke egalisering, die typerend is voor de Griekse, Westerse cultuur: alles en iedereen is gelijk, er zijn geen eerstelingen, alle mensen zijn in wezen hetzelfde.
Opvallend is, dat in het Griekse alfabet de ‘z’ nog wel op de zevende plaats staat, terwijl in ons Westerse, Latijnse alfabet de ‘z’ zijn centrale en symbolische plaats is kwijtgeraakt en helemaal naar het eind is verschoven, tot voorbij de X, de grote onbekende. Wat zegt dit? Een andere alfabetische volgorde is een andere wijze van denken: de ‘z’, de letter van de ‘sabbatsrust’, aan het slot ‘zegt’ dat wij in onze Latijns-Westers-Romeinse cultuur geen raad weten met het gegeven van de zevende dag, de originele shabatdag. Het zegt vooral ook, dat wij binnen de horizon van onze geschiedenis geen hoop meer hebben op een wereldwijde shabatsvrede vanuit Jeruzalem voor alle volken. Er is in onze Romeinse Ezau-cultuur geen oog voor de blijvende beloften aan Jacob, geen visie op de toekomst van het Joodse volk. Hun terugkeer naar het Land der vaderen wordt niet verstaan als een profetisch signaal van de aanstaande ‘bekroning’ van de tijd, waarin Tsion het middelpunt is van een nieuwe volkerensamenleving, Israël de ‘naaf’ in het ‘wiel’ van de ‘70 gojim’. Integendeel, De wereld en helaas ook vele kerken blijven dromen over zichzelf. De meeste kerkgemeenschappen denken nog steeds dat de Kerk in de plaats van Israël is gekomen en de ‘vrede op aarde’ is iets voor de hemel, voor na de X.
Zákhar זכר: gedenken
Eén van de belangrijkste woorden met een Zajin voorop is het werkwoord זכר (zákhar: gedenken), een Bijbels kernwoord. Voortdurend wordt Israël opgeroepen om te gedenken, om wat in het verleden gebeurd is naar zich toe te halen, op te halen. Hoe gebeurt dat? Hoe brengen we het verleden in het heden? Allereerst door te horen: ‘Hoor, Israël!’ Op gezette tijden moet wat gebeurd is, opnieuw worden verteld: in ononderbroken Torahlezingen worden elke week op de Shabat de daden des HEREN opgehaald. De tweede gedenkmethode is de lofzegging: in liederen en gebeden worden Gods Daden in herinnering geroepen. De derde methode is het vieren van de gebeurtenissen, waarbij het verleden ‘spelenderwijs’ wordt ‘opgehaald’, zoals aan de sedermaaltijd en in de loofhut: hier wordt het verleden ‘nagespeeld, dramatisch vertolkt.’
Zodoende, horend, dankend en vierend, worden niet alleen de gebeurtenissen levend gehouden, maar ook opnieuw gekoppeld aan Hem, Die dit alles deed gebeuren. Nog sterker: zo wordt Zijn Aanwezigheid opnieuw ervaren, want Hij troont op de lofzangen van Israël (Ps. 22:4). Alle grote feesten van Israël zijn in feite gedenk-dagen: op Pesach gedenkt men de Uittocht, op Shábhú’óth (Pinksteren) de Ontmoeting bij de Berg en de gave van de Torah en op Sukoth (Loofhuttenfeest) de Intocht in het Beloofde Land.
Gedenken is ook her-denken, na-denken, terugblikken naar het verleden om vandaaruit vooruit te zien naar de in het verleden beloofde toekomst: de vrede vanuit Tsion voor alle volken (Micha 4:1-4; Jes. 2:1-4). Want dit her-denken betekent geen weemoedig, nostalgisch terugkijken op voorbije tijden, maar juist een versterking van de vooruitziende blik: immers wat geschied is, zal geschieden. Zoals in de Vierletterige GodsNaam is uitgedrukt: Ik was er en zo zal Ik er zijn. Het verleden is de grondslag van een hoopvolle toekomst: met de rug naar gisteren, geruggesteund door wat geschied is, gedachtig aan Zijn Daden, staan we in het heden met het gezicht naar de toekomst. Want juist de ‘in het verleden behaalde rendementen geven garanties voor de toekomst’! Gedenken is in feite de hoogste vorm van Bijbels denken.
Bijbels denken tegenover de heidense weemoed: naar voren gericht
Op dit punt onderscheidt het Bijbelse denken zich radicaal van het ‘heidense’. ‘Heidens’ denken is naar achteren gericht: men wil terug naar de goddelijke Oorsprong of het goddelijke Oervuur. Weliswaar kijkt de Griek daarbij meer naar Omhoog en de Indiër meer naar Binnen, maar beiden willen op de één of andere manier terugkeren naar waar men denkt vandaan gekomen te zijn: terug naar af. ‘Heidenen’ kennen geen echte vooruitgang, ze denken cyclisch, de geschiedenis loopt in het rond, als een cirkel, het eindpunt raakt het beginpunt.*
Bijbels denken daarentegen is naar voren gericht, omdat het volledig bepaald is door de Vierletterige Naam in Wie verleden, heden en toekomst één zijn: zoals Hij ‘gebeurd’ is bij de bevrijding van Zijn volk uit Egypte, zo ‘gebeurt’ Hij nu en zo zal Hij ‘gebeuren’. Daarom is er geen reden voor ‘heidense’ weemoed,** dromen we niet nostalgisch terug naar vroeger, maar zien we uit naar morgen: Hij komt de aarde richten, de wereld in gerechtigheid (Ps. 98:9), Hij komt wonen temidden van Zijn volk op de berg Tsion (Ps. 132:13,14) waarheen straks alle volken zullen optrekken, niet om oorlog te voeren, maar de oorlog af te leren en in vrede te leren samenwonen met Israël in hun midden, ieder onder eigen wijnstok en vijgenboom.
In feite is de Bijbelse godsdienst de enige ter wereld die aards én toekomst gericht is: Hij komt de aarde richten. Niet wij hoeven op te stijgen naar Omhoog of ons in te keren tot het goddelijke Oerbegin, maar Hij komt naar ons toe en gaat ons vóór naar het land van Belofte, naar de Stad van Zijn Vrede, die vanuit de hemel naar ons toekomt (Openbaring 21:2).
* Van de Romeinse keizer, Julianus, die tot het heidendom was ‘terug-bekeerd’, tot het Griekse ‘heidense’ denken, wordt gezegd: ‘De platonische gedachte van de onveranderlijkheid beheerst zo sterk zijn zienswijze dat hij zich de toekomst niet anders kan voorstellen dan het verleden’. ‘Deze denkwijze gaat in tegen de vooruitgang die wij aan het christendom danken en maakt hiernaast een achterlijke indruk’ (Joseph Bidez, ‘Keizer Julianus’ p.240). Er is een Joods gezegde: ‘we kunnen niet de weg terug, maar we kunnen wel terug naar de Weg’. Niet terug naar het ‘verloren paradijs’, maar wel terug naar de Weg van Israëls God, die in de gebrokenheid van zonde en schuld perspectief opent op een nieuw mens zijn en op vrede vanuit Tsion voor alle volken: Hij bouwt op de scherven van gisteren een nieuwe morgen.
** Weemoed typeert het oude en moderne heidendom, een religieus heimwee dat de hele cultuur doortrekt en met name zichtbaar wordt in de typisch heidense roes-cultuur: in de roes van drank of drugs wil men terug naar vroeger, naar de moederschoot, naar het Oerbegin. De moderne feestcultuur met zijn heidense dans- en muziekextase staat in ditzelfde kader: men wil weg, zo ver mogelijk en zo lang mogelijk tot diep in de nacht weg uit de werkelijkheid van vandaag. Ook de moderne sex- en blootcultuur is een variant op dit oerverlangen: terug naar af, naar de Schoot van Moeder Natuur. De moderne spelcultuur (sport, spelletjes, attracties) is eveneens te zien als een terugbeweging: terug naar de speelse kindertijd buiten het bereik van deze harde werkelijkheid. Dat zelfde geldt min of meer voor de moderne reis-roes-cultuur: wegwezen, zo vaak en zo ver mogelijk, naar de oernatuur of de oertijd, want toekomst is er niet, er is alleen het verleden. (zie ook Lechajim, Op zoek naar een nieuwe levensstijl, pag.31, noot 14).
Tegenover de ‘heidense’ feestcultuur, die gericht is op vergeten, op het uitdoven van de herinnering (even wegwezen uit deze werkelijkheid, even alle ellende vergeten in een ‘lege bierblik’-stemming), is de Bijbelse feestcultuur juist gericht op het levendig houden van de herinnering, op het opfrissen van het geheugen: gedenk hoe Hij, de Altijd Aanwezige, u bevrijd heeft uit de ellende van Egypte en ingeleid heeft in het Land van Belofte en vergeet nooit, dat Hij zál doen, zoals Hij hééft gedaan, want zo is Zijn Naam!
Ook oude en moderne ‘mystieke’ bewegingen zijn veelal gestaltes van deze ‘weemoed’, zoals de grote mysticus Eckhart het verwoordde: élk schepsel streeft naar voortbestaan, plant, dier, mens – en streeft terug naar wat hen niet meer scheidt, naar God.
Past ook de Joodse mystieke beweging, de ‘Kabbala’, niet enigszins in dit kader? Vanwege een diepe teleurstelling over het uitblijven van de Messiaanse (aardse) verlossing, keert men zich naar het verleden. In plaats van de aardse toekomstverwachting zoekt men de weg terug naar de Oorsprong, tracht men ‘in te keren’ tot de Oerwerkelijkheid, tot de onpersoonlijke ‘Oneindige’, de ‘Ein Sof’: ‘een persoonlijk God kan de pijnlijke levensvragen niet beantwoorden, daarom bestormt men de Verborgenheden Gods met zijn vragen’.