Hebreeuws denken is vierkant denken. Dat is radicaal anders dan wat we soms tegenkomen bij aloude eenzijdige rabbijnse of Christelijke theologie. In dat geval gaat men namelijk uit van één tekst en redeneert in een typisch Griekse, éénlijnige richting. Vervolgens redeneert men door in één rechte, logische lijn waarbij alle andere lijnen (minstens drie) bewust of onbewust worden genegeerd, onder de tafel gewerkt of in eigen eenzijdige richting worden omgebogen. Denkend via deze éénzijdige patronen komen we gemakkelijk in het gezelschap van de vele, Christelijke verlichte (Griekse, vrijzinnige) theologen, die Jehoshua/Jezus niet meer erkennen als het Lam Gods, als God Zelf, Die onze zonden op zich nam. Zij zien Hem als een Goed Mens, een Voorbeeld of Voortrekker, waarbij wat niet strookt met hun eenzijdige standpunt wordt genegeerd of domweg uit de Bijbel geschrapt.
Maar voor we tegenover deze Griekse éénlijnigheid enige andere Bijbelse lijnen trekken is het, menen wij, zinvol om voorop te stellen, dat punt één niet is: hoe kijk ik tegen Jehoshua/Jezus aan? Hoe zie ik deze Unieke Verschijning of welke visie heb ik op Hem maar dat alles aankomt op de vraag: sta ik open voor Zijn Geest, die tevens de Geest van God/Adonai Zelf is. Niet alleen de vraag: sta ik open voor Hem, maar láát ik mij ook daadwerkelijk door die Geest radicaal vernieuwen, láát ik mij bevrijden van zonde en schuld door het Bloed van het Lam Gods en láát ik mij heiligen tot een dankzeggend en dienend leven en samenleven?
Dan nu een paar Bijbelse tegenlijnen, heel kort getekend.
1. Allereerst in lijn met het voorgaande: als Jehoshua niet meer was dan een gewoon mens, weliswaar zonder zonde, een tweede Adam, zou Hij dan in staat zijn om mijn zonden op Zich te nemen en weg te dragen, en niet alleen mijn zonden, maar die van de hele wereld? Dat kan toch geen mens, dat kan alleen God Zelf, die gestalte nam in Jehoshua/Jezus van Nazareth en die als zodanig erkend werd door de ‘ongelovige’ Thomas: mijn Here (Adonaj) en mijn God (Elohai), waarmee hij in feite de oerbelijdenis van Israël uitsprak: Hu Adonaj Elohenu, Hij is onze God (Deut.6:4). Als eerste Jood, als ware Israëliet, heeft Thomas de eenheid erkend tussen Israëls God en Jehoshua/Adonaj.
2. Nog een andere lijn: de Godsverschijning in Jehoshua/Jezus van Nazareth was wel heel bijzonder, maar niet echt uniek. Er waren vele vóórverschijningen aan voorafgegaan, die op geen enkele wijze tekort deden aan de eenheid van God. Maar dat waren steeds vluchtige en flitsende Godsverschijningen. Denk aan de verschijning aan Abraham bij de tent en op de weg naar Sodom (Gen. 18/19), aan de Verschijning van de Stem in de Brandende Braamstruik en op de Berg Sinaï en heel menselijk ook verscheen Hij later nog aan Mozes in het conflict met Aaron en Mirjam ( Num. 12:5). Zou het niet kunnen zijn dat ook de Vis die Jona redde van de dood een voorverschijning van Jehoshua was (zie Lechaijim, pag. 62, 65 notitie 11)?
Maar de Verschijning in Jehoshua en dat is toch het uitzonderlijke en unieke, was niet vluchtig of flitsend, maar duurzaam: 33 jaar lang, en 3 jaar heel uitdrukkelijk was Hij zichtbaar én tastbaar in ons midden. Drieëndertig jaar lang woonde HaShem, de Naam, met ons, temidden van ons, 33 jaar ‘tabernakelde’ HaShem midden onder ons. Het woord ‘middelaar’ uit 1 Tim. 2: 5 (letterlijk mesotys) is afgeleid van ‘midden’ (mesos) midden. Hier, midden tussen ons in heeft HaShem bemiddeld tussen Hem Zelf en ons: hier midden tussen ons in nam God Zelf onze zonden op Zich, zoals eerder voor afgebeeld in het ritueel op Grote Verzoendag (Lev. 16: 23, een woord dat ‘toevallig’ ook precies midden in de Torah staat!
Het woord ‘middelaar’ heeft niets te maken met een tussenwezen, een tussenfiguur tussen God en mens, dat is heidens, dat is Grieks denken. God Zelf, Hij in Zijn Volheid (Kol.1:19), kwam in de gestalte van Jehoshua naar beneden, daalde af, dieper dan op de Sinai, tot op de bodem van onze verdorven, ‘koude’ aarde. Zelfs ging Hij die aarde in, tot in het dodenrijk. Dat is het grandioze Evangelie waar alle Griekse logica op stukbreekt, waar wij zelf op stuk breken! Want om onze zonden vereenzelvigde Hij Zich met ons, verplaatste Hij Zich in ons tot in onze schuld en dood toe.
3. Dan nog twee speciale lijnen, die door de éénlijnige, overigens zeer scherpe Joods-Griekse denker genegeerd of onder de tafel gehouden worden. Tegenover Matt. 9:8 (of op de lijn er tegenover) staan stellige woorden van de evangelist en ziener Johannes: ‘het Woord van God is vlees geworden’ (Joh 1:1). Het Woord Gods, niet een geestelijk superwezen, niet een nieuwe geschapen Adam, maar de Reshiet (eersteling), waardoor alles geworden is, is zichtbaar en tastbaar onder ons verschenen. In Op.3:14 wordt Jehoshua/Jezus zonder meer aangeduid als de Reshiet (Archè) van de schepping.
Een andere speciale lijn is wat Petrus schrijft (1Petr.1:20) in aansluiting aan gegevens uit de rijke schatkamer van de Hebreeuws Joodse traditie, over het Lam God dat geslacht is van vóór de grondlegging der wereld. Hetzelfde Lam dat Johannes later weer ziet staan voor de Troon van God (Op.5: 6). Dit gegeven is ook deels in samenhang te zien met gezegdes van Paulus over het diepste geheim van het Evangelie dat eeuwenlang verborgen was (Ef. 1:4,9, Kol. 1:26, 2, 2 Tim. 1:9). En ook in samenhang met het ondubbelzinnige getuigenis van Jehoshua Zelf: ‘eer Abraham was, ben Ik (Joh. 8:58).
4. En daarmee raken we tenslotte de ‘Ik Ben’ gezegdes van Jehoshua, waarmee de volstrekte eenheid wordt aangegeven tussen Jehoshua en Israëls God.
Het éénzijdige of éénlijnige denken is tekort doen aan het geheel en kan ons gemakkelijk op een verkeerd been zetten. De tegenspreker, satan zei tegen Jehoshua: spring toch van het dak want er staat geschreven dat de engelen U zullen opvangen’. Ja, zei Jehoshua, dat is waar maar er staat OOK geschreven… gij zult de Here God niet verzoeken. Dit woordje ook is heel belangrijk in de theologie. Het Hebreeuwse vierkante denken komt hier van pas.