In de vertalingen van Genesis lezen we dat God de aarde schiep: Bereshiet bara Elohim. בראשית ברא אלהים Het Hebreeuwse woord voor goden is ook elohim, אלהים dat taalverwant is met el: אל naar, naartoe. Dat we de eerste keer, dat Elohim voorkomt, als een enkelvoud vertalen, komt doordat het werkwoord bara ברא betekent: “Hij heeft geschapen.” Hij is een enkelvoud!
Psalm 82:1 zegt duidelijk dat er meerdere wezens zijn die goden worden genoemd: God spreekt recht in de kring der goden, elohim staat er in het Hebreeuws. Het gaat hier over wezens die ondergeschikt zijn aan Hem. Beide keren wordt God in deze Psalm met Elohim aangeduid: zowel onze Schepper als degene(n) met wie Hij vergadert.
Elohim is ook verwant met eleh אלה (deze, die, die andere) of met elah, een grote boom die vóór of nà ons is in de tijd en die tegelijk diep in de aarde wortelt én hemelhoog is. Elohim zou men kunnen vertalen als die dáár, aan de overkant of die grootheden die ons ver overstijgen in ruimte en tijd. In de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel wordt het soms weergegeven door aggelos (engel, spreek uit angelos), zoals ook in de Statenvertaling (Ps.8:6).
Israëls God is zeker niet één van die vele goden, maar Hij is de Schepper van die allen. Hij schiep de hemel en al hun heerscharen (Gen. 2:1): Zebaoth (tsebhaoth, hemelse machten) is nagenoeg synoniem met elohim.
Onlosmakelijk is de naam Israël gekoppeld aan God. God is niet God-in-het-algemeen, maar déze God. Zoals er geen mens is in het algemeen, maar alleen déze mens; Jan, Marieke of Gijs, verbonden aan déze familie, dít volk, dít land, zo is Hij de God van Abraham, Isaäk en Jacob, Die Zich verbonden heeft aan dít volk, aan dít land. Israël is als het ware Gods achternaam. “God is nergens als Hij niet ergens is” (Miskotte): Hij heeft zich aan Israël verbonden om van dááruit heel de mensheid van dienst te zijn. Wat een Schepper, wat een Elohim. Baruch haShem (prijs de Naam.)