Uit: Lechaijim van drs. R. Strijker
Zoals een lichtbundel uiteen valt in verschillende kleuren, ontsluit Zich de Vierletterige Naam in een veelheid van kleurrijke Gezegdes: van Werk-Woorden die Zijn Daden nader typeren (Roepen, Scheppen, Verkiezen, Bevrijden, Bewaren) en van Naamwoordelijke Gezegdes, die alles zeggen over Zijn relatie tot ons (Rechtvaardig, Goedertieren, Barmhartig, Genadig, Naijverig, Traag tot toorn) of die meer zeggen over Hem Zelf (Rots, Bron, Licht, Lam). Israëls God is een Bundel Woorden, een Verzameling Gezegdes, een Unieke Taal-Schat.
Als Woord-Wezen is Hij bijzonder gevoelig voor onze woorden
Omdat Hij Taal is, is Hij uiterst taalgevoelig: onze woorden doen Hem iets, raken Hem, treffen Hem. Waar wij goed spreken van God, gebeurt iets met God. Waar het “Driemaal Heilig” wordt uitgeroepen en het “Groot Gloria” gezongen, wordt God groot, gróter gemaakt. Hem vereren is letterlijk Hem “zwaarder”, “gewichtiger” maken. Onze dankwoorden voegen waarde toe aan Zijn Wezen, ze versterken Hem, verhogen Hem. Ze weven een erekleed, vlechten een erekroon.
Onze woorden verhogen Hem niet alleen, maar doen Hem ook neerdalen: “Op elke plaats waar Ik Mijn NAAM doe gedenken, zal Ik tot u komen” (Ex. 20:24). Hij komt af op onze lofzang, Hij troont erop (Ps.22:4). Hij woont er in als in een wolk. Hij geniet ervan als van een geurig lofoffer. Lofzingend halen we Hem naar ons toe: door Zijn Woord zijn wíj er en door óns woord is Hij er, in ons midden.
Door onze lofzang wordt de aarde (weer én méér) Zijn Plaats
Door deze Neerdaling of Inwoning komt Israëls God pas goed tot Zijn recht, tot Zijn rechtmatige plaats op aarde. Want de aarde is van oorsprong Zijn plaats. De schepping staat niet in het lege niets, buiten God, maar is in Hem geplaatst: “In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij” (Hand. 17:28). Hij Die Tijd ís, Die verleden, heden en toekomst in Zich verenigt, heeft ook alle ruimten in Zich: Hij ís Ruimte, Hij is de Plaats in Wie wij ons bevinden en bewegen. In Zichzelf heeft Hij plaats voor ons gemaakt. Hij is voor ons opzij gegaan, opdat wij er zouden zijn. Zijn Plaatsmakende Liefde is de grond waarop wij (be)staan.
Maar de plaats die Hij voor ons heeft vrijgemaakt, wil Hij ook terug: “Mijn zoon geef Mij uw hart” (Spr.23:26). Door Hem te vereren erkennen we Zijn recht op de aarde en geven we Hem Zijn originele plaats terug. Door middel van onze lofzang krijgt Hij de ereplaats die Hem toekomt: in het hart van ons leven en samenleven. Zoals een architect bij de feestelijke opening zijn eigen bouwwerk binnentreedt, zo komt de Schepper Zijn schepping binnen via de erepoort van onze lofprijzing en vult Hij de ruimte die Hij schiep en voor ons vrijmaakt met Zijn schitterende (nog schitterender) Tegenwoordigheid: “de ganse aarde worde vol van Zijn Heerlijkheid” (Jes. 6:3).
Notities
1. “Eén” (in het Hebreeuws “+echad”) wil zeggen “enig, apart, onvergelijkelijk”, maar ook “ver-één-igd, verbonden, heel, uit één stuk”. In die zin is “eenheid” zo goed als synoniem met “vrede” (shalom = heelheid) en met “verbond” (berith).
2. Het Hebreeuwse woord voor goden is “elohim”, dat taalverwant is met “+el” (naar, naartoe), ook met “`eleh” (deze, die, die andere) of met “+elah” (grote boom die vóor of nà ons is in in de tijd, die tegelijk diep in de aarde en hemelhoog is): “`elohim” zou men kunnen vertalen als “die dáár, aan de overkant” of “die grootheden die ons ver overstijgen in ruimte en tijd”. In de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel wordt het soms weergegeven door “aggelos” (engel), zoals ook in de Statenvertaling (Ps.8:6).
3. Israëls God is niet één van die vele goden, maar Hij is de Schepper van die allen. Hij schiep de hemel en “al hun heerscharen” (Gen.2:1): “Zebaoth” (tsebhaoth, hemelse machten) is nagenoeg synoniem met “`elohim”.
Onlosmakelijk is de naam “Israël” gekoppeld aan God. God is niet God-in-het-algemeen, maar déze God. Zoals er geen mens is in het algemeen, maar alleen déze mens, Jan, Piet of Klaas, verbonden aan déze familie, dít volk, dít land, zo is Hij de God van Abraham, Isaäk en Jacob, Die Zich verbonden heeft aan dít volk, aan dít land. “Israël” is als het ware Gods achternaam. “God is nergens als Hij niet ergens is” (Miskotte): Hij heeft zich aan Israël verbonden om vandááruit heel de mensheid van dienst te zijn.
4. “Heilig” (qadosh: afgezonderd, buitengewoon, gans anders) is in feite een ander woord voor “één”, “enig” of “apart”: Israëls God, de Ene, is de Heilige, de Aparte. Hij is niet het Meest Algemene, het Al, dat in alle verschijnselen aanwezig is, maar Hij is de Meest Bijzondere. “Heiligen” betekent “met de Heilige verbinden”: door de relatie met de Aparte worden ook wij apart gezet, ge-heiligd.
5. Zoals ons beeld in de spiegel van een ander “materiaal” is dan wijzelf, materiaal dat op zichzelf niet bestaat, zo is onze echo van een andere grondstof dan onze Roeper, zonder bestand in zichzelf: we leven slechts op de Adem van Zijn Stem (Ps. 103:5, Liedboek).
6. Israëls God is Levend Woord (dabhar), Woord mét Adem, mét Geest. Hij is Stem (qol). Het Hebreeuwse woord voor “geest” (ruach) doelt op beweging, kracht, drift, geestdrift, vurigheid.
Israëls God is de Eénheid van Woord én Geest: Die Twee zijn Eén als mannelijk en vrouwelijk. In Gen.1:27 mag na “Zijn beeld” een dubbele punt gelezen: “Hij schiep de mens naar Zijn beeld: man en vrouw schiep Hij hen”. Gelijk God is ook de mens tweeledig, mannelijk en vrouwelijk. In de eenheid van man en vrouw, in hun onverbrekelijke trouw, weerspiegelt Zich het Wezen Gods, Zijn Eenheid, Zijn Trouw. Onze trouwbreuk beschadigt het beeld van God.
Het Hebreeuwse “dabhar” (woord) betekent ook “toe-zegging” of “belofte” en tevens de uitvoering daarvan: “daad”. Ons gezegde: “geen woorden maar daden” is in het Bijbels Hebreeuws niet zo vlotweg te vertalen.
7. Hij roept nog: een voortdurende Sprake gaat van Hem uit. Als Hij niet meer zegt: “er zij licht”, is er geen licht. Als Hij niet langer de scheiding uitspreekt tussen dag en nacht, hemel en aarde, man en vrouw, rustdag en werkdag, vervalt de schepping tot chaos: “Gezegend zijt Gij HERE onze God, Die door Zijn Woord de avonden doet aanbreken”. (Joodse avondgebed).
8. Een naam (shem) is een bijzonder woord, dat kort en krachtig een bedoeling of program aangeeft. Israels God Die de programma’s van alle scheppings-verschijnselen heeft uitgesproken, heeft ook kort en kracht Zijn Eigen Unieke Program uitgeroepen. Israëls God heeft niet alleen een Achternaam (ván Israël), maar ook een Voornaam, een Eigennaan: (J) (H) (W) (H).
9. Het Hebreeuws is de eersteling der talen: in deze taal heeft Israëls God voor het eerst Zijn NAAM, Zijn Programma uitgesproken. In het Hebreeuws is het Woord tot woord, de Taal tot taal geworden.
Taal is geen menselijk maaksel, maar een ant-woord op het Spreken van de Schepper. Toen Adam de dieren namen gaf (Gen.2:19), benoemde hij hen niet willekeurig, maar in overeenstemming met hun wezen, met hun programma: hij hoorde de weerklank van de namen die God had uitgesproken bij hun schepping; hij zag in hun gestalte de beeldspraak van hun bedoeling. De oorspronkelijke taal is verstilde weerklank op het Spreken van de Schepper.
De taal-wording van de Taal, de woord-wording van het Woord is een Uniek historisch gebeuren, dat voorafging aan de Schrift-wording van het Woord.
10. De Vierletterige NAAM – “Jod”, “Hé”, “Wav”, “Hé” – heeft de drie tijden van het werkwoord “Er Zijn” in zich: “Hajah” (Hé, Jod, Hé: “Die was”), “Howeh” (Hé, Wav, Hé: “Die is”) en “Jihjeh” (Jod, Hé, Jod, Hé: “Die zal zijn”). Simultaan, in drie tijden tegelijk, heeft Israëls God zich uitgesproken.
In het eerste scheppingswoord “Wa-jehi” (“er zij …” Gen.1:3) zijn de letters van de NAAM (Jod, Hé, Wav) te herkennen: Hij heeft Zijn NAAM “op aarde uitgeschreven” (Ps.8:1, berijmd).
11. Liefhebben in Bijbelse zin (+ahabh) is tweerlei, a. van de ander áf: we gaan opzij, maken ruimte, schikken in, zodat de ander er kan zijn; en b. naar de ander toe: wij vereenzelvigen ons met de ander, we denken en leven ons in, we verplaatsen ons in de ander. Er is een Plaatsmakende Liefde Gods, waarop ons bestaan berust én er is een Plaatsvervangende Liefde die het geheim is van ons vóórt-bestaan. God schept ruimte, Hij gaat voor ons opzij, zodat wij er mogen zijn, maar Hij komt ook naar ons toe, vereenzelvigt Zich met ons, verplaatst Zich in ons, neemt onze lasten, onze zonden, onze schuld op Zich.
12. Israëls God is voor alles Wérk-woord: Hij roept (qara+), schept (bara), verkiest (bachar), bevrijdt (hoshi+ah), bewaart (shamar). Ook de Naamwoorden zijn actieve (werkende) Gezegdes: Hij is rechtvaardig (tsedeq: Hij houdt zich aan Zijn Woord, aan Zijn Afspraken) en goedertieren (chesed: Hij doet zelfs meer dan Hijheeft toegezegd, wel-dadig) en barmhartig (rachaman, wat samenhangt met “rechem”, baarmoeder: Hij laat zich leiden door Zijn “Moederlijke” Gevoelens) en genadig (chanan van “chen”, waarvan ons woord “gein”, “speelsheid”: Hij kan verrassend veranderen), naijverig (qan+ah: Hij gunt ons aan geen ander) en lankmoedig (+erech +apajim: Hij houdt Zich zo lang mogelijk in, is “traag tot toorn”).
Tussen deze veelheid van Gezegdes kan onderling spanning bestaan: Zijn barmhartigheid botst soms met Zijn rechtvaardigheid of omgekeerd (Ex.32:9-14). Maar niettemin is Hij uit één stuk: Hij is rechtvaardig en barmhartig. Hij is betrouwbaar én veranderlijk, degelijk én bewegelijk, rechtlijnig én creatief, mannelijk én vrouwelijk in-een. Ook als Hij toornig is, blijft Hij Eén en Dezelfde. Gods Toorn is niet een vreemde vlam, het “boze” in God, maar een gestalte van Zijn Unieke Liefde: er is sprake van de Toorn van het Lam (Op.6:16,17) en juist het Lam is dé gestalte van Gods Plaatsvervangende Liefde.
De spanning van Zijn Wezen weerspiegelt zich ook in de schepping: al Zijn scheppingswerken zijn betrouwbaar, degelijk net als Hij, maar ook bewegelijk, vol verrassing. We kunnen op de dingen aan: een rots verandert niet van de ene dag op de andere in een waterplas. Maar er is ook beweging, groei, voortplanting, verandering. Soms zijn er zeer verrassende veranderingen, ongedachte verschijnselen: stromend water wordt tot een harde muur (Ex.14:22) en een harde rots geeft stromend water (Ex.17:6).
13. Het woord “rots” is hier geen beeldspraak: God is niet “Rots” bij wijze van spreken. Hij ís het Woord “Rots” (tsur). Zo ís Hij ook het Woord “Licht” (+or) en het Woord “Bron” (maqor). Terwijl de verschijnselen die wij met deze woorden aanduiden slechts beeld-spráák zijn: de schepping is ver-schijn-sel, geen schijn (maya), maar een werkelijkheid waarin de Schepper ons ver-schijn-t, toespreekt.
14. “Goed” (tobh), het kernwoord waarmee God Zichzelf beoordeelt (Gen.1:25,31) is ook het woord waarmee wij ons oordeel over God mogen uitspreken: wat goed van U! “Goed” wil zeggen dat God doet waarvoor Hij Zich uitgeeft. Een mes is goed als het echt doet wat het doen moet: snijden. Zo is God goed: Hij is echt rechtvaardig, Hij is werkelijk een Bron. “Goed” is synoniem met “waar”, “betrouwbaar” en “goedheid” is een ander woord voor “waarheid”, “echtheid”. Het Hebreeuwse woord voor “waar” is “`emet”, waarvan “amen”. Goedkeurend spreken over God, is kortweg “amen” zeggen: “goed zo!”, “het is zoals U hebt gezegd!”.
15. In de lofprijzing gebeurt iets met God: “Hij wordt er wel niet door in het aanzijn geroepen, hoewel men geneigd zou kunnen zijn, ook tot deze uiterst gewaagde formule over te gaan. Iets ervan zit in de dichtregel “God is mijn lied” (…) God – wat is dat? Antwoord: Hij is mijn lied. Hij is de zingende, lofzeggende manier van mijn bestaan. God is een modus van de existentie, een wijze van menselijk bestaan. Maar dat is toch slechts één zijde van de zaak. Het is ook een uiterste van wat mogelijk zegbaar is. Helemáál is het niet waar, dat wij God door onze lofprijzing in het aanzijn roepen. Maar daarom gebeurt er wel iets met God in onze lofprijzing. Zijn Macht, Zijn heerlijkheid, Hijzelf wordt erdoor bevestigd, in de zin van “vastgemaakt”.
“Het is bijna zo, dat wij God in het aanzijn roepen. Hem althans Zijn bestaan, Zijn Existentie, Zijn in-de-wereld-zijn geven door onze lofprijzing. Waar zou God zijn als ik niet naar de kerk ging?” (van Ruler a.w. 46, 102).
Nagenoeg dezelfde krasse taal gebruik rabbijn A.J. Heschel: “To pray is to bring God back into the world, to establish His kingship”. “His being immanent depends upon us” (‘Man’s quest for God”, 62). Onze woorden kunnen Hem maken (en bréken).
16. Het Hebreeuwse woord voor “eer” (kabhod) betekent letterlijk “zwaarte”, “ge-wicht”: God vereren is Hem gewicht geven.
17. Ook als we niet spreken van God, gebeurt er iets: negatieve woorden, vloekwoorden, maken Hem klein, breken Hem af. Waar het danken afneemt, neemt in de regel het vloeken toe. Wie Hem niet looft, “moet” Hem toch steeds ter sprake brengen.
18. Dat Hij afkomt op onze lofzang is geen vanzelfsprekendheid. God willen vangen in onze zangen is heidens. Maar Hem houden aan Zijn Woord is Bijbels: “daar zal IK tot u komen”. Israëls God is de gevangene van Zijn eigen Woord.
19. Het Hebreeuwse woord “jashabh” betekent zowel “tronen” als “wonen”: Hij woont in onze lof.”Jashabh” is synoniem met “shachan”, waarvan “Shekhinah” (Inwoning).
20. Dit stemt overeen met het gezegde: “Niet de wereld is de plaats van God, maar God is de plaats (ha-maqom) van de wereld” (Bereshit Rabba, 68).
21. In de Hebreeuwse overlevering is sprake van de “tsimtsum” of “inkrimping” van God: door Zich kleiner te maken, in te krimpen, schiep Hij een lege ruimte in Zichzelf. In die leegte riep Hij onze namen uit, die weerklonken tegen de “wanden” van Zijn Plaats. (“Wanden” wil zeggen dat Zijn Ruimte begrensd is: er is een ruimte waar Hij niet is, waar Zijn Licht niet komt.) Een treffende omschrijving van dit oergebeuren in God geeft Herbert Weiner (“9½ Mystics, The Kabbala Today”, 71): “There is only God – nothing else. Then there is a movement. A space opens up, as if within God Himself; it is as if God “contracts” Himself. The result is an area empty of God. That is the first act of the drama, an act which is called tzimtzum, that is concentration or withdrawal”.
22. Het hart (“lebh”) is het middelpunt van ons mens zijn, vanwaar de “uitgangen des levens” zijn (Spr.4:23). Het is de plaats waar ons bestaan begon, begint en beginnen zal. Op zich is ons hart een leegte, een “holte” (van Ruler, a.w. 135). Het is als het heilige der heiligen: een lege kamer. In die leegte is God begonnen, heeft Hij onze naam, ons unieke programma uitgeroepen. Ook elke samenleving heeft een hart, een leegte in het midden.
Vragenderwijs: Wat is het karakteristieke van Israëls God? Welk effect hebben onze (dank)woorden op Hem? Hoezo is onze eredienst Zijn erepoort naar het hart van mens en samenleving?
(Deze vragen zijn niet bedoeld als gespreksvragen, maar als een terugblik-in-vraagvorm. Als algemene richtvragen voor gesprek zouden de deze misschien dienst kunnen doen:
– Kunt u zich vinden in de hoofdlijn van deze paragraaf?
– Wat spreekt u het meeste aan en waarom?
– Bij welk punt ervaart u een zekere weerstand, redelijk of emotioneel?
– Zijn er Bijbelse gronden voor uw gedachten of gevoelens?
– Vinden wij het de moeite waarde om via vergelijkend Bijbelonderzoek, aan de hand van een concordantie, meer licht te krijgen op dit punt?
– Hebt u aanvullende notities of verwijzingen naar andere bronnen of auteurs?)