Wellicht gold als grondregel al vanaf Abel, de ‘eerste offeraar’: alleen vlees eten aan de vrede-offermaaltijd. Bij een vredeoffer werd wel zoals bij de brandoffers bloed gesprenkeld rond het altaar, maar het offerdier (van rundvee of kleinvee) werd niet op het altaar verbrand: alleen van het binnenste gingen enkele edele, tere delen in rook op als reukoffer. Nadat een groot gedeelte van het beste vlees aan de priesters was gegeven, werd het overige door de offeraar zelf genuttigd in de kring van familie, vrienden en kennissen aan een feestelijke maaltijd, waarin de vrede, de heelheid van de relatie met God en met elkaar gevierd werd. De bloedsprenging vooraf was een wezenlijk onderdeel: het symboliseert de genade van God, Die in plaats van schuldig mensenbloed het bloed aanvaardt van een onschuldig offerdier. Voor de slachting moest de offeraar dan ook zijn hand op de kop van het offerdier leggen, waarmee hij zich vereenzelvigde met het offerdier en zichtbaar de belijdenis uitsprak: ik heb geen recht op vrede met God, maar dit offerdier neemt mijn plaats in, net als het offerdier op de berg Moria voor Isaäk, en dank zij deze verrassende genade Gods mag ik nu de vrede met Hem vieren in een vreugdevolle maaltijd.
Israël bracht dus geen offers óm God te verzoenen, zoals de heidenen deden, maar ómdat God verzoend wás.
Voordat Jeruzalem het liturgisch middelpunt was konden deze offermaaltijden nog gehouden worden in de eigen woonplaats (al of niet met medewerking van de profeet/godsgezant): Saul hield maaltijden in zijn paleis, vader Isai in zijn woonplaats Bethlehem. Maar na de bouw van het Heiligdom in Jeruzalem werden deze maaltijden daar geconcentreerd (Deut.12:6,13,14).
Waarom het aannemelijk is, dat ook Abel behalve de brandoffers van de eerstelingen, ook al vredeoffermaaltijden hield? Omdat hij blijk gaf de kern van de Torah te kennen. Immers hij offerde van de eerstelingen van zijn vee volgens de grondwet van de Torah: ‘alles min één’, van alle bomen mag U eten, behalve van één. In deze leefregel die God rechtstreeks aan vader Adam had meegegeven en die deze logischerwijs later ook aan zijn kinderen zal hebben doorgegeven, zat als in een knop heel de Torah: alles staat ons ter beschikking, behalve één, behalve één tiende, behalve de eerstelingen, die bestemd zijn voor God en Zijn dienst. Kaïn stoorde zich niet aan deze kernregel, hij gaf wat hem zelf goed dacht en daardoor had God geen welgevallen aan Kaïns offer. Maar Abel leefde nauwgezet: hij gaf God de Hem toekomende eerstelingen. Het is aannemelijk dat Abel – mede door zijn nauwe contact met Adam – een diep inzicht had in heel de Torah zoals deze later aan Mozes bekend gemaakt is, en dat hij dus ook kennis had omtrent de vredemaaltijden en het daarbij horende fijnzinnige en verootmoedigende ritueel van de bloedsprenging. Het is ook aannemelijk, dat Kaïn en zijn nageslacht tot aan de zondvloed ‘geen boodschap’ had aan deze Goddelijke instructies betreffende de vleesconsumptie: zij aten wat hun zelf goed dacht, zonder respect voor God, maar ook zonder respect voor het dier als schepsel Gods.
De cultuur van vóór de zondvloed was gewelddadig, bloeddorstig: in plaats van het bloedsprengingsritueel beoefende men wellicht – zoals ook in het latere heidendom – het ritueel van het drinken van dierenbloed en het nuttigen van levend vlees.
Na de zondvloed verbood God niet meteen radicaal alle vleesconsumptie. Waarom niet? Omdat het water van de zondvloed wel lichamelijk gezien de aarde had gereinigd, maar nog niet de menselijke ziel: ook de kinderen van Noach waren mede door de ruwe bloeddorstige cultuur beschadigd. Daarom ging God ‘pedagogisch’ te werk door enerzijds toegeeflijk te zijn, maar door anderzijds duidelijk paal en perk te stellen aan deze ruwe, bloeddorstige cultuur: men mocht nog wel alle vlees eten – ‘al wat leeft’ -, maar geen vlees met bloed.
Merkwaardig dat de eerste handeling van Noach op de vernieuwde aarde het offeren van brandoffers was, net als Abel. Toen Israël later bij de Sinaï uitdrukkelijke aanwijzingen kreeg over het dierenoffer en de vredeoffermaaltijd, was er weer sprake van dezelfde pedagogie, maar dit keer is het strenger. Niet meteen werden radicaal alle andere vormen van vleesconsumptie verboden: naast de offermaaltijden in Jeruzalem thuis mocht men in hun eigen woonplaats vlees eten zoveel men wilde (Deut.12:15) , maar wel weer met een nieuwe, strikte beperking: niet alleen geen vlees met bloed, maar ook geen vlees van onreine dieren. Mozes kreeg daarvoor uitdrukkelijke, gedetailleerde spijswetten (Deut 14:1.21). Men kan deze toestemming zien als opnieuw een concessie, een toegeeflijkheid of aanpassing aan de hardnekkige ‘volkse vleeslust’, die stamt uit het oude heidendom en die niet in één slag uit te roeien is. De teneur van de nieuwe wetgeving is: hoewel vlees eten niet direct in alle opzichten afkeurenswaardig is, past het toch eigenlijk niet bij het Godsvolk. Zoals ook echtscheiding niet past bij de kinderen Gods maar ‘terwille van de hardheid der harten heeft Mozes het toegestaan’ (Matth.19:8).
Tegelijk betekenen deze spijswetten een enorme beperking van de vleesconsumptie: de ‘volkse vleeslust’ wordt er door getemperd, geremd. Men kan niet zomaar naar hartelust eten wat opgediend wordt, maar men moet zich steeds afvragen: kan ik dit wel eten?
Het zich strikt houden aan de speciale spijswetten is een oefening in zelfbeheersing en een stap in de richting van het oerBijbelse consumptiepatroon uit de dagen van Abel: alleen vlees van offermaaltijd.
Een goede gewoonte in het Jodendom en eveneens een goede oefening is het om met Shabhú’ oth geen vleesspijzen te eten. Een andere veel ingrijpender Joodse oefening is de kosjere keuken met de strenge scheiding tussen melk en vleesspijzen. Deze scheiding ontleent men aan Deut.14: 21, een merkwaardig op zichzelf staande tekst, die vrijwel onmiddellijk volgt op de voorschriften over welke dieren men wel en welke men niet mag eten: ‘gij zult het bokje niet koken in de melk van de moeder’. Hoewel men de vraag kan stellen of het exegetisch gezien wel terecht is om uit dit ene gezegde zo’n ‘berg’ aan praktische regels af te leiden, is het praktische effect van deze uitleg een voortdurende oefening in zelfbeheersing en een stap de richting van de oerBijbelse regel: alleen vlees bij vredeoffermaaltijden.
Het is niet geheel duidelijk wat de originele Bijbelse rictlijn is voor het eten van vlees maar de stelling lijkt aannemelijk, dat vanaf Abel, de eerste brandofferaar, de regel is geweest: alleen vlees aan de vredeoffermaaltijd. Bij een vredeoffer werd wel zoals bij de brandoffers bloed gesprenkeld rond het altaar, maar het offerdier (van rundvee of kleinvee) werd niet op het altaar verbrand: alleen van het binnenste gingen enkele edele, tere delen in rook op als een reukoffer. Nadat een groot gedeelte van het beste vlees aan de priesters was gegeven, werd het overige door de offeraar zelf genuttigd in de kring van familie, vrienden en kennissen aan een feestelijke maaltijd, waarin de vrede, de heelheid van de relatie met God en met elkaar gevierd werd. De bloedsprenging vooraf was wezenlijk onderdeel: het symboliseert de genade van God, Die in plaats van ons schuldige bloed het bloed aanvaardt van het onschuldige offerdier. Voor de slachting moest de offeraar dan ook zijn hand op de kop van het offerdier leggen, waarmee hij aangaf dat hij zich vereenzelvigde met het offerdier en in feite de belijdenis uitsprak: ik heb geen recht op vrede met God, maar dit offerdier neemt mijn plaats in net als het offerdier op de berg Moria voor Isaäk, en dank zij deze verrassende genade Gods mag ik nu de vrede met Hem vieren in een vreugdevolle maaltijd. Israël bracht dus geen offers óm God te verzoenen (zoals de heidenen), maar omdát Hij Zich met ons verzoend heeft!
Voordat Jeruzalem het liturgisch middelpunt was konden deze offermaaltijden nog gehouden worden in de eigen woonplaats (al of niet met medewerking van de profeet/godsgezant): Saul hield maaltijden in zijn paleis, vader Isai in zijn woonplaats Bethlehem. Maar na de bouw van het Heiligdom in Jeruzalem werden deze maaltijden daar geconcentreerd.
Waarom is het aannemelijk, dat ook Abel behalve de brandoffers van de eerstelingen, ook al vredeoffermaaltijden hield? Omdat hij blijk gaf de kern van de Torah te kennen; immers hij offerde van de eerstelingen van zijn vee, volgens de grondwet van de Torah: alles min één, van alle bomen mag u eten, behalve van één. In deze leefregel die God rechtstreeks aan vader Adam had meegegeven en die deze logischerwijs later ook aan zijn kinderen zal hebben doorgegeven, zat als in een knop heel de Torah: alles staat ons ter beschikking, behalve één, behalve één tiende, behalve de eerstelingen die bestemd zijn voor God en Zijn dienst. Kain stoorde zich niet aan deze kernregel, hij gaf wat hem zelf goed dacht en daardoor had God geen welgevallen aan Kaïns offer. Maar Abel leefde nauwgezet: hij gaf God de Hem toekomenden eerstelingen. Het is aannemelijk dat Abel – mede door zijn nauwe contact met Adam – al een diep inzicht had in heel de Torah zoals die later aan Mozes bekend gemaakt is, en dat hij dus ook kennis had met betrekking tot de vredemaaltijden en het daarbij horende fijnzinnige en verootmoedigende ritueel van de bloedsprenging.
Het is ook aannemelijk, dat Kaïn en zijn nageslacht tot aan de zondvloed ‘geen boodschap’ hadden aan deze Goddelijke instructies met betrekking tot de vleesconsumptie: zij aten wat hun zelf goed dacht, zonder respect voor God, maar ook zonder respect voor het dier als schepsel Gods. De cultuur van vóór de zondvloed was gewelddadig, bloeddorstig: in plaats van de bloedsprengingsritueel, beoefende men wellicht, zoals ook in het latere ‘Dionysische’ heidendom, het ritueel van het drinken dierenbloed en het nuttigen van levend vlees.
Na de zondvloed verbood God niet radicaal alle vleesconsumptie. Waarom niet? Omdat het water van de zondvloed wel lichamelijk gezien de aarde had gereinigd, maar nog niet de menselijke ziel: ook de kinderen van Noach waren mede door de ruwe bloeddorstige cultuur beschadigd. Daarom ging Hij ‘pedagogisch’ te werk door enerzijds toegeeflijk te zijn, maar door anderzijds duidelijk paal en perk te stellen aan deze ruwe, bloeddorstige cultuur.: men mocht nog wel alle vlees eten – ‘al wat leeft’ -, maar geen vlees met bloed. Merkwaardig dat de eerste handeling van Noach op de vernieuwde aarde was het offeren van brandoffers, net als Abel.
Toen Israël later bij de Sinai uitdrukkelijke aanwijzingen kreeg over het dierenoffer en de vredeoffermaaltijd, is er weer sprake van dezelfde pedagogie maar dit keer is het strenger. Niet meteen werden radicaal alle andere vormen van vleesconsumptie verboden: men mocht naast de offermaaltijden in Jeruzalem thuis in hun eigen woonplaats vlees eten zoveel men wilde (Deuteronomium12:20,21). Wel weer met een nieuwe, strikte beperking: niet alleen geen vlees met bloed, maar ook geen vlees van onreine dieren. Mozes kreeg daarvoor uitdrukkelijke, gedetailleerde spijswetten (Deuteronomium 14). Men kan deze toestemming zien als opnieuw een concessie, als een toegeeflijkheid of aanpassing aan de hardnekkige ‘volkse vleeslust’, die stamt uit het oude heidendom en die niet in één slag uit te roeien is. De teneur van de nieuwe wetgeving is: hoewel vlees eten niet direct in alle opzichten afkeurenswaardig is, past het toch eigenlijk niet bij het Godsvolk. Zoals ook echtscheiding niet past bij de kinderen Gods, maar ‘terwille van de hardheid der harten heeft Mozes het toegestaan’ (Matth.19:8) .
Tegelijk betekenen deze spijswetten een enorme beperking van de vleesconsumptie: de vleeslust wordt er door getemperd, geremd. Men kan niet zomaar naar hartelust eten wat opgediend wordt, maar men moet zich steeds afvragen: ‘wat eet ik, kan ik dit wel eten?’ Het strikt houden van de speciale spijswetten is een oefening in zelfbeheersing en een stap in de richting van het oerBijbelse consumptiepatroon uit de dagen van Abel: alleen vlees van offermaaltijden.
Een goede gewoonte in het Jodendom en eveneens een goede oefening is het om met Shabhú’oth (het feest ter herinnering aan de Gods openbaring bij de Sinai, waarop ons ‘Pinksteren’ stoelt) geen vleesspijzen te eten. Een andere veel ingrijpender Joodse oefening is de koshere keuken met de strenge scheiding tussen melk en vleesspijzen.
Deze scheiding ontleent men aan Deuteronomium14: 21, een merkwaardig op zichzelf staande tekst, maar die vrijwel onmiddellijk volgt op de voorschriften over welke dieren men wel en welke men niet mag eten: ‘gij zult het bokje niet koken in de melk van de moeder’. Hoewel men de vraag kan stellen of het exegetisch gezien wel terecht is om uit dit ene gezegde zo’n ‘berg’ aan praktische regels af te leiden, is het praktische effect van deze uitleg een voortdurende oefening in zelfbeheersing en een stap in de richting van de oerBijbelse regel: alleen vlees bij vredeoffermaaltijden.
* De pelgrims namen niet meer een offerlam uit de eigen kudde, maar kochten het óp of nabij het tempelplein van herders die zich met hun lammeren tegen het begin van de maand Abhib rond Jeruzalem verzameld hadden, wellicht vooral ook in de velden van Efratah. Als Jezus, wat wel aannemelijk is, geboren werd op de eerste van Abhíbh (letterlijk: ‘korenaar’) – de viering van Zijn geboorte zou net als de Nieuwjaarsviering passend zijn met Rosh Hashánáh en het daarop volgende Messiaanse Sukothfeest- zouden juist deze herders de boodschap van de engelen gehoord hebben over geboorte van Jezus, hét Lam (Lukas 2: 10 ). Het is ook niet onwaarschijnlijk dat later de ‘koninklijke’ Intocht van Jezus in Jeruzalem plaats vond juist op de 10e Nisan/Abhíbh, precies op de dag dat van alle kanten de herders met hun ‘koopwaar’ ‘intocht’ hielden in Jeruzalem. Vier dagen daarna, in de namiddag van de 14e Abhíbh stierf Jezus, precies op de tijd dat de lammeren door de priesters in de tempel geslacht werden.