14-09-2023

Ezra hoofdstuk 2, terugkeer uit ballingschap

Door Dr. R. van der Giessen

Het Hebreeuws kent twee woorden voor het woord ballingschap. Beide woorden worden in Ezra 2:1 gebruikt: ’En dit zijn de kinderen van de provincie, degene die Aliyah maakten uit de ballingschap van degenen die weggevoerd zijn.’ Doorgaans wordt de Babylonische ballingschap in de rabbijnse literatuur aangeduid als Góláh גולה. Ezra 4:1 spreekt bijvoorbeeld over de kinderen van de ballingschap, de bênej hagóláh בני הגולה . Opmerkelijk is dat hier ook het andere woord gebruikt wordt. Dit is het woord shêbhí שבי, afgeleid van het woord shábháh שבה dat gevangen nemen of wegleiden betekent. In Genesis 31:26 wordt gesproken over de shêbhújóth cherebh שבוית חרב, gevangen van het zwaard. Het woord shêbhí שבי is ook verwant met het woord shêbhó שבו dat edelsteen of agaat betekent. In eerste instantie lijkt er geen verband, maar als we denken aan de schittering die ontstaat als de zon op een edelsteen schijnt is dat de parallel. Zoals zonnestralen, die zich verspreiden op een edelsteen, zo werden de krijgsgevangenen verspreid over de landen tijdens de ballingschap.

Beide woorden voor ballingschap hebben een tegenovergesteld woord. Zo staat góláh גולה tegenover gêúláh גאולה , verlossing. Het uiteindelijke doel van ballingschap is verlossing. De sleutel hierin ligt in het woord shêbhí/shêbhó. Het woord shêbhó שבו heeft namelijk dezelfde letters als shúbh שוב wat terugkeren betekent. Terugkeren waarheen? Naar God! Pas als het volk terugkeert naar God dan is verlossing uit de ballingschap mogelijk.

Vers 2 spreekt over het aantal mannen dat terugkeerde. Om de situatie te begrijpen is het goed om ons te realiseren dat de Joden jarenlang verbannen zijn geweest van hun thuisland. Dit betekent dat, hoewel een aantal Joden nog gewoond had in Judea, het overgrote deel geboren en getogen was in Babylon en dus twee of drie generaties verwijderd van het beloofde land. In honderd jaar tijd kan er enorm veel veranderen en was het collectieve geheugen over het land Israël langzaam verdwenen. Om die reden sprak de gedachte van een terugkeer naar de waarden van de Torah en het beloofde land maar weinigen aan. De oorzaak hiervan lag in de verandering die had plaatsgevonden tijdens de ballingschap. De term ‘Jood’ of Judeeër was onduidelijk geworden en was gebaseerd op een combinatie van religie, etniciteit en familiaire afkomst. De Tempel was verwoest, het priesterschap was verdwenen.

Psalm 137 beschrijft de situatie tijdens de ballingschap: ‘Aan Babels stromen, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij Sion gedachten. Aan de wilgen aldaar hingen wij onze citers; want daar begeerden zij, die ons gevangen hielden, van ons een lied, en zij die ons mishandelden, vreugdebetoon: Zingt ons één van de liederen van Sion. Hoe kunnen wij het lied van de Heer zingen op vreemde bodem?’ De kern van deze vraag is: hoe kan men God dienen als men als gevangene ergens anders leeft zonder tempel en priesterdienst?

Deze vraag is vandaag de dag zelfs relevant voor ons. Hoe kunnen wij God dienen in een vreemd land, een land als Nederland, dat steeds verder van Gods normen en waarden afdrijft. Een land waar de Joods-Christelijke identiteit nog verankerd lag in onze wetgeving, ons onderwijs en onze omgangsvormen, is afgegleden naar een post-humanistische samenleving waar individualisme, egoïsme en perfectionisme de boventoon voeren (dit is overigens een mondiaal probleem vanwege de toenemende globalisering). Ook de ballingen leefden in een samenleving waar ze God niet op de juiste manier konden vereren; in een smeltkroes met heidense religies. Het antwoord op deze vraag was volgens de rabbijnen: de mondelinge traditie. Het gevolg was een eigen vormgeving met de rabbijn als religieuze leider, een synagoge als gebedshuis en zelfbedachte rituelen. En zo ontstond het ‘Judaïsme’. Maar deze goed bedoelde, religieuze wijze was wel enigszins afgeweken van de oorspronkelijke dienst in en rondom de Tempel.

Het was Ezra die terug wilde keren naar de Hebreeuwse wortels door de Torah weer te herstellen. Hij wordt beschreven als ‘sipheer mahir betorat mosheסיפר מהיר בתורת משה , een Schriftgeleerde, bekwaam in de Wet van Mozes.’ Het woord mahir מהיר , afgeleid van mahar מהר dat vloeiend of snel stromen betekent, verwijst naar het feit dat hij behendig en bekwaam was in de Schriften. Maar Ezra behoorde niet tot de meerderheid die het Judaïsme aanhingen; hij ging tegen de ‘mainstream’ in. Betekent dit dat alle diaspora-Joden God verlaten hadden? Zeker niet! De rabbijnen hadden alleen angstvallig gezocht naar een manier om God in de ballingschap te dienen. De bevolking kon zich de oorspronkelijke dienst niet meer herinneren en ze waren ijverig om God te dienen door middel van de Rabbijnse wetten en regels.

Zou Ezra aan de andere kant de perfecte Bijbelse godsdienst kunnen creëren? Helaas niet! Ondanks de herbouw van de Tempel en het herstel van de Tempeldienst bleef het land Israël een provincie van het Perzische rijk. De priesters moesten dus altijd ‘opereren’ in een samenleving met Perzische wetgeving. De Tempeldienst zou ondergeschikt blijven aan de Perzische regelgeving. Ook Ezra probeerde net als de rabbijnen zo goed en zo kwaad als het ging te bewegen binnen de Perzische kaders.

In de persoon Ezra herkennen we gelovigen vandaag de dag die terug willen keren naar de oorspronkelijke Hebreeuwse wortels, ondanks de beperkingen die er zijn. De terugkeer van Ezra naar de oorspronkelijke Torah vertoont een opvallende parallel met de huidige beweging van de terugkeer naar de Hebreeuwse wortels. In de tijd van het boek Handelingen stonden de volgers van Jezus/Jehoshua bekend als ‘De Weg,’ een stroming binnen het Jodendom. Na de verwoesting van de Tempel in 70 na Chr, verspreidden deze volgelingen zich naar andere landen. De heidense gelovigen vormden uiteindelijk ook een eigen systeem, los van Jeruzalem, met de kerkvader en later de dominee als religieus leider, een kerk als gebedshuis en zelfbedachte rituelen. In het Romeinse rijk werd de Sabbat omgezet naar de Zondag (400 na Chr.). De Bijbelse feesten werden afgeschaft of verbonden met heidense feesten en of rituelen. Jezus’ opstanding werd verbonden met heidense opstandingsmythen.

De 21e-eeuwse kerkganger heeft weinig of geen connectie met het beloofde land, de Joodse Jezus of de Torah, na een ‘ballingschap’ van ruim twee millennia. Net als in de tijd van Ezra zijn we losgeweekt van de oorspronkelijke Godsdienst. Net als in de tijd van Ezra wil ook maar een klein deel terug naar de Hebreeuwse wortels; lang niet allemaal. Ook nu geldt dat we Gods wetten niet volledig kunnen houden. De Torah is ten eerste voor één derde gebaseerd op een functionerende Tempel. Bovendien geldt dat wie één Wet overtreedt, die overtreedt de hele Wet. Een rabbijns principe wat ook in Jacobus 2:10 naar voren komt: ‘Want wie de gehele wet houdt, maar op één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle (geboden).’ Bovendien leven we in een samenleving met wetten en regels die niet stroken met Gods Wet, net als in het Perzische rijk. Gooien we de handdoek in de ring? Moeten we als gelovigen Gods richtlijnen dan helemaal maar niet meer toepassen?

De rabbijnen waren en zijn van mening dat dit niet mogelijk was en maakten hun eigen wetten: de rabbijnse Halachah. In onze tijd leren de Christelijke theologen eveneens dat de Wet heeft afgedaan; niet meer van kracht is. Maar moeten we niet veel meer als Ezra denken en proberen terug te keren naar wat God bedoelde? Jezus/Jehoshua leert over de Wet: ‘Meent niet, dat ik gekomen ben om de Wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u: Totdat de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de Wet, tot dat alles zal zijn geschied. Wie dan één van de kleinste van deze geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het koninkrijk van de hemelen…’ (Mattheus 5:17-19). Gods Wet blijft van kracht tot de nieuwe hemel en aarde komen. Tot die tijd werkt de Wet tweeledig; voor hen die niet gelovig zijn fungeert de Wet als een spiegel om de werkelijke natuur van de mens te weerspiegelen. Deze weerspiegeling leidt voor sommigen tot verlossing, een terugkeer naar God in het verzoenende bloed van Jehoshua. Voor anderen leidt dit tot weerstand: ‘De wet immers bewerkt toorn; waar echter geen wet is, is ook geen overtreding’ (Romeinen 5:14). De Torah definieert wat zonde is. Voor wie gelooft, fungeert de Wet als leidraad voor diens levenswandel: ‘En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen: indien wij zijn geboden bewaren. Wie zegt: Ik ken Hem, en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet, maar wie zijn Woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt. Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem zijn. Wie zegt dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zo te wandelen, als Hij gewandeld heeft’ (1 Johannes 2:3-6).

Wat betekent dit in de praktijk? Net als in de tijd van Ezra kunnen we niet iedere wet houden. Sommige wetten kunnen we volledig volgen, anderen slechts gedeeltelijk. Er zijn geboden die we alleen in de geest van de Wet kunnen volgen: dat wil zeggen het volgen van de principes van de Wet op basis van de omstandigheden en de achterliggende gedachte van het gebod. We lezen later in Ezra dat hij soms alleen de principes van de Wet volgde, omdat de situatie in het Perzische Rijk het niet anders toeliet.

Hoofdstuk twee geeft een lijst met mensen die met Zerubbabel uit de ballingschap terugkeerden naar Jeruzalem. De naam Zerubbabel geeft niets meer aan dan dat hij afkomstig was uit Babylon (afgeleid van zarab = afstammen van Babel = Babylon). De naam is waarschijnlijk een Hebreeuwse variant van Sheshbassar (de Perzische naam) die in hoofdstuk één wordt genoemd. De lange lijst begint met een opvallende naam. De naam Jeshua ישוע is een afkorting van Jehoshua יהושע wat betekent God redt (net als de Nederlandse afkortingen Jan voor Johannes of Kees voor Jacobus). Jeshua ישוע is degene die als eerste van de ballingen wordt genoemd, hij ging de ballingen als het ware voor. We kunnen de namenlijst zien als een feitelijke opsomming, maar vanuit geestelijk oogpunt is er een diepe betekenis. Deze Jeshua, zoon van Jehosadak (Ezra 3:2) werd later tot Hogepriester gezalfd en werd daarmee de eerste Hogepriester na de ballingschap en na het herstel van de tempel. De profeet Zacharia leefde in de tijd van Ezra en kreeg in totaal acht visioenen. In zijn achtste visioen lezen over deze Jeshua met zijn volledige naam: Jehoshua, zoon van Jehosadak: ‘Neem dan zilver en goud en maak een kroon en zet die op het hoofd van de Hogepriester Jozua, de zoon van Jehosadak, En zeg tot hem: Zo zegt de Here der heerscharen: zie, een Man, wiens naam is Spruit. Deze zal uit zijn plaats uitspruiten en Hij zal de tempel des Heren bouwen. Ja, Hij zal de tempel des Heren bouwen en Hij zal met majesteit bekleed zijn en als Heerser zitten op zijn troon; en hij zal Priester zijn op zijn troon…’ (Zacharia 6:11).

De achtste van deze visioenen, het getal 8, verwijst naar de Messias. Ook de rabbijnen zagen in deze bijzondere priester-koning het beeld van de Messias. Het woord Spruit, Tsemach צמח is een naam van de Messias: ‘Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit (Tsemach צמח ) zal verwekken; Die zal als koning regeren en verstandig handelen, Die zal recht en gerechtigheid doen in het land’ (Jeremia 23:5). De naam Jeshua verwijst dus naar onze Messias: ‘Zij zal een zoon baren en u zult Hem de naam Jezus (lees Jeshua/Jehoshua יהושע ) geven. Want Hij is het Die zijn volk zal redden van hun zonden’ (Mattheüs 1:21). De naam Jeshua verwijst naar de geestelijke ballingschap waaruit we verlost zijn. Paulus beschrijft dit als volgt: ‘Maar nu de Messias is opgewekt uit de doden, als Eersteling van hen, die ontslapen zijn. Want de dood er is door een mens en ook de opstanding uit de dood door een Mens. Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in de Messias allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: de Messias als Eersteling, vervolgens die van de Messias zijn bij zijn komst…’ (1 Korinthiërs 15:20-24).

Het is Messias Jeshua die als Eersteling voor ons uitging en ons bevrijdde uit de geestelijke ballingschap van zonde en dood. Zoals deze Jeshua als eersteling uit de ballingschap vooropging en later de Hogepriester werd, zo stond de Messias Jeshua als Eersteling uit de dood op en werd Hij onze geestelijke Hogepriester. De schrijver van de Hebreeën-brief stelt het als volgt: ‘Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen. Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen’ (Hebreeën 2:17-18).