De Farizeërs, deze vrome afgescheidenen, hebben niet mee gedaan aan de officiële beschuldiging, veroordeling en oproep tot kruisiging. In het lijdensverhaal ontbreken de Farizeeën totaal, alleen in Johannes 18:3 staat dat bij de gevangenneming slaven (buitenlanders dus) van de overpriesters en Farizeërs betrokken waren. De Farizeërs konden er ook niet bij zijn omdat het voor hen al Pesach was. Zij vierden dit feest een dag eerder dan de priesterlijke Sadduceeën.* Omdat de vromen onder Israël de orde van de Farizeërs volgden was de overgrote meerderheid van de orthodoxe Joden er ook niet bij betrokken en hebben zij niet geroepen: kruisig Hem! Het officiële proces tegen Jêhóshua` was een daad van het Joodse establishment: de priesters, de theologen en de burgerlijke bestuurders (oudsten of ‘oversten’) met een toplaag uit het volk, de Grieksgezinden of Hellenisten vooral. Het huidige Jodendom stamt af van het Farizese Jodendom en dat zegt toch iets!!
Merkwaardig dat in de Statenvertaling (Mattheüs 27:41) staat dat er wel Farizeërs bij de kruisiging aanwezig waren. Maar in de Griekse, meest betrouwbare grondtekst die ten grondslag ligt aan de NBG, de NBV en ook aan de Willibrordvertaling, komen de Farizeën niet voor. Waarom handhaaft ook de Vernieuwde Statenvertaling dan toch deze lezing? Tunnelvisie?
*Van christelijke zijde is wel verondersteld dat de kohanim, deze aparte priesterklasse, die sinds de zonde met het Gouden Kalf de bêchorim, de oudste zonen, vervangen heeft, in de komende Messiaanse tijd, als de lofzang in Jeruzalem hersteld is, om reden van hun betrokkenheid bij de kruisiging, niet hun priesterlijke hoofdrol terug krijgen, maar dat de bêchorim, de oudste zonen, de originele presbyters (‘priesters’) weer in de hoofdrol komen, daarbij ondersteund en begeleid door kohanim en Schriftgeleerden. Ook een tunnelvisie?