Dit hoofdstuk gaat over de schapen van Israël, die opgegeten worden door hun herders. God is daar erg boos om en zegt dat Hij Zelf een Herder zal aanstellen om Zijn schapen te weiden. Dit visioen van Ezechiël speelt zich af wanneer de Tien Stammen al in ballingschap zijn en Judea inmiddels niet méér is dan een stadstaat. God spreekt over de herders, wat in het algemeen wordt uitgelegd als de koningen van Israël, die zich verrijkt hebben over de rug van de burgers, de schapen. Het gedrag van de herders heeft de schapen verstrooid en tot voedsel gemaakt voor de wilde dieren. In plaats van de schapen te voeden, hebben de herders zich aan de schapen gevoed, wat een grove overtreding is.
In vers 4 noemt God vijf dingen die de herders hebben nagelaten te doen aan de schapen: de zwakken sterkt gij niet; het zieke heelt gij niet; het gebrokene verbindt gij niet; het weggedrevene brengt gij niet terug en het verlorene zoekt gij niet. In plaats daarvan heersen de herders met strengheid en hardheid over de schapen. Twee opmerkingen hierover met als eerste: het weggedrevene brengt gij niet terug, in dit woord terugbrengen staat als woordstam het Hebreeuwse woord שוב shubh, omkeren, waarvan het woord תשובה teshubhah, bekering is afgeleid. Terugbrengen is dus ook het terugbrengen van de schapen van geestelijke dwaalwegen, van zonden. De tweede opmerking gaat over het zoeken naar het verlorene. In de Hebreeuwse grondtekst staat de woordstam בקש baqash, zoeken, verzoeken, opeisen. Vooral dat verzoeken is een typische betekenis in deze context. Zoeken en verzoeken zijn hier één! Van verzoeken is afgeleid het woord בבקשה bebhakashah, alstublieft! Alsof de herder aan de schaapjes moet vragen om alstublieft terug te komen, of, en dat is in werkelijkheid ook zo: zoals men bijvoorbeeld de Russische regering in de vorige eeuw moest verzoeken om het Joodse volk, de schapen, te laten gaan, om teruggebracht te worden naar hun eigen land Israël. En als het verzoek niet werkt, dan moet er opgeëist worden want God zet Zijn plannen met Zijn schaapjes door! In vers 12 en 13 belooft God dat Hij Zelf Zijn schapen zal opzoeken ten tijde van wolk en donkerheid. Hij Zelf zal hen uit de volken leiden en hen weiden op de bergen Israëls. Hieruit blijkt dat we met mensen te maken hebben, die bij andere mensen/volken weggeleid worden. Het volk Israël zal weer verzameld worden volgens deze profetie en heden ten dage is deze profetie in vervulling aan het gaan. De wolk en donkerheid doen denken aan het laatste der dagen.
In vers 14, 15 en 16 spreekt God over twee manieren van het weiden van de schapen en in het Jodendom is daar een prachtige verklaring voor te vinden: de twee woorden voor weiden zijn רעה ra‘ah, weiden, laten grazen en רבץ rabats, zich neerleggen, legeren. Men spreekt in verband met het weiden van het individuele schaap over רעה ra‘ah, elk schaap krijgt van de herder wat het nodig heeft: het wordt verbonden, gesterkt en geheeld, oftewel het wordt geheel verzorgd. Wanneer men ongehoorzaam is aan Gods wil, dan treedt de andere manier van weiden in werking: het van een afstand toezien op de kudde: רבץ rabats. De kudde wordt wel geweid, maar op het individuele schaap wordt niet direct meer gelet. Er wordt alleen gelet op het voortbestaan van de kudde in het algemeen. Als we deze wetenschap toepassen op het bestaan van het volk Israël, dan zien we dit door de eeuwen heen dan ook in werking. Het volk bestaat nog steeds, daar zorgt God voor, maar hoeveel Joden hebben in de afgelopen eeuwen geschreeuwd naar de hemel: God, waar bent U?!
Jehoshua kwam op aarde als het Levende Woord. Hij kwam om de verloren schapen bij elkaar te zoeken, om het weggedrevene op te eisen, om te verbinden wat gewond was en om te genezen wie dat nodig had. Hij sprak over Zichzelf: Ik ben de Goede Herder: רעי טוב ro’i tobh. Hij zei ook dat Hij niet gekomen was om te oordelen, maar om bijeen te brengen. Hij kwam om vóór te leven hoe Zijn Vader het had bedoeld. Overigens is er een woordverband tussen herder: רעי ro’i en slechtheid, kwaad: רע ra. Vandaar waarschijnlijk dat Hij specifiek sprak: Ik ben de Goede Herder; in Mij is geen kwaad, geen slechtheid, enkel goedheid. Deze Goede Herder is erop uit om elk schaap individueel te zoeken, terug te brengen te verzorgen, te verbinden, te genezen, aan Zichzelf te binden zodat ze niet meer ongehoorzaam zijn.
In vers 27 spreekt God over het geboomte des velds dat zijn vrucht zal voortbrengen ‘en het land zal zijn inkomsten geven en zij zullen zeker zijn in hun land en ze zullen weten dat Ik de Aanwezige יהוה JHWH ben als Ik hun juk verbroken zal hebben en hen gerukt heb uit de hand van degenen die zich door hen lieten dienen. Ze zullen de heidenen niet meer ten roof zijn en het wild gedierte der aarde zullen hen niet meer opeten.’ Wat een heerlijke belofte en het loopt in deze verzen door elkaar dat Hij een Zoon van David op de troon zet en tegelijk Zelf Zijn volk uitleidt en weidt. Die Zoon van David, die Is Hij ook Zelf. God is Eén, zegt Hij zelf in Deuteronomium 6:4, dus is de Vader ook de Zoon en is de Zoon ook de Vader. In Zichzelf is Hij Eén, maar Hij heeft Zich geopenbaard in verschillende uitingsvormen, wie zou het Hem nadoen?
Wat opvalt in dit vers is dat ‘zij zullen weten dat Ik de Aanwezige ben.’ Zij zijn Zijn schapen. Hij openbaart Zich dan aan hen in al Zijn verschijningsvormen, op dat moment zullen Zijn schapen zien wie Hij werkelijk is in al Zijn volheid. Paulus zei al: ‘Nu zien wij nog onvolkomen… maar wij zullen Hem zien van Aangezicht tot aangezicht…’ (1 Kor. 13:12). We hebben al in andere artikelen van dit gegeven gesproken: ook in Ezechiël 35 komt dit voor en in Zacharia, waar staat dat ze Hem dan zullen zien, Die zij doorstoken hebben. God openbaart Zich pas opnieuw als de Gekruisigde in het laatste der dagen en pas wanneer Hij met de vijanden van het volk Israël afgerekend zal hebben. (Ez. 35:11 en 15).
Prachtig is het laatste vers, 31, waar God de sluier neerhaalt en zegt wie die schapen eigenlijk zijn en Wie Hij Zelf is: “Gij nu, o Mijn schapen, schapen van Mijn weide, gij zijt mensen, maar Ik ben Uw God, spreekt de Heere Aanwezige יהוה.” Men leest in het woordje ‘o’ hoe God eigenlijk ontroerd is over Zijn volk, aan wie Hij beloofd heeft dat Hij hen nooit in de steek zal laten, ook al waren ze ongehoorzaam… Hij blijft Dezelfde Goede Herder, toen, nu en altijd.