In de Bergrede die Jezus/Jêhoshúa hield voor zijn discipelen vinden we de bekende uitspraak: “Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied’.” (Mattheüs 5 vers 18). In dit vers wordt het woord ιωτα, jota, gebruikt. Jota is namelijk de naam van de negende letter uit het Griekse alfabet. Helaas staat in alle gangbare Bijbelvertalingen het Griekse denken voorop en wordt het woord ιωτα (ioota) altijd letterlijk vertaald met het woord ‘jota’. Toch is het duidelijk dat hier eigenlijk de kleinste letter uit het Hebreeuwse alfabet wordt bedoeld1). Het Hebreeuwse alfabet bevat in totaal 22 letters en daarnaast nog eens vijf sluitletters, maar zelfs iemand die nog nooit eerder Hebreeuwse letters heeft gelezen kan de י Jod er met gemak uit halen als allerkleinste letter, een ‘onbenullig kommaatje’ dat in de lucht zweeft. Maar het is tegelijkertijd juist dit allerkleinste lettertje, de tiende letter van het aleph-beth, die als enige letter volledig aan de bovenlijn hangt, als het ware een hand2) die in de lucht hangt zonder contact met de aarde te maken. Daarmee is de Jod een verwijzing naar Gods scheppende Hand. Bovendien is de Jod, samen met de letter Waw, één van de Grondstofletters waaruit alle Hebreeuwse letters zijn opgebouwd. Misschien wel de kleinste letter van het aleph-beth, maar dus zeker niet de minste letter. Een onderdeel van deze letter is de tittel3). De tittel, in het Hebreeuws קוץ, qóts genaamd, is het kleine puntje dat aan de bovenkant uit de Jod steekt. De tittel van een Jod is dus het kleinste onderdeel van de kleinste letter (het kleinste van het kleinste = het allerkleinst). Met het voorbeeld van de Jod en de tittel legt Jezus, Jêhoshúa, uit dat zelfs het allerkleinste onderdeel van Gods Torah, Zijn onderwijzing, van belang is. Hij bevestigt dit met de volgende woorden: “Wie dan één van de kleinste van deze geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen.” (Mattheüs 5 vers 19).
Het verhaal van de ‘Jod en de Tittel’
Het is duidelijk dat zelfs het kleinste detail van Gods woord een belangrijke boodschap heeft. Toch blijft de vraag, als we er vanuit gaan dat de toehoorders van de Bergrede een Joodse achtergrond hadden, of de opmerking van de ‘Jod en de tittel’ zomaar uit de lucht kwam vallen? Waren de toehoorders bekend met dit gezegde? In de Rabbijnse traditie is een interessant verhaal over koning Salomo. Toen Salomo op een dag de Torah bestudeerde vroeg hij zich af waarom God de koningen van Israël het volgende geboden had: “Hij zal zich niet vele vrouwen nemen…,” (ולא ירבה לו נשים, wêlo’ jarbeh ló náshím, Deuteronomium 17:16)4). Salomo’s antwoord hierop was het vervolg van deze zin: “… opdat zijn hart niet afwijke!” Salomo redeneerde als volgt: ‘Als mijn hart niet afwijkt dan kan ik vele vrouwen nemen!’ Hierop ging de Jod van het woord ירבה, jarbeh (=hij zal vermenigvuldigen, vergaren), zich bij God beklagen met de woorden: “U heeft toch gezegd dat er nooit een letter uit de Torah zal vergaan? Nu is koning Salomo gekomen en wil toch een letter teniet doen. Vandaag doet hij één letter teniet, wie weet zal hij morgen nog een letter weghalen tot de hele Torah ontbonden is?” God antwoordde: “Salomo en duizend anderen zullen voorbij komen, maar er zal geen tittel van u uitgewist worden!” In 1 Koningen 11:4 wordt beschreven dat de Jod zijn gelijk heeft gekregen: ‘Want het geschiedde, toen Salomo oud geworden was, dat zijn vrouwen zijn hart meevoerden achter andere goden’.
Geen letter verloren
Het is duidelijk dat Jezus, Jêhoshúa, met de uitdrukking van de ‘Jod en de tittel’ een verwijzing maakte naar dit verhaal. Het laat ook zien dat de Joodse schrijver Mattheüs beter bekend was met deze Rabbijnse uitleg dan Lukas, (waarvan over het algemeen wordt aangenomen dat hij een Griekse achtergrond heeft gehad) die alleen maar melding maakt van de tittel en niet van de jota (Lukas 16:17). Toch maakt de Bijbel eerder geen uitdrukkelijke melding van Gods belofte dat hij nooit een letter van Zijn woord zal laten vergaan5). Een goed verstaander heeft echter maar een half woord nodig of in dit geval maar één letter. Er is impliciet namelijk wel een taalkundig bewijs dat God alle letters in Zijn Woord met zorg bewaart. In Genesis 17:15 wordt bij aartsmoeder Sarah de Jod door God verwijderd (De י Jod wordt namelijk vervangen door de letter ה Hé+, Saraj werd Sarah). Het bewijs dat God geen letter laat vergaan zien we terug als diezelfde Jod wordt teruggeplaatst bij Jozua, de zoon van Nun, die het volk Israël het Beloofde Land zou binnenleiden. Jozua heette aanvankelijk ‘Hosea’, maar werd veranderd in Jêhóshú`á, met de Jod ervóór (Numeri 13:16).
1 – Het is een aannemelijke gedachte dat de uitdrukking ‘ergens geen jota van snappen’ wellicht ontstaan is uit de onduidelijkheid over de letter Jota. Hoewel de gangbare uitleg is dat met de letter Jota de kleinste letter uit het Griekse alfabet wordt bedoeld (= ‘ergens zelfs het kleinste niet van snappen’), is de letter helemaal niet zoveel kleiner in vergelijking met de andere Griekse letters. Het is jammer dat de Bijbelvertalers, toen ze er ‘geen jota van snapten’, niet gekozen hebben om de Griekse ‘Jota’ te vertalen met de oorspronkelijk bedoelde Hebreeuwse letter Jod.
2 – Hoewel de woorden Jota en Jod een duidelijk woordverband en verwante klank hebben, heeft de Griekse letter jota geen enkele betekenis, terwijl de Hebreeuwse letter Jod daarentegen een (diepere) betekenis en verhaal kent. Het woord Jod komt van het woord Jad dat ‘hand’ betekent. Het woord jad is ons bekend uit het Jiddisch: ‘jat’ is hand, ‘jatten’ is met de hand iets weggrissen en een ‘joetje’ is ons vroegere ‘tientje’.
3 – Het Griekse woord voor ‘tittel’ is κεραια, keraia, dat afgeleid is van het woord κερας, keras. dat ‘hoorn’ betekent. Waarschijnlijk wordt hiermee het puntige uitsteeksel op de bovenkant van de letters bedoeld dat als het ware een ‘hoorntje’ vormt op de letter. De tittel is, naast de letter Jod, tevens terug te vinden op onder andere de letters Aleph, Shin, Teth en de Nun. In de Talmoed komt ook de uitdrukking de ‘tittel van de Jod’ voor als aanduiding voor het kleinste onderdeel van de Torah (Menachoth 29a).
4 – Dit gebod is onderdeel van een aantal geboden die de koningen van Israël in acht moesten nemen. Hoewel God het koningschap afwijst (zie 2 Samuël 8:7) heeft Hij, om het volk dat naar een menselijke koning zou verlangen tegemoet te komen, een aantal ‘koninklijke’ geboden in Zijn Torah gegeven. Deze geboden worden in Deuteronomium 17 beschreven. Het gaat om een drietal negatieve geboden die allemaal beginnen met de woorden: lo’ jarbeh, Hij niet vergaren (in de vertaling is dit niet terug te vinden). De koning mocht geen paarden, vrouwen en geld vergaren (in het algemeen: zijn status verlenen aan rijkdom). Daarnaast wordt een positief gebod beschreven in vers 18: ‘Wanneer hij (= de koning) nu op de koninklijke troon gezeten is, dan zal hij voor zich een kopie laten maken van deze Torah, onderwijzing’. Het zou interessant zijn om deze geboden eens naast ons koningshuis te leggen. Het positieve gebod wordt in zekere zin gehouden doordat bekend werd dat koning Willem-Alexander al vóór de troonswisseling officieel beschermheer werd van het Nederlands Bijbelgenootschap, waarbij hij de taak van zijn moeder overgedragen kreeg. Hopelijk staat deze taak niet alleen voor een officiële titel als beschermheer van Gods Woord, maar ook voor een persoonlijke invulling hiervan. Wat betreft de negatieve geboden is er helaas ten opzichte van de Bijbelse koningen niets veranderd: Weliswaar geen meerdere vrouwen, maar het geschatte vermogen van ons koningshuis ligt rond de 50 miljard euro! Helaas volledig buiten de Bijbelse richtlijn.
5 – De uitdrukking komt niet letterlijk in de Bijbel voor, maar de profeet Jesaja beschrijft wel een prachtige belofte met eenzelfde bedoeling: “Het gras verdort en de bloem verwelkt, maar het woord van onze God houdt altijd stand” (Jesaja 40:8).