Geluk in het Hebreeuws is gad (de g met de uitspraak van het Engelse good). Wanneer Lea haar slavin Zilpha aan Jaakov geeft (Gen. 30:11) en Zilpha een zoon baart noemt Lea deze zoon geluk, gewonnen.
Gad is ook het woord voor koriander en het manna in de woestijn leek op korianderzaadjes (Ex. 16:31 en Num. 11: 7). Manna kreeg ook de naam engelenbrood. Het is heel anders dan het brood, het lechem, waar de mens voor moet zwoegen en zweten om het te maken. Het manna (mán in het Hebreeuws) lag daar gewoon op de grond, netjes tussen twee lagen dauw in, als witte, licht grijze korreltjes die zij zomaar konden oprapen. Wat een geluk, wat een ‘gad.’ Geluk is ook iets wat je niet kunt kopen,… het valt je toe… je hoeft het alleen maar op te rapen
De stam Gad was de eerste van de 12 stammen die het Land Israël betraden, het geluk ging voorop :-)