‘Jantje en Klaas waren twee jonge boefjes, die de kunst van het stelen maar niet konden afleren. Iedere keer wanneer er iets gestolen was, wisten de bewoners van hun dorpje wie het hadden gedaan. Op een dag besloot de burgemeester dat het genoeg was met die twee en ze moesten naar de bisschop op gesprek. De bisschop hield een korte preek en sprak hen streng aan. Helaas, het hielp niet. Toen gingen ze naar de dominee. De dominee hield een lange preek en sprak over verdoemenis en hellevuur maar… het hielp allemaal niets, ze bleven stelen.
Als laatste gingen ze dan maar naar de rabbijn. De rabbijn zette Klaas op de gang en Jantje moest eerst op gesprek komen. Zeg Jantje, zei de rabbijn, ga maar zitten en zeg mij eens: wie heeft de aarde geschapen? Jantje kijkt wat verbaasd en na enig nadenken zegt hij: God! Goed zo, Jantje, zei de rabbijn. En Jantje, waar is God? Jantje kijkt wat vreemd de rabbijn aan en weet het antwoord niet. De rabbijn komt wat dichter bij en vraagt nog eens: Jantje, waar is God? Jantje weet het echt niet en wordt wat nerveus. Nu komt de rabbijn nog dichter naar hem toe en vraagt indringend: Jantje, Wáár is God! Nu houdt Jantje het niet meer, hij springt op van zijn stoel, rent naar de gang en schreeuwt tegen Klaas: Wegwezen hier, de Joden zijn hun God kwijt en ze denken dat wij er iets mee te maken hebben…!