Door Tamar Manor
Op Tisha`bê’ Abh, 24 jaar geleden (in 2011, red), werd onze jongste dochter in Tel Aviv geboren. Toendertijd realiseerde ik me niet de betekenis van deze speciale gedenkdag. In tegenstelling tot Yom Kipur, waar het hele leven als het ware stil staat, stopt het leven niet op de Tisha` bê’Abh en rijden zoals elke gewone doordeweekse dag, de bussen en auto’s door de straten.
Het treuren om de verwoesting van de Tempel is eigenlijk ook geen nationaal volksgebeuren, maar eerder een persoonlijke rouwtijd. Een periode vol met emoties van intens verdriet, te vergelijken met de pijn die men voelt bij het overlijden van een dierbare geliefde.
Maar in Israël zien we de laatste 20 jaar naast de toenemende pijn over de verwoesting van de Tempel ook een groeiende bewustwording van wat het verlies van ons religieuze centrum betekent.
Door de constante dreiging van de wereld om het Joodse huis af te breken zijn naast het opbouwen van een groot en sterk leger ook de studies over de Tempel toegenomen. De simcha, de blijde verwachting om op een dag te mogen beginnen met de wederopbouw, zien we daarom elk jaar groter worden. Ook dit jaar (2011) zal er niet alleen gerouwd worden om de verwoesting van de Tempel, maar wordt er tegelijkertijd gebeden en vol verlangen gewacht op het startsein voor de herbouw van G’ds Huis in Zijn stad Jeruzalem. Een Huis dat ook openstaat voor heel de mensheid, ‘want Mijn Huis zal een bedehuis zijn voor alle volken’ (Jesaja 56:70).
Met een hartelijke groet, ook van Uzi,
Tamar Manor uit Israël