Door Moshe Kempinsky*
Gen. 12:1-3 ‘De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis, naar het land dat Ik u wijzen zal. En Ik zal u tot een groot volk maken en u zegenen en uw naam groot maken en wees een zegen. En Ik zal zegenen die u zegenen en vervloeken die u vloekt en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.”
Toen Abraham in Kanaän aankwam was dat slechts het begin. Hij moest leren om een leven te leven dat niet meteen alle vervullingen van de Godsbeloften in zich hield. Hij moest leren om te leven in geloof dat gebaseerd was op het ongewisse.
Hongersnood dwong hem om het beloofde land weer te verlaten. Gevaar dwong hem om het leven van zijn familie te riskeren. Oorlog bracht zijn leven in gevaar. Zelfs de belofte van een natie die zal voortkomen uit het leven van zijn zoon Izaäk was te betwijfelen toen God van Abraham vroeg: “Neem uw zoon, uw enige die u liefheeft, Izaäk, en ga heen naar het land Moria en offer hem aldaar tot een brandoffer op een van de bergen, die Ik u zeggen zal.”
Het gebod: “Lekh lekha, ga gij, uit uw land en uit je maagschap en ga naar het land dat Ik u wijzen zal,” was een dramatische test omdat het Abraham in een geloofshouding moest brengen terwijl de beloften van God nog vervuld moesten worden.
Toen nu Abraham 99 jaar oud was, sprak God in Genesis 18:10: “Ik zal voorzeker weer tot u komen omtrent deze tijd en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben,” oftewel: loop maar naar het ongewisse met je geloof en Ik loop direct achter je.
Uitstelgedrag is een ding waar de mensheid behept mee is, zelfs als men leeft met geloof in een belofte. Uitstelgedrag is de vijand van de visionair en toch is het zo algemeen geaccepteerd in de wereld. Net zo goed in de woorden van Mark Twain: “Stel niet uit tot overmorgen wat je morgen kunt doen.” Zaken uitstellen berooft ons van kansen en houdt ons terug van vooruit te komen. Abraham ontwikkelde daarentegen een geloofshouding waardoor hij niet in deze valkuil viel.
Wanneer Abraham herstellende is van zijn besnijdenis lezen we het volgende: Gen. 18:2-7: ‘En hij hief zijn ogen op en zag, en zie, er stonden drie mannen tegenover hem van de deur der tent en boog zich ter aarde. En hij zeide: Heere, heb ik nu genade gevonden in uw ogen, zo ga toch niet van uw knecht voorbij. Dat toch een weinig water gebracht worde en wast uw voeten en leunt onder deze boom. En ik zal een bete broods brengen, dat gij uw hart sterkt; daarna zult gij voortgaan, daarom, omdat gij tot uw knecht overgekomen zijt.” En zij zeiden: “Doe zoals gij gesproken hebt.” En Abraham haastte zich naar de tent tot Sarah en hij zeide: “Haast u, kneed drie maten meelbloem en maak koeken.” En Abraham liep tot de runderen en hij nam een kalf, teder en goed en hij gaf het aan de knecht, die zich haastte om dat toe te maken. En hij nam boter en melk en het kalf dat hij toegemaakt had en hij zette het hun voor. En hij stond bij hen onder die boom, en zij aten.
Dit was de unieke kwaliteit van Abraham. Als hij voor een taak stond, hoe oncomfortabel, pijnlijk of moeilijk, Abraham haastte zich om de kans te benutten.
Toen hem werd gezegd dat zijn neef Lot gevangen genomen was in een oorlog, dan lezen we: ‘En Abraham hoorde dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe, Genesis 14:14.’ Zonder aarzelen!
Wanneer God aan Abraham vraagt om zijn zoon aan Hem op te offeren lezen we in Genesis 22:3: ‘Toen stond Abraham des morgens vroeg op en zadelde zijn ezel en nam twee van zijn jongens met zich, en Izaak, zijn zoon en hij kloofde hout tot het brandoffer en maakte zich op en ging naar de plaats die God hem gezegd had.’
Ondanks de pijn en het verdriet aarzelde Abraham niet en pakte de kans om te doen wat nodig was.
In een wereld waar afwachtend gedrag en de leus ‘het komt wel goed’ de norm is, leert Abraham ons om de kans te pakken omdat anders het moment voorbij kan zijn…
Hillel de geleerde sprak ooit: “Als ik niet voor mezelf ben, wie zal dan voor mij zijn? Maar als ik alleen maar voor mezelf ben, wie ben ik dan? En als ik het nu niet ben, wanneer dan??”
*Moshe Kempinsky runt samen met zijn broer Dov het winkeltje Shorashim op het Hurvaplein in Jeruzalem. Hij is Tenachleraar en heeft een aantal boeken geschreven met als doel een brug te bouwen tussen Joden en Christenen.