God zegt door de profeet Maleachi: Jakobh heb ik liefgehad en Esav heb Ik gehaat. Esav acht het niet belangrijk om te bidden en te danken voor het eten. Er staat: hij at en dronk en stond op. God plaatst hij achteraan. Het woord voor haten is het Hebreeuwse woord שנא sane.
In het Grieks betekent het woord haten ook miseo μισεω, minder liefhebben, achterstellen en dit verklaart meteen de vreemde uitspraak van Jehoshua: “Als je je ouders, broers, zusters, kinderen en zelfs je eigen leven niet haat, kun je Mijn dienaar niet zijn.” (Lukas 14:26). Hij bedoelt hier niet, zoals wij dat in het Nederlands kennen: een hekel hebben aan, haten, maar Hij bedoelt dat Hij vóórgaat op hen, we moeten hen achterstellen ten opzichte van Hem! Zo gaat Jakobh ook vóór op Esav. Let eens op het woord שנא sana, het heeft een Aleph א aan het eind (voor de ongeoefende lezer: we lezen van rechts naar links in het Hebreeuws). De Aleph is de letter voor God zelf. Hij is de א Aleph, de Eersteling, de Voortrekker, in het woord שנא sana staat de Aleph achteraan, niet vooraan. Als we God, de Eersteling en Voortrekker niet vóór laten gaan, dan haten we Hem eigenlijk zonder dat te beseffen; we stellen Hem achter op andere zaken. Zo zien we in de Nederlandse vertaling dat de betekenis van woorden weg kan vallen, versluierd kan raken door het raster van de vertaling.
God heeft Esav gehaat… Paulus gaat er in Romeinen verder op in: niet iedereen die uit het zaad van Abraham is, is een kind van het geloof, alhoewel elke Israëliet zaad van Abraham is. Paulus claimt dat het gaat om het zaad van Jitschaq en stelt daarbij dat God Jakobh liefhad en Esav haatte. De goddeloosheid van Ezau is een ernstige krenking aan God. Goddeloosheid is niet iets van mensen die God niet kennen, maar is iets van mensen die God juist wel kennen en toch maling hebben aan Zijn geboden, zoals Esav…