Profetes Anna was zowel Jodin als Christin. Het Evangelie van het Koninkrijk Gods is meer dan vergeving van zonde. Jêhóshúa` is als profetische prediker Zijn leerlingen vóórgegaan. Niet bekeren, maar inspireren
Profetes Anna was zowel Jodin als Christin
Het optreden van de profetes Anna kan dienen als model voor de functie van het Christendom binnen de Joodse samenleving. Zij was zowel Jodin als Christin*, zij deed wat typisch is voor het Jodendom en zij deed tegelijk wat typisch is voor het Christendom. Typisch Joods is de lofzang gaande houden, dag en nacht. Het woord ‘Jood/Jehudáh’ betekent letterlijk ‘Godlover’. Anna was een echte Jodin, een volwassen lid van het Joodse priesterlijke volk. Zij was voortdurend in de Tempel om te bidden en bidden op z’n Joods is allereerst: God prijzen om Zijn Grote Daden in het verleden, om Zijn bevrijdend en heiligend Handelen in Israël’s geschiedenis* . Typisch Christelijk is: profeteren, preken of spreken over Gods Grote Daden in de toekomst. In de toekomst die al begonnen is in Jeruzalem op die Goede Vrijdag vóór Pesach en op die PaasZondag ná Pesach, maar vooral ook op de Vijftigste Dag na PaasZondag, de Pinksterdag, toen de profetie van Joël over de uitstorting van Gods Geest vervuld werd en de toekomst begonnen is. De toekomst van radicale bevrijding en heiliging, de toekomst van een radicaal vernieuwde mensheid waarin God door Zijn Geest Zichzelf, Zijn Chesed en ‘Emeth, Zijn Liefde en Trouw weerspiegelt in mensen en in een menselijke samenleving en waar Zijn Torah voor de ordening van de tijd en het aardse bezit de structuur vormen voor vrede op aarde, voor welzijn en welvaart voor alle volken.
* Van Anna staat geschreven dat zij onafgebroken in de Tempel was met vasten en bidden. Vasten is geen Christelijke bijkomstigheid. Zolang de volledige vervulling van de toekomst uitblijft, het koningschap van Israël over de volkerenwereld nog geen realiteit is, is vasten een element van het Christelijk geloof.
Het Evangelie van het Koninkrijk Gods is meer dan vergeving van zonde
Dat de toekomst al begonnen is, dat de door de engelen profetisch aangekondigde ‘Vrede op aarde’ met welzijn en welvaart voor alle volken al aangebroken is, of nog anders gezegd: dat het Koninkrijk Gods al doorgebroken is op aarde, betekent ook dat de Christelijke, profetische prediking zich niet mag beperken tot het Evangelie van de vergeving van de zonden, hoewel dat zeker de krachtigste en kernachtigste Boodschap is van het Oude én het Nieuwe Testament. Het hart van Gods Liefde voor Zijn volk, voor Zijn wereld is Zijn vergevende Liefde: Hij neemt onze zonde op Zich en draagt ze weg. Zoals David het bezingt in Psalm 32: 5 en zoals gesymboliseerd wordt in het offerritueel op Jom Kipur dat opgetekend staat in het hart van de Torah, precies in het midden van het middelste boek Leviticus en dat naadloos aansluit op de profetische visie van Johannes de Doper: zie het Lam Gods (Leviticus 16:21, Johannes 1:29).
Het Evangelie van het Koninkrijk Gods is veel meer omvattend: niet alleen vergeving, maar ook bevrijding uit de macht van de zonde, uit de greep van de satanische Tegenstander en ook heiliging door de Kracht van de Heilige Geest, Die wil inwonen in mensenharten én in het hart, in het centrum van onze menselijke samenleving, in gezins- en volkssamenleving, om ons van binnenuit te vernieuwen, de Goddelijke Chesed en Emeth in ons en in ons samenleven te doen weerspiegelen.
Jêhóshúa` is als profetische prediker Zijn leerlingen vóórgegaan
Typisch voor het Joodse volk is dat het apart gezet is, afgescheiden van de volken, terwijl het tegelijk een roeping heeft voor alle volken: om het leven in het Koninkrijk Gods voor te doen, voor te leven aan de volken. Israël is Gods volk, Zijn eigendom, maar tegelijk ook bestemd om een licht, een lichtende kandelaar te zijn te midden van de volkerenwereld*. Het originele Christendom als binnen-Joodse beweging is met name gespitst op deze roeping, in het spoor van Jêhóshúa`die Zijn discipelen, Zijn gezanten, Zijn profetische predikers uitdrukkelijk de opdracht gegeven heeft om met hun profetische prediking te beginnen in het eigen land. Het Evangelie van het Koninkrijk Gods, van de radicale vernieuwing, bevrijding en heiliging die doorgebroken is, betreft wel de héle mensheid, maar de verkondiging moet beginnen binnen Israël: het Christendom is een binnen-Joodse beweging.
Jêhóshúa` zelf is hen daarin ook voorgegaan: predikend trok Hij het Joodse land door met het Evangelie dat de toekomst begonnen is, dat de tijd is vervuld, het Koninkrijk Gods nabij gekomen is, dat de nieuwe mens en de nieuwe mensheid geen waanidee, maar een mogelijkheid, een werkelijkheid is geworden! (Marcus 1:15). Heel het Joodse volk moest eerst dit Evangelie ontvangen, want het hele volk moet betrokken worden in Israël’s profetische roeping: om een licht voor de volken te zijn, om het Koninkrijk Gods voor te leven, de volken voor te gaan in de lofzang van Israël’s God, dag en nacht, om in deze verwarde wereld een koninklijk, leidinggevend volk te zijn. ‘Och, ware het hele volk des HEREN profeten’, was al de profetische verzuchting van Mozes (Numeri 11:29). Ook voor de apostel Paulus stond de gave van de profetie boven aan de lijst als een onmisbare functie voor de gemeente uit de volken (1 Corinthe 14:5, 39).
* In het woord סגלה sêgulah, dat te zien is als een samenstelling van de woorden סוג sóg: afwijken, omheinen (Hooglied 7:3) en גלה guláh: oliehouder, lichtbron (Zach.3:2,3) en dat voorkomt in verband met Israël’s roeping, (Exodus 19:5,6) worden de beide betekenissen gekoppeld: Israël is Gods speciale eigendom, omheind, afgezonderd van de volken én tegelijk een licht voor de volken.
Niet bekeren maar inspireren: wat betekent dat?
Het originele Christendom als een binnen-Joodse beweging is dus niet bedoeld om de Joden te bekeren tot een nieuwe wereldwijde religie die hun eigen godsdienst overbodig maakt, maar om hen te inspireren een volk van profeten te zijn! Zoals een vrouw haar man kan inspireren, aanvuren, aansporen om te zijn die hij is en om te doen waartoe hij geroepen is. Maar nu: wat betekent dit concreet, niet alleen voor de Joods-Christelijke beweging in Israël, maar ook daarbuiten? Moet de binnen-Joods-Christelijke beweging niet ook een buiten-Joodse beweging worden? En hoe dan? Moeten de volken de Joden gaan nadoen: ‘Joodje gaan spelen’?