Door dr. Ruben van der Giessen
Het boek Ezra vormde vroeger één geheel met het boek Nehemia. In de Talmoed en de Septuaginta worden de boeken bijvoorbeeld als eenheid beschouwd. Pas als de Latijnse Vulgata verschijnt, worden de boeken apart weergegeven. Op advies van de kerkvader Origenes is het geschrift gesplitst tot twee afzonderlijke boeken. Maar is dit een correcte zienswijze op de geschiedenis van Ezra en Nehemia? Het bevestigt juist het Griekse denken dat zijn intrede heeft gedaan bij de Christelijke theologen in de Kerkgeschiedenis. Deze Griekse manier van denken om het geestelijke en fysieke als twee aparte zaken te zien, is geen Bijbelse manier van denken. In het Hebreeuwse denken, daarentegen, wordt het geestelijke en fysieke als één geheel gezien. De Hebreeuwse taal waarin de Bijbel geschreven is, is hier het ultieme voorbeeld van. Het Hebreeuwse schrift bestaat uit medeklinkers die vaststaan en ordelijk zijn. De klinkers daarentegen zijn beweeglijk en kunnen de betekenis van een woord veranderen. De klinkers en de medeklinkers vormen één geheel, maar tegelijk is er sprake van een tweeledigheid die juist zo typisch is voor het Hebreeuwse denken. De boeken Ezra en Nehemia vormen één geschiedenis, maar beschrijven beiden een ander aspect van de gebeurtenissen. Ezra beschrijft met name het geestelijk herstel van de tempeldienst, terwijl het boek Nehemia vooral over het fysieke herstel van de tempel verhaalt. Toch zijn beide zienswijzen cruciaal om een goed beeld te krijgen van de gebeurtenissen en hun betekenis in die tijd.
Het boek Ezra valt onder de geschriften en kan worden gezien als een historisch boek. Maar is dit strikt genomen een geschiedenisverhaal of heeft dit boek ook een profetisch karakter? De periode waarin deze geschiedenissen zich afspelen, beginnen aan het einde van de Ballingschap die reeds door de profeet Jeremia voorspeld is: ‘Dan zal dat gehele land tot een oord van puinhopen, tot een woestenij worden. Deze volken nu zullen de koning van Babel dienstbaar zijn zeventig jaren.’ De profeet Jesaja profeteert de gebeurtenissen van Ezra en Nehemia al 150 jaar eerder: ‘Die (God) tot Kores zegt: Mijn herder, hij zal al Mijn welbehagen volvoeren door tot Jeruzalem te zeggen: het worde herbouwd en de tempel worde gegrondvest’ (Jesaja 44:28). Allereerst vormt het boek Ezra dus een uitgekomen profetie. Maar als we dieper kijken naar het achterliggende patroon in het verhaal, vormt dit een model voor de toekomst en daarvoor moeten we allereerst kijken naar de juiste context.
In het boek Ezra geeft de Perzische koning Kores de opdracht aan alle Joden in zijn rijk om terug te keren naar Jeruzalem voor de herbouw van de Tempel: ‘Zo zegt Kores, de koning van Perzië: alle koninkrijken van de aarde heeft de Here, de God des hemels, mij gegeven en Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda. Wie nu onder u tot enig deel van zijn volk behoort, zijn God zij met hem, hij trekke op naar Jeruzalem, in Juda, en bouwe het huis van de Here, de God van Israël, dat is de God, Die in Jeruzalem woont.’ Een bijzondere verordening wordt hier beschreven: ‘Hij trekke op naar Jeruzalem, in Juda.’ Het Hebreeuwse werkwoord `álah betekent opstijgen of optrekken en dit woord kunnen we terugvinden in het modern Hebreeuws als men spreekt over immigranten die naar Israël komen. Deze immigranten maken ‘aliyah.’ Koning Kores roept dus iedere Jood op om aliyah te maken en terug te keren naar het beloofde land. Een profetische opdracht!
Hoewel deze woorden van Kores erg plechtig klinken, moeten we zeker niet de indruk krijgen dat Kores iemand is die het Joodse geloof aanhoudt of bekeerd is tot de God van Israël. De typisch Babylonische term ‘God des hemels,’ Elohej Hashamajim, verklapt de heidense achtergrond van deze koning. De heidense volkeren in die tijd geloven dat elke regio of elk land een eigen godheid heeft die regeert over dat specifieke gebied. Het land Israël vormt daar geen uitzondering op. Dit verklaart ook de zin ‘…dat is de God, die in Jeruzalem woont.’ Kores wil niets meer dan alleen de zegen ontvangen van alle godheden binnen zijn rijk (We zien dit later terug in Ezra hoofdstuk 6 waar deze reden expliciet wordt genoemd). Om die reden laat hij tempels en heiligdommen herbouwen in het hele koninkrijk. Vanuit menselijk oogpunt is het dan niet meer dan gebruikelijk dat ook in Jeruzalem de Tempel herbouwd mag worden. Maar niets is minder waar want de tekst ervóór geeft duidelijk aan dat dit onderdeel is van Gods plan: ‘In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, wekte de Here, opdat het woord des Heren, door Jeremia verkondigd, zou worden voltrokken, de geest van Kores, de koning van Perzië, op, om door zijn gehele koninkrijk, ook in geschrifte, deze oproep te doen uitgaan.’ Hier zien we niet alleen dat God Kores tot dit besluit aanzet, maar ook dat deze gebeurtenis reeds vóór de Ballingschap door de profeten is voorspeld. We missen echter een belangrijk aspect van dit koninklijke besluit als we niet ook de grondtekst meenemen in deze geschiedenis. De zin ‘deze oproep te doen uitgaan’ is in het Hebreeuws: wajá`abher qól. Deze zinsconstructie komt in de Bijbel verder niet voor, behalve in 2 Kronieken 36:22 waar exact dezelfde geschiedenis wordt beschreven. Wie het woord qól, stem, opzoekt in de Bijbel, komt snel tot de ontdekking dat hier sprake is van een ongebruikelijke zinsconstructie, want meestal wordt de stem in verband gebracht met de werkwoorden horen of gehoorzamen (werkwoord shêma`) of het werkwoord opzetten (werkwoord rúm). Onze aandacht wordt dus meteen getrokken door het werkwoord `abhar dat oversteken of voorbij gaan betekent. Letterlijk vertaald staat er dus: ‘Wekte de Here, opdat het woord des Heren, door Jeremia verkondigd, zou worden voltrokken, de geest van Kores, de koning van Perzië, op, om door zijn gehele koninkrijk, ook in geschrifte, een stem te doen oversteken’. Het werkwoord `abhar, valt volledig uit de toon, omdat een stem nooit oversteekt. We zullen dit eens verder gaan bekijken. Onze woorden ‘oever’ en ‘over(kant)’ bevatten elementen van het werkwoord `abhar, want als we een rivier oversteken, gaan we naar de andere oever. Het werkwoord `abhar wordt in veel Bijbelverhalen gebruikt om een veranderde situatie aan te duiden.
De eerste keer lezen we hierover in de Bijbel na de zondvloed als het water verdwijnt door een wind die oversteekt (Genesis 8:1). Er is sprake van een duistere en uitzichtloze situatie totdat het werkwoord `abhar naar voren komt en er weer hoop voor de wereld is. Hetzelfde patroon zien we bij de plaag van de eerstgeborenen in Egypte waar God bij de deuren van de Israëlieten oversteekt (Exodus 12:12). Maar ook op persoonlijk niveau wordt dit werkwoord gebruikt. Aartsvader Abraham komt van de overkant uit het Ur der Chaldeeen en Jozef zelf staat als eerste bekend als de ‘overkanter’ dat wil zeggen de Hebreeër (`ibhrí is afgeleid van het werkwoord `abhar en betekent ‘degene van de overkant,’ Genesis 12:6; Genesis 39:14). Abraham trekt weg uit Mesopotamië, het land met zijn vele afgoden, om naar het land van de Enige God te gaan. Ook aartsvader Jakob maakt een oversteek. Zijn naam verandert in Israël als hij de Jabbok oversteekt (Genesis 32:31). Het volk Israël dankt dus zijn naam aan deze oversteek, maar het volk maakt zelf ook een oversteek als het uit Egypte wegtrekt als nieuw volk. Psalm 78:12-13 vertelt hierover: ‘Hij kliefde de zee, Hij voerde hen erdoorheen (lees: Hij liet hen oversteken), en bracht het water tot staan als een dam’.
Al deze gebeurtenissen bouwen op tot een climax wanneer het volk Israël de Jordaan ‘oversteekt’: ‘Want u staat op het punt de Jordaan over te steken om het land in bezit te gaan nemen, dat de Here, uw God, u geven zal, en u zult het in bezit nemen en daarin wonen’ (Deuteronomium 11:31). Het werkwoord `abhar verwijst in diepste zin naar de ultieme verlossing, het beloofde land. Als dan plotseling dit werkwoord op opmerkelijke wijze wordt gebruikt in het boek Ezra, moet dit de Bijbellezer bewust maken dat een verandering gaat plaatsvinden. Een verandering vanuit ballingschap naar verlossing, een oversteek naar het beloofde land. Het woord qól, dat voor het eerst in Genesis 3:8 wordt gebruikt, verwijst bovendien naar Gods stem. Het is God Die Zijn volk na jarenlange ballingschap roept op om over te steken naar het beloofde land.
We kunnen ons afvragen waarom juist deze koning Kores een belangrijke rol speelt in de terugkeer van Gods volk en de herbouw van Jeruzalem? De Bijbel noemt de Perzische koning Kores zelfs een gezalfde, iemand die door Gods geest geleid wordt (Jesaja 45:1). In de Bijbel worden alleen priesters, koningen en profeten gezalfd. Het Hebreeuwse woord wordt alleen gebruikt bij de Hogepriester (Leviticus 4:3), een koning van Israël (1 Samuel 24:10) en de Gezalfde, dat wil zeggen de Messias (Daniel 9). De enige uitzondering hierop is de heidense koning Kores. Toch heeft het er alle schijn van dat deze heidense heerser slechts een pion is in een Goddelijk schaakspel. Gods plan werkt door alles heen; zelfs koningen en heersers zijn hier ondergeschikt aan. Het werkwoord `abhar in Ezra 1:1 staat opvallend genoeg in de onvoltooide tijd. Dat wil zeggen dat de stem die oproept tot terugkeer toen klonk in de tijd van de Exodus, daarna in de tijd van Ezra, maar ook in onze tijd is deze roep nog gaande. Sterker nog: het verhaal van Ezra is actueler dan ooit. In Februari 1947 kondigde het Britse rijk aan dat men het mandaat over Israël zou beëindigen en verdere beslissingen over de regio zou overdragen aan de verenigde naties. Terwijl er op dat moment weinig duidelijkheid was over het lot van het land Israël, stuurde de Russische leider Josef Stalin de diplomaat Andrei Gromyko naar de verenigde naties om een speech te houden. In deze speech, gehouden op 14 Mei 1947, gaf de diplomaat aan dat de verenigde naties het recht van het Joodse volk op een eigen staat niet mochten ontzeggen, zeker met de tweede wereldoorlog in het achterhoofd. Hij pleitte voor een Joodse staat naast een Arabische staat uit naam van Stalin. Zeer opmerkelijk omdat diezelfde Stalin in 1945 de Joden als parasieten had beschreven bij President Roosevelt. Door de onverwachte Russische bemoeienis kon een jaar later de staat Israël officieel worden uitgeroepen. Het was alsof de Perzische koning opnieuw een oproep deed uitgaan in de vorm van de Russische dictator Jozef Stalin. In onze tijd zien we opnieuw dat een ‘heidense’ regeringsleider bijzondere en gewaagde uitspraken doet die de positie van de staat Israël veranderen. President Trump heeft Jeruzalem als hoofdstad van Israël verklaard en heeft daarnaast de Joodse nederzettingen in Judea en Samaria als legaal beschouwd. In hoeverre nu een direct verband kan worden gelegd tussen Koning Kores en President Trump is maar de vraag. Toch gaven deze politieke stappen er in ieder geval de aanleiding toe dat premier Netanyahu de vergelijking uitsprak in een speech die hij gaf in maart 2018: ‘Ik wil u vertellen dat het Joodse volk een lange geschiedenis heeft, we herinneren ons de opdracht van koning Kores de Grote 2500 jaar geleden… Hij gaf opdracht aan de Joodse ballingen in Babylon om terug te keren en de tempel in Jeruzalem te herbouwen. We herinneren ons 100 jaar geleden, de heer Balfour, die de Balfourverklaring uitgaf waarin hij de rechten van het Joodse volk op een voorouderlijk thuisland erkende. We herinneren ons 70 jaar geleden, President Harry S. Truman, die als eerste leider de Joodse staat erkende. En nu herinneren we ons hoe enkele weken geleden President Donald J. Trump Jeruzalem als hoofdstad van Israël erkende…’ We kunnen in ieder geval van de geschiedenis leren dat God heidense leiders gebruikt ten goede van het Joodse volk. We kunnen dus concluderen dat ook deze heidense heerser gebruikt is om Gods plan uit te voeren en net als Kores slechts onderdeel was van een groter plan.
Het koninklijk besluit roept de achterblijvers op om de herbouw financieel te ondersteunen met goederen en geld. Uit Ezra 1 vers 3 moeten we opmaken dat dit gaat om de heidense ‘buren’ omdat in principe alle Joden worden oproepen om weg te gaan. Ook de Bijbelcommentator Rashi legt dit op deze manier uit. In die zin ligt er ook in onze tijd een duidelijke Bijbelse opdracht om hen die aliya maken, of het land en de stad Jeruzalem willen herbouwen, te ondersteunen. De tekst verwijst zelfs terug naar de bouw van de tabernakel doordat in de tekst gebruik wordt gemaakt van de term ‘vrijwillige gave,’ nêdábháh. Een term die een verwijzing is naar de vrijwillige bijdrage voor de bouw van de tabernakel (Exodus 35:29).
In vers 7 zien we in het Hebreeuws een mooie woordspeling: ‘Ook liet koning Kores het gerei van het huis van de Here, dat Nebukadnessar uit Jeruzalem had weggevoerd en in de tempels van zijn goden had geplaatst, tevoorschijn brengen.’ Hier wordt namelijk tweemaal het werkwoord jatsa’, uittrekken gebruikt. Niet alleen toont dit woord verband met de uittocht uit Egypte toen het volk uittrok (jatsa’), maar bovendien door het dubbele gebruik van het woord wordt het omgekeerde proces benadrukt: ‘Zoals Nebukadnessar het gerei uit de tempel van God trok (jatsa’), zo trekt (jatsa’) Kores het uit de heidense tempels.’ Het zou natuurlijk geweldig zijn om verder te lezen dat het hele volk reageert op de oproep om naar het land terug te keren. De werkelijkheid laat echter te wensen over. In het boek Ezra lezen we dat het gaat om bijna 50.000 personen: ‘De gehele gemeente tezamen was tweeënveertigduizend driehonderd zestig. Afgezien van hun slaven en slavinnen, van welke er zevenduizend driehonderd zevenendertig waren; zangers en zangeressen hadden zij tweehonderd.’ Zelfs al zijn er in die tijd slechts 1 miljoen ballingen in het hele Perzische rijk, dan nog moeten we ons realiseren dat slechts 5% van de totale bevolking reageert op de oproep. De overgrote meerderheid (95%) luistert niet naar de stem van terugkeer. Elke rivier heeft altijd twee oevers en er kan dus naar beide kanten worden overgestoken. Hetzelfde geldt voor het werkwoord `abhar dat zowel positief als negatief kan worden gebruikt. Men kan oversteken naar het beloofde land en luisteren naar Gods geboden of de andere kant op kan men oversteken naar een heidens land en zo overtreedt men Gods geboden: ‘Omdat dit volk het verbond heeft geschonden (`abhar), dat Ik hun vaderen opgelegd had, en omdat zij niet geluisterd hebben naar mijn stem’ (Richteren 2:20). Het schenden van Gods verbond wordt gezien als het oversteken naar de andere kant. We zien op meerdere plaatsen in de Bijbel dat wanneer niet geluisterd wordt naar Gods stem, Zijn verbond ‘overgestoken’ wordt. Als het ware is dit een fysieke grenslijn die men overgaat. In het boek Ezra gehoorzaamt slechts een klein deel van Gods volk om terug te keren binnen de grenzen van het beloofde land en de grenzen van Zijn verbond.
In de tijd van Ezra was het Gods Stem die riep vanaf de overkant vanuit het beloofde land om aliyah te maken en binnen Gods verbond te leven. Maar het boek Ezra is actueler dan ooit en deze universele boodschap geldt voor iedereen. Zijn Roepstem klinkt vandaag de dag nog steeds met de opdracht om over te steken binnen Zijn Verbond en te leven volgens Zijn Richtlijnen.