Er zijn in hoofdzaak twee manieren om de Tien Woorden, die duizenden jaren geleden met Goddelijke Hand in twee Rotsplaten gegraveerd zijn, te vertalen:
1. de woorden zo te vereenvoudigen dat ook ongeschoolde lezers en kinderen het kunnen vatten en
2. deze volgeladen tekst zoveel mogelijk uit te diepen door de kernwoorden eruit te lichten en te ontdekken in hun veelzijdige betekenis. In deze studie is gekozen voor de tweede manier, maar eerst een mooi voorbeeld van de eerste methode. Het is een gedeelte van lied 15 uit de bundel ‘Kom zing mee’, een uitgave van de Nederlandse Zondagsschool Vereniging (NZV):
“Ken jij de Tien Woorden,
de woorden van één tot tien?
Laat ze dan eens horen,
dat wil ik wel eens zien!
Deze woorden zijn gegeven
Als tien vriendjes voor het leven.
Eén is God, Die maakt je vrij,
Er is geen ander zoals Hij.
Twee wil zeggen: God en jij
Daar horen geen beelden bij.
Drie dat is: Gods eigen naam
Om met respect mee om te gaan.
De dag van God is nummer vier
Bevrijdingsdag voor mens en dier.
Zodat je week’lijks even voelt
Hoe God de schepping heeft bedoeld.”
Van de Tien zijn de Voorwoorden het belangrijkst
De Tien Woorden worden ingeleid door een zwaar geladen zin: ‘En God sprak al deze woorden, zeggende: Ik ben de Altijd Aanwezige, Die U uitgeleid heeft uit het land Mitsrajim/Egypte, uit het huis van de knechten.’ Van al de Woorden die God bij de Berg Sinaï gesproken heeft en die Hij eigenhandig in steen gegraveerd heeft, zijn deze Voorwoorden het allerbelangrijkste. Als we deze Woorden niet meetellen, niet zwaar laten wegen, gaan we met de Tien Woorden finaal de mist in: de mist van de zelfverlossing en het wetticisme. We gaan dan doen alsof we nog niet bevrijd zijn, maar het nog moeten worden door onze wetsgetrouwheid. Of we voelen ons tegenover God verplicht om wat terug te doen. Terwijl het net andersom is: God heeft ons niet alleen bevrijd, maar Zich ook aan ons verplicht. Hij heeft Zich verplicht om allen die in Zijn Nabijheid blijven te zegenen.
Deze Tien Woorden zijn te zien als Tien geestelijke draden die de band met Hem, de Bevrijder, bewaren en Hij heeft plechtig beloofd dat een blijvende verbinding met Hem een zeer zegenrijk effect zal hebben voor ons persoonlijk en voor ons als samenleving. Een effect allereerst in de relatie met God Zelf: een enorme geestelijke verrijking, want God, Immanuel, de Allerhoogste, komt wonen te midden van Zijn volk en ieder mag rechtstreeks met Hem communiceren zoals aartsvader Abraham en aartsmoeder Rebekka en koning David dit voordeden. Maar behalve tot een geestelijke zegen heeft God heeft zich ook verplicht tot aardse zegen. Hij zegt bij de nadere uitwerking van de Tien Woorden: ‘als jullie je leven en samenleven gaan inrichten volgens Mijn ordeningen, als jullie Mijn aanwijzingen in acht nemen en in praktijk brengen, zal Ik jullie op de vaste tijden regen geven zodat het land zijn opbrengst geeft en de bomen in de velden vruchten dragen; dan zal de dorstijd duren tot de druivenpluk en de druivenpluk tot de zaaitijd (Leviticus 26:1-3).’
Er is nog een bijzondere geestelijke zegen aan vastgekoppeld: God komt niet alleen wonen temidden van Zijn volk, maar Hij wil ook wonen in hun aller hart. Door gehoor te geven aan Zijn Woorden* door daadwerkelijk bij Hem te blijven, door te gaan op Zijn wegen, daalt het Woord (= God Zelf!) via onze oren tot in ons diepste binnenste. De Woorden, die eerst in steen geschreven werden, worden dan gegraveerd in onze harten: ‘Uw wet is in mijn binnenste (Ps. 37, 40).’ De afdaling van God op de berg Sinaï is een geweldig gebeuren, uniek in de wereldgeschiedenis, maar Zijn afdaling in mensenharten is volgens Israëls profeten de voltooiing ervan. Het is de vervulling van de persoonlijke en de gemeenschappelijke relatie tussen God en Zijn volk, de voltooiing van Zijn heilig verbond (Jeremia 31:33. Hebreeën 8:10; 10:16).**
* Bij de Sinaï, na het aanhoren van al de Woorden Gods, zei het hele volk in koor: נעשה ונשמע na`aseh wenishma`: wij zullen doen én horen.’ Doen én horen wil zeggen: al doende zullen we meer gaan horen, zullen de Woorden steeds verder tot ons doordringen, zal Hij Zelf doordringen tot in ons binnenste en vanuit die positie zal Hij de leiding overnemen in ons leven, zal Hij zeggenschap krijgen over al ons doen en laten en tenslotte Zijn Torah schrijven op de ‘tafels’ van ons hart (Jeremia 31:33).
** Het gezegde in het kinderlied kan wat kinderachtig klinken: ‘Deze woorden zijn gegeven als tien vriendjes voor het leven.’ Maar het raakt de diepere waarheid dat het hier niet gaat om de bevelen van een hardvochtige Heerser. Integendeel, dit zijn de Woorden van onze Bevrijder, die als een Goede Vriend ons Zijn Aanwijzingen geeft opdat we bij Hem zullen blijven en blijvend zullen genieten van Zijn Vriendschap, nu en voor eeuwig…
De Voorzin (bijna) in zijn geheel (Exodus 20:1,2)
וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים לֵאמֹֽר
אָֽנֹכִי יְהֹוָה אֱלֹהֶיךָ אֲשֶׁר הֽוֹצֵאתִיךָ
מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם
Wa-jêdabér ‘Elohím lé’mor
‘Anokhí JHWH ‘Elohekhá ‘asher hótséthikhá
mé ‘erets Mitsraim mibheth âbhádím
En God sprak al deze woorden, zeggende:
Ik ben de Altijd Aanwezige, Die U uitgeleid heeft
uit het land Mitsrajim/Egypte, uit het huis van de knechten.
Woorden van de Andere Kant: het eerste Voorwoord
De kern van deze belangrijke Voorzin wordt gevormd door drie woorden of drie gezegdes: 1. en God sprak, 2. Ik ben de Altijd Aanwezige, en 3. Ik heb U uitgeleid. Het eerste Voorwoord וידבר אלהים wajêdabér ‘Elohim: En God sprak, wil ons inprenten dat de richtlijnen die in de Tien Woorden zijn samengevat geen goedbedoelde of zeer originele menselijke bedenksels zijn, maar dat deze richtlijnen rechtstreeks van God afkomstig zijn: ze komen niet van onderop, maar van de Andere Kant. Het is goed hierbij nog te noteren dat de werkwoordsvorm jêdabér een onvoltooide wijs is, letterlijk staat er: ‘En God sprak, spreekt en zal spreken! Ook vandaag spreekt Hij hier tot ons (zie de taalnotitie hieronder).
Enkele taalnotities bij het eerste Voorwoord.
1. וידבר wa-jedábér
De Hebreeuwse werkwoordsvorm וידבר wa-jedábér is de onvoltooide wijs in de versterkte vorm van het werkwoord דבר dábhar: woorden spreken, krachtige taal uiten. Het naamwoord is דבר dábhár: woord, ding of zaak. Dábhar is verwant met בר bar: zoon en ברא bárá’ scheppen. Woorden, niet alleen woorden van God, maar ook onze woorden hebben scheppende krachten in zich: positieve, beloftevolle woorden hebben een zegenrijke uitwerking, waar negatieve woorden, vloeken, vernietigend werken. Op woorden is heel de schepping gebaseerd: ‘God sprak en het was er’ (Psalm 33:9) en ‘Alle dingen zijn door het Woord geworden’ (Johannes 1:3). Van alle scheppingsverschijnselen zijn woorden de meest geestelijke: woorden hebben geen gewicht, men kan ze niet vastpakken, ook niet vernietigen. Een gesproken woord, positief of negaties kan men niet weer ongedaan maken: gezegd is gezegd! De Psalmdichter bidt: ‘Zet, Heer, een wacht voor mijn mond, behoed de deur van mijn lippen’ (Psalm 141:3). Woorden zijn ‘geestelijke wezens.’
2. De ‘letterlijke’ betekenis van dábhar
De letters van het Hebreeuws woord דבר dábhar zijn op zich ook veelzeggend: de letter ד Daleth (= deur) ‘zegt’ dat woorden zijn als deuren, ze kunnen ons hart openbreken, maar sommige gezegdes kunnen ook de deur van ons hart voorgoed dichtslaan. Beth ב betekent huis: in woorden, in het Woord van God met name, kunnen we wonen, Zijn Woorden zijn schuilplaatsen in benauwde tijden. De letter Resh ר (hoofd, voorganger, leider) is een richtingwijzer en deze wijst erop dat voor goed leiderschap de gave van het woord onmisbaar is. Wie de problemen in de samenleving of in een bedrijf in kernachtige taal kan vatten, heeft overwicht. Een Hebreeuws woord voor ‘heersen’ is משל máshal, dat letterlijk betekent: gebruik maken van een treffende gelijkenis of van een spreuk (= een kernachtig gezegde, een dábhár).
3. Dabhar en ‘amar
De werkwoorden דבר dábhar: krachtig spreken en אמר ‘ámar: zeggen zijn vrijwel synoniem. Het verschil is dat bij ‘ámar de nadruk meer ligt op de handeling van het spreken, terwijl bij dábhar het accent ligt op de inhoud van het gezegde. Vaak worden ze beide in één adem genoemd, zoals ook hier: ‘God sprak al deze woorden, zeggende…’ Deze zegswijze benadrukt hier dat God deze woorden (dêbhárim) niet alleen met eigen Hand in steen heeft gegraveerd, maar dat Hij deze ook daadwerkelijk Zelf heeft uitgesproken. Gesproken woorden zijn, omdat ze geestelijk van aard zijn, onuitwisbaar. Geschreven woorden kan men uitwissen, zoals Mozes deed met de woorden op de Twee Stenen Rotsplaten: Hij gooide ze stuk en verbrijzelde daarmee de Tien Woorden. Maar de Gesproken Woorden blijven doorklinken tot op vandaag.
4. אלהים ’Elohím
Het woord אלהים ‘elohím is het meervoud van אלה ‘eloah dat taalverwant is met אלה ‘éláh of ‘aláh: grote boom, terebint, eik.* Voor ieder die oog en hart heeft voor Gods schepping, is elke grote boom een indrukwekkend verschijnsel: zijn machtige kruin reikt hoog boven ons uit en zijn wortels zitten ergens diep beneden ons, en bovendien stond dit reusachtige gevaarte er al jaren vóór wij bestonden, soms al honderden jaren, en er als wij allang gestorven zijn, kan die boom er nog steeds staan. Een indrukwekkend verschijnsel, maar tegelijk ook een symbool van de Grootheid van Israëls God, Die ver boven ons uitreikt in ruimte en tijd.
Maar nu is het merkwaardige dat de Bijbel niet alleen spreekt over Israëls God als ‘Elohim, maar ook over nog andersoortige geestelijke grootheden die boven ons uitreiken in ruimte en tijd. Onderling kunnen ze zeer verschillend zijn. Er zijn ‘elohim die een speciale functie hebben bij de instandhouding van de schepping: scheppingsengelen die in dienst van de Schepper bepaalde levensgebieden onder hun beheer hebben. Er zijn ook ‘elohim die mede bepalend zijn voor de menselijke geschiedenis en vooral betrokken zijn bij de leiding van de volkerenwereld: de zogenaamde volksgoden of volksengelen waarvan sprake is in Psalm 82:1,6 en Daniel 10:13,20. In de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel wordt het woord ‘elohím soms weergegeven door angelos (engel, bode), en zo kwam het ook in de Statenvertaling terecht, bijvoorbeeld in Psalm 8 vers 6: ‘Gij hebt hem (de sterveling) een weinig minder gemaakt dan de engelen.’
Maar de God van Israël de ‘Elohim Die de Tien Woorden sprak, spreekt en spreken zal, is een Grootheid Apart, niet te vergelijken met scheppingsengelen of volksengelen. Hij is de Schepper, de Schepper ook van deze verborgen, onzichtbare, hemelse wezens. Zoals een scheppend kunstenaar ver uitreikt boven het werk dat hij gemaakt heeft – een kunstschilder is een heel ander soort werkelijkheid dan zijn schilderij, en een componist is van een totaal ander soortelijk gewicht dan zijn partituur – zo ook overstijgt Israëls God al die andere ‘elohim oneindig ver. Hij is de Totaal Andere! Of zoals het kinderlied zegt: ‘Er is geen ander zoals Hij.’ Behalve dat Hij de Schepper is van al deze geestelijke wezens in de voor ons verborgen wereld, is Hij ook hun Heer en Meester: het zijn Zijn dienaren, Zijn legerscharen. Hij is de Heer van alle hemelse machten, Hij is de ‘Adonai Tsêva`oth, de Heer der Heerscharen.
Daarom kan Hij hen ook ter verantwoording roepen en hen vanwege hun wangedrag veroordelen om te ‘sterven als mensen’ (Psalm 82:7).
* Het is opvallend dat in Genesis 35:4 élohim (volksgoden) en ‘éláh (grote boom) in één adem genoemd worden: Jacob begraaft de ‘elohim, de afgodsbeelden die door zijn vrouwen stiekem zijn meegebracht, onder de ‘éláh (terebint) bij Sichem. Hetzelfde gebeurt in Jozua 24:26, maar hier gaat het over de Torah van Israëls God: Jozua schrijft de richtlijnen voor het samenleven met Israëls God op een grote steen die hij neerzette onder de ‘aláh (terebint) ‘op de heilige plaats des HEREN.’
** Elk jaar opnieuw aan het einde van de Grote Verzoendag na het Ne`ilahgebed, proclameert het Joodse volk in alle synagogen wereldwijd dat de God van Abraham, Isaäk en Jacob niet een ‘elohim is, maar zeven keer achter elkaar dat Hij de Elohim is! Zeven keer: האלהים הוא אדני, dé ‘Elohím, Hij ‘Adonai!
5. Elohim ‘Echad
Tot de kern van het Bijbelse geloof behoort de belijdenis dat God Eén is: ‘Elohím ‘Echád (Deuternomium 6:4). Maar als Hij Eén is, waarom dan die meervoudsvorm ‘Elohím?* Israëls God is Woord én Geest en die Twee zijn Eén, onafscheidelijk en toch onderscheiden. Deze meervoudige- eenheid weerspiegelt zich in al Gods werken: Hij schept door te scheiden. God maakt scheiding tussen dag én nacht, tussen land én water. Ook Zijn partner de mens is tweeledig: ‘Laat Ons mensen maken die op Ons lijken: mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen om net als Hij één te zijn: ‘Die twee zullen één vlees zijn’ (Genesis 1:26, 2:24). Zo schiep Hij ook de volkerenwereld in een twee-eenheid van Israël én de gojim: om één te worden in de lofzang aan de Ene en in de saamhorigheid aan Zijn Torah (Psalm 117; Jesaja 2:1-4, Micha 4: 1-4).
* Behalve de enkelvoudige vorm אלה ’Eloah (God) komt ook heel vaak in de Bijbel het enkelvoud אל ’El (God) voor, dat volledig gelijk is aan het voorzetsel אל ’El: (naar, naartoe). Een zeer diepzinnig woordverband: alles in heel de schepping verwijst naar Hem en is op Hem betrokken.