Ieder mens heeft (is) een uniek programma. Alle overige schepselen hebben (zijn) een gemeenschappelijke naam: ze zijn collectief geprogrammeerd, geschapen naar hun aard of letterlijk in soorten, soortgewijs (“leminim” Gen.1:11). Alleen de mens is geschapen naar het beeld van God: éénig, net als Hij; in een unieke relatie tot Hem.
Minderwaardigheidsgevoelens zijn dan ook per definitie onmenselijk: we zijn onvergelijkbaar; zo één als ik ben, zo is er maar één. Een bijzondere aanduiding voor wie wij zijn is het Hebreeuwse woord neshamah, נשמה waarin het woord shem שם naam valt te ontdekken. De eerste letter, de nun נ (in het Hebreeuws hebben de letters een eigen-waarde, een zelfstandige betekenis), is mogelijk te zien als een aanduiding van de lijdende vorm: gé-noem-den zijn wij. We be-noem-en niet ons zelf, we ontwerpen niet zelf ons programma: de zin van ons bestaan is een gé-geven. We zijn gé-naam-d, ge-noemd: de weerklank op Gods Stem.
Ons ego is eerst een echo van onze ouders waarbij ons ik-besef nog zeer vaag is: we worden beheerst door een naïef wij-gevoel. Later wordt ons innerlijk wezen een weerklank van onze leraren of andere gezeggers: we veranderen van wij-gevoel. Pas als de Stem rechtstreeks ons aanspreekt, wordt ons ik gewekt.