(Studietafel Hé, vijf)
Het draait om de hemel, maar het gaat om de aarde
Opvallend is dat het woord ‘erets (aarde, land) vele malen vaker voorkomt in de Bijbel dan het woord shamajim (hemel): ‘erets 2508 keer tegen 421 keer shamajim. En bij deze 421 keer gaat het in de meeste gevallen om de ‘aardse hemel’*: de sterren- of wolkenhemel en maar heel zelden om wat wij doorgaans met hemel bedoelen: de Woonplaats van God en de verblijfplaats van de engelen, de gedienstige geesten. Hoewel het woord shamaijim daar juist wel naar verwijst: shamajim hangt samen met shem (naam, wezen) en met shám (dáár, aan de overkant). De hemel is dáár, aan de overzijde van onze werkelijkheid, dáár waar de namen zijn, waar het wezen van de zichtbare verschijnselen zich bevindt*. Ook is ontegenzeggelijk dat in de Bijbel de hemel voorop staat: God schiep de hemel en de aarde (Gen.1:1). De hemel eerst, de hemel is de oudste, de presbyter van de geschapen werkelijkheid en moet als zodanig erkend worden. De hemel is het hart van Gods schepping en de startplaats van Zijn bevrijdend handelen. Het draait zogezegd om de hemel, maar het gaat om de aarde: hier op aarde wil God wonen, hier wil Hij tronen op Israëls en ons aller lofzang, hier op aarde daalt het hemelse Jeruzalem neer (Openb.21:3).
* Meer over ‘erets’ op de website www.hvs.org.il, onder Woordindex.
* Onze zichtbare werkelijkheid heeft een onzichtbare ‘Overzijde’ die van ons uit onbereikbaar is. We kunnen wel met alle macht (meditatietechnieken, ruimtevaarttechnieken, telescopen etc.) proberen Omhoog te streven en de Overkant te bereiken, maar het is te vergeefs: de hemel kan wel afdalen naar ons toe, kan voor ons open gaan, kan zich aan ons ‘openbaren’, maar het omgekeerde, de Babylonische Torenbouw, lukt niet.
Wie ‘bevolken’ de hemel? Dáár zijn de hemelse legerscharen (Gen. 2:2), de legioenen engelen, gedienstige geesten, scheppingsmachten die de schepping gaande houden. Daar resideren ook de volksengelen, de geestelijke machten die de volken aansturen, vaak onbewust, en die zich openbaren in volkstaal en volkslied, in volksmuziek en volksdans. Maar daar woont ook, of beter: daarheen is ook afgedaald God Zelf, onze Schepper en Bevrijder. De hemel is de eerste halte in Zijn afdaling naar de aarde. De hemel is ook de tijdelijke verblijfplaats voor de geheiligde gestorvenen, de wachtkamer tot zij weer mogen afdalen en hun recht gedaan wordt op aarde (Openbaringen 6:9).
Het woord ‘erets heeft niet alleen een brede maar ook een beperktere of engere betekenis. Soms doelt het op de gehele aarde: ‘in het begin (of in principe: bêréshiet) schiep God de hemel en de aarde (Gen.1:1). Maar heel vaak doelt het woord ‘erets speciaal op het land Kanaän, het aan Abraham en aan de kinderen Israëls beloofde land (Gen.12:3). Israël, het kernland der aarde. Het draait in de Bijbel om het Beloofde Land, maar het gaat God om de hele aarde want de hele aarde is Zijn eigendom (Exodus 19:6). Anders gezegd, het beloofde land (‘erets) is zo klein als Kanaän, maar tegelijk zo wijd als de wereld. Want Gods koninkrijk wil reiken tot de einden der aarde: Hij wil dat in alle landen Zijn Naam geheiligd wordt en de samenleving wordt ingericht volgens Zijn wil, volgens Zijn Torah = Zijn liefdevolle Richtlijnen voor het ordenen van de tijd en het aardse bezit.
Ons menszijn en onze menselijke samenleving ontplooit zich nooit ten volle in betonnen kantoorgebouwen en torenhoge ‘Babylonische’ woonflats, maar met de voeten op de aarde: ieder onder zijn wijnstok en vijgenboom. Mens zijn is ‘adam zijn, mens van de ‘adámáh**, van de akker; de oorspronkelijke mens is een tuinman, een hovenier*** zittend onder eigen wijnstok en vijgenboom****.
* Toen op een Israëlische school het verhaal over de schepping van shámajim en ‘erets verteld werd, vroeg één van de kinderen – niet beter wetend dan dat met ‘erets alleen het land Israël bedoeld werd – ‘maar juf, wanneer heeft God dan de andere landen geschapen?’!
** Het Hebreeuwse woord ‘adámáh doelt op de aarde als akker, als grond voor het verbouwen van graan en het planten van vruchtbomen.
*** Het is niet toevallig dat de opstanding plaats vond in een tuin, in een ‘lusthof’, een ‘hof van Eden’ (letterlijk: ‘Tuin van Genot’). En het is ook niet zonder een diepere zin niet dat de Opgestane wordt aangezien voor de tuinman-hovenier. Hij noemt Zichzelf de ‘Zoon des mensen’ = de originele mens, de echte Adam, de aardman/hovenier die het leven en samenleven op Gods goede aarde komt herstellen. In Zijn spoor gaan betekent kruis dragen, maar ook hovenier zijn, Gods aarde, Zijn Tuin/Lusthof bedienen en bewaren (Gen. 2:15).
**** Wie in zijn tuin een wijnstok heeft en een paar vijgenbomen kan feestelijk overleven: in de vijg zitten praktisch alle noodzakelijke voedingstoffen en een feest krijgt pas diepte en hoogte na de dankzegging over de wijn. Het leven onder de vredevorst Salomo wordt getypeerd met de woorden: “ieder onder zijn wijnstok en zijn vijgenboom”(1 Kon. 4:25). Datzelfde geldt voor het komende vrederijk voor alle volken (Micha 4:4).
3. Stad en ommeland: het draait om dé Stad, maar het gaat om het land.
In de Bijbel draait het om Tsion, dé Stad Gods* (Psalm 87: 2,3; 132:14), maar gaat het om het land, als startplaats en model voor heel de aarde. Tsion is de plaats waar de plattelanders drie keer per jaar komen staan** voor Gods Aangezicht met handen en manden vol om Hem, hun Schepper en Bevrijder, te bedanken voor alles wat Zijn aarde heeft opgeleverd.
Deze Bijbelse relatie tussen stad en ommeland is van wezenlijk belang voor een gezonde, welvarende samenleving. Waar die verstoord is, raakt het hele leven verstoord, gaat het mis met het land en met de stad. De verstoring begint als het hart uit de stad wordt weggesneden, als de lofzang in het centrum verstomt en vervangen wordt door het kunsthart van de markt met zijn schreeuwerige reclamekreten. Waar de stad van een overwegend liturgisch centrum vergroeit tot een overwegend handelscentrum, wordt het platteland een winstobject. Waar de Kanaänitische*** kooplieden de baas worden, worden de vrije boeren hun slaven. Waar de cultus uit het centrum verdwijnt, ontaardt de cultuur en verarmt het platteland.
De stad zuigt steeds alle culturele activiteiten naar zich toe. Dat geldt met name ook voor het kunstvaardige, ambachtelijke handwerk dat kleur en fleur geeft aan de plattelandscultuur, die overwegend een huis-cultuur is, waarbij vooral de vrouwelijke creativiteit zich ten volle kan ontplooien (Spreuken 31:10 e.v.), in samenspel met heel het huisgezin. Deze specifieke kunstvaardigheid met haar unieke, onherhaalbare producten, wordt weggezogen door de stedelijke vakwerkplaatsen, de voorlopers van de latere fabrieken met hun massaproductie, waartegen niet meer te concurreren valt. Van ellende laten de vrije plattelanders, mannen en vrouwen met hun kinderen zich tenslotte verleiden om bij de koopman in dienst te treden. Massaal trekken de plattelanders naar de stad, de tot slaaf geworden vrije landbouwers-hoveniers voorop en in hun spoor de armen en ellendigen**** die uiteindelijk be-land-en in de troosteloze en uitzichtloze sloppenwijken*****.
* Het hart van de Stad Gods is de berg Tsion/Moria, Zijn Maqom, Zijn Woonplaats: Hier wil Hij wonen (Ps.132:14).
** Er is in onze taal verband tussen ‘staan’ en stad: de stad is geen woonplaats, maar ‘staplaats’, waar men komt staan voor Gods Aangezicht met lof en dank. Tijdelijk en bij toerbeurt wonen in de stad degene die de lofzang gaande houden: de priesters (de liturgen en leraren met hun studenten) en de levieten (de musici en zangers met hun leerlingen) en ook de design-artiesten die de kunstvaardigheid hooghouden en onderwijzen aan de plattelanders en hun kinderen. Het Hebreeuwse woord voor priester is kohen, dat samenhangt met kún (rechtop staan): de priesters zijn degene die voortdurend in de stad ‘staan’ voor God met dankzegging en lofzang.
*** Het woord ‘kanaäniet’ betekent letterlijk ‘koopman’ (Zach.14:21). Het land van Kanaän, dat het achterland vormde van de grote handelssteden Tyrus en Sidon, was bezaaid met kleine handelssteden vanwaar uit de kooplieden en hun mederegeerders meedogenloos het ommeland uitbuitten. Amos, de boer uit Tekoa, fulmineert fel tegen de gestolen luxe van de heren en dames in de hoofdstad van Noord Israël (Am. 4:1,2). In Gen. 4: 7 staat dat de eerste stad werd gebouwd door Kaïn, wiens naam taalverwant is met ‘Kanaän’ en ‘kanaäniet’ (koopman).
**** De ellendige in de Bijbel is de landloze: wie geen eigen grond meer bezit, wie niet meer onder eigen wijnstok en vijgenboom kan zitten, is afhankelijk van anderen, moet in dienst treden bij een collega, moet zich verhuren als arbeider, gaat werken voor loon. In onze vrije wereld is de overgrote meerderheid van de bevolking geen vrije ondernemer die woont op een eigen ‘landgoed’, maar een ‘loonwerker’, met miljoenen samen opgehoopt in propvolle Babylonische steden met alle ellende van dien: ontworteling, eenzaamheid, zelfvervreemding, verslaving, criminaliteit.
Het is merkwaardig dat in ons woord ‘ellende’ het woord ‘land’ schuilt: el-lend-ig zijn is ‘ex (uit) het land’ zijn: landloos zijn.
***** De profeet Micha beschrijft deze economische wanorde die slaafse vrouwen- en kinderarbeid tot gevolg heeft, aldus: ‘de vrouwen verdrijft gij uit de woning van haar geluk, van haar kinderen neemt gij Mijn heerlijkheid weg, voor immer’ (Micha 2:9).
****** Jericho geldt als de oudste stad ter wereld, de voorloper van de Babylonische, Kanaänitische en Grieks-Romeinse stadscultuur, die gekenmerkt wordt door minachting voor de aarde: landarbeid en handenarbeid is iets voor de slaven, voor vrouwen en kinderen vooral. Het is veelzeggend dat de val van de menselijke stad, van Jericho en Babel, een puur Godswerk is en zijn zal: niet door ons revolutionair geweld zal het moderne Babel vallen, maar alleen door gebed en lofzang, ondersteund door de hemelse shofar!
Dat de stad in plaats van een liturgisch centrum – waar het volk van het land komt staan voor het Aangezicht van de Altijd Aanwezige – tot een handelscentrum verwordt dat de plattelanders stelselmatig uitbuit, is van alle eeuwen. Het zit ingeweven in de Grieks-Romeinse mentaliteit met zijn minachting voor handwerk en landwerk: het moeizame bewerken van de aarde en van de aardse vruchten (graan, wijndruiven etc.*) past niet bij de Grieks–Romeinse mens. De Griek houdt zich bezig met de hogere dingen, die men uitdrukt in kunst en filosofie. Het hoogste werk voor de Romein is orde scheppen, orde schoppen desnoods: de ware Romein is een gouverneur of een generaal.
Gevolg van deze mentaliteit met de daarop afgestemde sociale cultuur is een langzame, maar onstuitbare ontaarding van Gods goede aarde. Vooral na de uitvinding van de stoommachine en de opkomst van de moderne industrie, heeft deze ontaarding wereldwijd tot rampzalige gevolgen geleid. Het platteland raakte steeds meer verarmd, steeds meer ontvolkt waardoor kostbare landbouwgronden verwaarloosd werden, bossen niet goed onderhouden of juist domweg gekapt werden, zodat woestijnen, steppen en moerassen ongehinderd konden opdringen. Elk jaar gaat nog steeds alleen in Afrika een stuk vruchtbare landbouwgrond verloren zo groot als heel Israël.
Terwijl in Afrika en zuidelijk Azië kostbare landbouwgrond onbewerkt blijft en verloren gaat, wordt in de Westerse wereld de bewerking van landbouwgronden juist sterk geïntensiveerd met behulp van wetenschappelijke kennis en technische, vaak high-technische, middelen. Dit heeft een driedubbel gevolg: een uitstroom van overbodige arbeidskracht die toestromen naar de stad, een toenemende verstedelijking en industrialisering van het platteland, en een hinderlijke vervuiling van het leefmilieu. Waar het hart uit de stad wordt weggesneden, waar de lofzang uit de lucht wordt gehaald, raakt de lucht in stad en ommeland letterlijk en geestelijk vervuild.
* In Deuteronomium 8:8 noemt Mozes zeven van de edelste vruchten uit het Beloofde land: tarwe, gerst, wijndruiven, vijgen, granaatappels, olijven en dadels. Misschien zijn deze zeven vruchten van de aarde te koppelen aan de negen hemelse vruchten: de vruchten van de Geest (Galaten 5:22)?
Israël model voor terugkeer naar de aarde
Er is hoogst dringend een Uittocht nodig uit deze ‘Babylonische’ samenleving. ‘We kunnen’, aldus een Joods gezegde: ‘niet de weg terug, maar wel terug naar de Weg’. Naar de Weg van Israëls God, die Hij bepaald heeft voor de ontplooiing van Zijn aarde.
Het is een merkwaardig historisch gegeven dat vanaf de 19e eeuw, toen het proces van industrialisatie en verstedelijking goed en wel begonnen was, het Joodse volk begonnen is aan een omgekeerd proces: aan een Uittocht uit het moderne ‘Babel’. Artsen, notarissen en vele andersoortige burgers gingen ‘terug naar de aarde’, hanteerden de schop en hebben in een moeizame gemeenschappelijke strijd het eeuwenlang verwaarloosde Beloofde Land, een aarde van steppen en ‘uitdampende moerassen’, weer bewoonbaar gemaakt.
Hoe erg de verwaarlozing was, hoe onherbergzaam het eens zo lieflijke Kanaän geworden was, beschrijft prof. Dr. Abraham Kuyper in een reisverslag uit 1905: ‘Palestina, het heilige land’, pag. 22: ‘Rekent men nu, wat zeer hoog gerekend is, de tegenwoordige bevolking op nog geen miljoen en weet men dat Palestina zelfs deze karige bevolking niet anders dan schriel en armelijk voedt, dan is hiernaar af te meten aan wat een schier ongelooflijke achteruitgang het land ten prooi werd. Dit is deels uit de verwaarlozing van den terrasbouw tegen den bergrug, deels uit de verarming van den bodem als gevolg van roofbouw en gebrek aan veestapel, deels uit de vernieling der bosschen, deels uit de ontreddering der irrigatie, deels uit de onveiligheid die de rondtrekkende Bedoeïnen veroorzaken te verklaren.
Maar het feit blijft dat gij nergens een land vindt dat zo sterk de indruk maakt van onder een vloek te zijn gekomen Zelfs de vallei van Saron en Jizreël, eens Palestina’s glorie, stoot thans de kolonist af door haar onherbergzaamheid en uitdampende moerassen.
De verwaarlozing van het land maakt dat slechts de helft der bevolking in dorpen en gehuchten leeft en dat bijna de helft in de steden huist, maar ook die steden zijn onbetekenend. In het noorden vinden we alleen Safed met 20.000, Haifa met 13.000 en Tiberias met 8.000 inwoners. In het midden van het land eigenlijk alleen Nablus met circa 20.000 inwoners en voorts in het zuiden behalve Jeruzalem* alleen Jaffa met 10.000, Gaza met 35 á 40.000, Hebron met 18.000 en Bethlehem met 8000 inwoners.
Voor een land zonder industrie, die naam waard, wijst deze opeenhoping van de helft der bevolking, in een aantal kleine steden samengepakt, op een ongezonde toestand. Het toont dat de landbouw in verval is, dat de veiligheid te kort schiet, en dat een bevolking zonder energie zich liever als proletariaat in de kleine steden samenpakt, dan dat ze flink de armen uit de mouwen steekt’.
* Over het aantal inwoners van Jeruzalem schrijft dr. Kuyper op pag. 115: ‘Jeruzalem is weer uitgegroeid. Nog zoover niet ligt de heugenis dat het een stedeken van 7000 inwoners was; thans telt het er reeds meer dan 60.000, en daarvan is verreweg de groote meerderheid, ruim 40.000, internationaal-Joodsch. Nog steeds hebben de Moslims Jeruzalem onder hun bewindsmacht; ze noemen het El Kuds of Kuds es Sherif, de heilige of de beroemde stad, maar ze zijn slechts 7000 in aantal. Ook de Christenen zijn niet sterk vertegenwoordigd: 6000 Griekse, 4000 Latijnsche Christenen, een 1200 á 1400 Protestanten, en dan nog groepjes Armeniërs en Kopten, samen alle Christenen genomen niet meer dan 14000’.
6. Perspectief voor de allerarmsten der aarde
Het is een verontrustend gegeven dat wereldwijd 1 miljard mensen wonen in de sloppenwijken van de miljoenensteden in Azië, Afrika en Latijns Amerika. Zij worden in leven gehouden door het voedsel- programma van de VN, maar desondanks zijn velen van hen ziek. Niet door ondervoeding, maar door eenzijdige overvoeding en overgewicht met als gevolg diabetes en hart- en vaatziekten.
Maar naast deze zeer verontrustende feiten is er een zeer merkwaardig gegeven dat een verrassend perspectief biedt: de allerarmsten der aarde wonen niet in de krottenwijken van de moderne wereldsteden, maar 75% van deze allerarmsten woont nog op het land! Zij hebben zich niet laten verleiden om weg te trekken of ze hadden daar de mogelijkheden niet voor, maar zijn achtergebleven bij hun akkertjes, tuintjes en kippetjes.
Wat gebeurt er nu? Nu er een voedselcrisis dreigt, de graanprijzen omhoog schieten en de VN niet meer in staat is de stadsarmen voldoende te voeden, komen deze achterblijvers ineens in beeld. Deze veelal eenzame allerarmsten wordt nu aangeraden om hun graanproductie op te voeren door hun akkertjes intensiever te gaan bewerken met hulp van goede organische bemesting en goed zaaizaad, waarvoor de VN zo nodig een voorschot wil geven. De allerarmsten kunnen zodoende niet alleen zichzelf beter voeden, maar ook graan overhouden voor de verkoop waardoor twee doeleinden bereikt worden: men helpt mee aan het bestrijden van de wereld-voedselcrisis en men heeft geld voor beter zaaizaad en goede bemesting.
Het gaat echter niet alleen om een betere bewerking van de aanwezige landbouwgronden wereldwijd, maar ook, en met name op en ten zuiden van de evenaar, om het heroveren van de verwaarloosde landbouwgronden: om het herwinnen van de miljarden hectares kostbare akkers die de laatste eeuwen verloren zijn gegaan door verwoestijning of vermoerassing. Dit rampzalige proces is al ingezet rond 1800 door de opkomende industrialisatie die miljoenen werkkrachten wegzoog van het platteland naar de steden. Maar het is mede versterkt door de dekolonisatie van Azië, Afrika en Latijns Amerika waardoor veel deskundige en zorgvuldige beheerders van de aarde op ondoordachte wijze vervangen werden door nog onervaren en anders gerichte autochtone opvolgers. Bovendien hebben goedwillende Westerse hulpverleners, omdat zij meer heil zagen in de overstap van de agrarische sector naar de industrie en de dienstensector, de trek naar de stad nog verder versterkt en zo de verwaarlozing van de aarde in de hand gewerkt.
Bij het heroveren van de verwoeste aarde komt opnieuw Israël in beeld. In dezelfde tijd dat de trek van het land naar de stad begon en daarmee de verwaarlozing van de aarde, begon ook de langzame terugtrekking van de verstrooide Joden naar hun homeland met zijn eeuwenlang verwaarloosde landbouwarsenaal.
In een ongelooflijk korte tijd zijn woestijngronden en moerassen herschapen in vruchtbare akkers. Terwijl elders de ’agrarische brains’ wegvloeiden – een wereldwijde ramp – ontstond in het kernland van de wereld een nieuwe schatkamer van agrarische kennis voor het heroveren van verloren aarde.
Hoe kan deze kennis terugvloeien naar de noodgebieden in Afrika, Azië en elders? In samenwerking met de VN zou Israël in de Negev een aantal landwinningprojecten (leerlanderijen) kunnen opzetten, waar de allerarmsten der aarde geïnstrueerd kunnen worden met het oog op het terugdringen van de woestijn en het herwinnen van aloude landbouwgrond.
En niet alleen voor de allerarmsten; ook voor de verwende burgers uit het rijke Westen zouden deze leerlanderijen in de Negev een uitkomst zijn: één voor elk van de 70 volken! De woestijn in het zuiden van Jeruzalem’s ommeland opent perspectief op een wereldwijde uittocht die hoogst dringend nodig is voor de herovering van het Beloofde Land, dat zo klein is als Kanaän, maar tegelijk zo wijd als de wereld.
(Zie hier ook nog een woordstudie over ‘Erets)