10-02-2023

Israëls kerntaak: uitverkoren drager van de Mozaïsche Torah

Het behoort tot de kerntaken van Israël om het Goddelijk Onderwijs dat gedocumenteerd is in de Vijf Boeken van Mozes, vóór te leven aan de volken. Israël is geroepen om als een priesterlijke natie voorganger en voorzanger te zijn in de liturgie van Israëls God. Hij, de Ene, de Unieke heeft exclusief aan Israël Zijn Woorden toevertrouwd (Rom. 3:2), Zijn unieke Richtlijnen zowel voor de ordening van de tijd – de dagelijkse getijden, de wekelijkse rustdag en de jaarlijkse feesttijden – als voor de ordening van het aardse bezit: het afstaan van de eersteling en de tienden met daar bovenuit nog de radicale richtlijnen voor periodieke kwijtschelding van schulden (Shabbatsjaar) en de herverdeling van de vaste goederen (Jubeljaar).

Unieke Richtlijnen die exclusief aan Israël zijn gegeven en die het samenleven van de volkeren wereldwijd radicaal zouden kunnen veranderen. Vrijwel in het in midden van de Torah, in het middelste van de Vijf Boeken, in het boek Leviticus dat gaat over het herstel van de relatie tussen God en Zijn volk, staat het kernevangelie van Gods Vergevende Liefde, Die de zonden van Zijn volk op zich neemt en wegdraagt, zoals uitgebeeld in het offerritueel van de jaarlijkse Jom Kipur (Lev. 16:21).

Als Christenen beseffen wij nog nauwelijks hoe hypermodern de Mozaïsche Torah is. ‘Geen tittel of jota’ ervan is afgeschaft of verouderd (Matth. 5:17). Voor onze heidense oren – gewend als ze zijn aan de klanken van de heidens-Romeinse natuurwetten, die ons het recht aanpraten op onvervreemdbaar eigen bezit – klinken vooral de Richtlijnen over schulddelging en herverdeling van het aardse bezit als romantische, dromerige dwaasheden, terwijl ze juist nu hyper-actueel zijn. De praktische toepassing ervan zou een radicale wending betekenen in de levens van minsten één miljard armen in onze huidige, verwarde wereldsamenleving.

De Torah is dé enige, echte, hoopvolle grondslag voor een vreedzame en welvarende wereldsamenleving (Micha 4:1-4, Jes.2:1-4.