Volgens een Joodse visie zullen in de eindtijd de volken ‘melaats’ worden; een innerlijke kwaal tast hun uiterlijk aan, ze verliezen hun schoonheid en waardigheid, ze worden afzichtelijk, ‘melaats’. Deze afbraak voltrekt zich in fasen:
a. ze worden schaamteloos, alle taboes worden opzij gezet,
b. ze worden respectloos, ze hebben geen ontzag meer voor de ouderen (voor ouders en andere ambtsdragers),
c. ze worden drankverslaafd: ze vluchten terug in de oud-heidense roes; hun feestelijke maaltijden verworden tot dronkemansgelagen, omdat men niet kent de heiliging (qidush)van de wijn,
d. ze worden afgodendienaars, de volken bekeren zich tot de ‘afgoderij’ van het Constantijnse/Roomse geloof, met als kenmerk de vergoddelijking en aanbidding van brood en wijn; deze terugval in de oudheidense natuurreligie geldt als de uiterste vorm van ‘melaatsheid’.