Twee hoogwaardige op de Bijbel gefundeerde literaire Bronnen, gestempeld door de Diaspora
Zowel de Joodse Talmud als de Christelijke Dogma’s staan in de context van de Diaspora, de ballingschap. Het Jodendom, dat buiten hun homeland terecht gekomen was, moest de Torah, die afgestemd is op een agrarische samenleving, aanpassen aan een overwegend verstedelijkte, vergriekste wereldsamenleving. Een zelfde soort aanpassing moest het Christendom maken. Sinds het jaar 70, de verwoesting van Jeruzalem, was het jonge Christendom in ballingschap geraakt, ontheemd, vervreemd van zijn Hebreeuws-Joodse achtergrond met zijn aards gerichte toekomstverwachting. In deze desoriëntatie zocht de theologische elite aansluiting bij het Griekse denken dat meer bovenaards of hemels gericht was.
Voor beide, zowel voor Jodendom als Christendom geldt nu, nu het Joodse volk terug is in het Beloofde Land en Jeruzalem weer centraal op de wereldkaart staat, de noodzaak van herbronning: samen terug naar de Hebreeuws Bijbelse Bron, met voorop de Mozaïsche Torah.
Herbronning betekent niet dat men volledig afstand moet nemen van Talmud en Dogma’s, maar wel dat men deze eeuwenoude grandioze literaire werkstukken moet relativeren; niet verabsoluteren maar interpreteren in relatie met hun context.
In feite zijn beide ook nagenoeg in hetzelfde tijdsbestek ontstaan. In de eerste drie eeuwen kreeg de kern van de Talmud, de Mishnah, zijn huidige vorm. Na het voorbereidende werk van een aantal vrome Schriftgeleerden, met Ezra voorop, werd de basis voor de Mishnah gelegd door Jochanan ben Zakai die in het jaar 70 wegtrok uit het door de Romeinen belegerde Jeruzalem en in Javne (ten zuiden van Japho) een beroemd geworden Leerschool stichtte. Omstreeks het begin van de 3e eeuw werd de Mishnah afgerond door Jehudah haNasi (135-217), de kleinzoon van Gamaleël 1.
De basis van de kerkelijke dogma’s is gelegd door de zogeheten kerkvaders. In het jaar 185 schreef Irenaeüs, bisschop van Lyon, een eerste volwaardige dogmatische studie die gericht was tegen de Gnosis, de toenmalige ‘New Age-religie’. De rij van kerkvaders werd gesloten door Augustinus (354-430), bisschop van Hippo Regius (in het huidige Tunesië ?). Augustinus heeft een indrukwekkend oeuvre nagelaten, o.a. ‘De Trinitate’, ‘Enchiridion’, ‘De Civitate Dei’ en zijn beroemde ‘Confessiones’.
Er is een Joods gezegde: het is wel mogelijk om de Joden uit de Diaspora te halen, maar bijna onmogelijk om de Diaspora uit de Joden te halen. De eerste pioniers, waaronder artsen, advocaten, en notarissen vestigden zich op het platteland, ze waren weer originele agrariërs, boeren en tuinders, maar de meeste latere immigranten bleven burgers, woonden in steden en zetten hun religieuze tradities voort precies als in de Diaspora.
Voor het Christendom geldt iets soortgelijks: men erkent wel dat de Joodse diaspora voorbij is – de PKN belijdt in haar kerkorde dat men nu ‘onopgeefbare verbonden’ is met Israël – maar intussen blijft het kerkelijk dogmatische denken Grieks-diaspora denken, in lijn met kerkvader Augustinus, ontheemd en vervreemd van de Hebreeuwse Bijbel, van de Mozaïsche Torah vooral.