Door de eeuwen heen hebben Joden overal ter wereld Hét Feest gevierd in kleine, bouwvallige hutjes, die al samen te stellen zijn met wat lakens en wat takken als dak waardoor men naar boven, naar de sterrenhemel kon kijken. Sukoth is het meervoud van סכה sukáh: hut. Het woord hangt samen met het werkwoord סכך sákhákh (uitspraak sagag, kh = g): beschermen, vlechten, bedekken. In Gen. 33:17 komt het woord het eerst voor. Na de ontmoeting met Ezau en nog vóór het overtrekken van de Jordaan, bouwt (‘vlecht’) Jacob hutten (van twijgen e.a.) voor zijn schapen: Sukoth noemt hij deze laatste halte vóór het Beloofde Land. Als Israël is weggetrokken uit Egypte is de eerste halte op weg naar hun definitieve Tehuis ook een plaats met de naam Sukoth (Exodus 12:37). Maar eerst zal het Godsvolk veertig jaar moeten huizen in dit soort schapenverblijven om te leren leven als de schapen die Hij weidt (Psalm 95:7). Op meerdere plaatsen komt het woord in de Psalmen voor.
In Psalm 76:3 wordt Gods Woning in Jeruzalem ‘Zijn Hut’ (suko) genoemd: vergeleken met Zijn hemels Paleis is de Tempel op de Berg Tsion een ‘hutje’.
Diepzinnig is het gebruik van het werkwoord סכך sákhákh in Psalm 139 vers 13: ‘Gij hebt mij in de schoot van mijn moeder geweven (of beter: ‘gevlochten’). Vers 15: ‘Als een borduursel gewrocht’ (St.Vert.). Dit kunstig ‘gevlochten’ lichaampje, deze sukah is bestemd om Gods tempel te zijn (1 Corinthiërs. 3:16; 6:19): Hij wil wonen in een ‘sukah’, in dit ‘schamele onderkomen’. Goede Sukkot gewenst!