In het Boek Wa’iqra/Leviticus (25:10) staat dat ééns in de 7×7 jaar het Jubeljaar aanbreekt. Een jaar van kwijtschelding van schulden. Ieder mag weer terug naar zijn eigen originele stukje erfgebied zodat er nooit echte uitbuiting ontstaat. Grootgrondbezitters die andermans grond leenden, zijn weer terug bij af. Vers 13-17 beschrijft heel duidelijk hoe dit financieel wordt geregeld.
In Jeremia 32 lezen we over de koop van een aanzienlijke akker, iets ten noorden van Jeruzalem (Anatot). Jeremia wordt door zijn neef gevraagd de grond te kopen zodat het in de familie blijft. We lezen dat het contract van de koop in een aarden kruik moest worden bewaard zodat de tekst lang leesbaar zou blijven (net zoals later met de Dode zee rollen gebeurde). Wie weet vinden we ooit nog dat kruikje met Jeremia’s contract…
Jeremia vervolgt in vers 22: U heeft hen dit land gegeven, dat U hun voorouders onder ede had beloofd: een land dat overvloeit van melk en honing. Zo is het land Israël het eeuwige erfgoed voor het volk Israël. Het kan niet worden afgenomen, weggeven of voor altijd overgaan in handen van andere volkeren/goden. Het is Israël’s erfgoed voor altoos.