Latrun is een historisch gebied en een kruispunt in de zuidelijke Ayalon-vallei, waar de heuvels van Judea zo ongeveer beginnen, zo’n anderhalve kilometer van het historische Emmaüs, zo’n 25 kilometer ten westen van Jeruzalem en 45 km verwijderd van Jaffo-Tel Aviv. Latrun bevat ruïnes van een Arabisch dorp en een 12e-eeuws kruisvaardersfort dat zichtbaar op eerdere fundamenten is gebouwd. Op de helling is omstreeks 1890 een groot Frans trappistenklooster gebouwd dat bekend staat om zijn wijnen en olijfolie. Dit klooster is overigens in Italiaanse stijl gebouwd. Aan de voet van de heuvel is een van de belangrijkste historische kruispunten van Jeruzalem naar Tel Aviv en de aansluiting naar zowel het noorden als het zuiden van het land.
Iets ten noordwesten van Latrun richtten de Britten tijdens de Tweede Wereldoorlog een politiefort op dat zowel het kruispunt als het aangrenzende gemaal van de waterleiding Rosh ha-Ayin naar Jeruzalem domineerde. Daarbij richtten de Britten een krijgsgevangenenkamp op naast dit gemaal en langs de weg naar Gaza richtten ze het “Latrun-kamp” op, waar Joodse ondergrondse strijders werden geïnterneerd, waaronder leden van het Joods Agentschap, welke een centrale rol speelde in de ontwikkeling van Staat Israel en waarvan David Ben Gurion de voorzitter was.
De naam Latrun is een vervorming van Le Toron des Chevaliers (“De Toren van de Ridders” in het oud Frans), wat de aanduiding was voor het kruisvaardersfort op de top van de heuvel. In de 14e eeuw noemden de christenen de plaats domus boni latronis – huis van de goede dief, d.w.z. St. Dimas, de dief die berouw had en samen met Jezus werd gekruisigd (Lucas 23:40-43). Hoewel de naam Latrun werd bedacht door de kruisvaarders, was de heuvel mogelijk de locatie van een eerder fort dat behoorde tot de naburige stad Nicopolis/ Emmaus.

Het prachtige trappistenklooster
Het gebied van Latrun is al sinds de vroegste tijden het toneel van gevechten. Jozua vocht daar tegen de Kanaänieten en ook vochten daar de Makkabeeën tegen de Grieks-Syrische overheersing; hun overwinning op dit regime wordt nog steeds jaarlijks tijdens het Chaukahfeest herdacht. Latrun was een Romeinse basis tijdens de oorlog die leidde tot de vernietiging van de Tweede Tempel en in de Bar-Kokhba-opstand; later werd het een Byzantijns centrum en opnieuw, in de zevende eeuw, een belangrijke militaire basis voor de Arabieren bij hun verovering van ‘Zuid-Palestina.’ De kruisvaarders en Richard Leeuwenhart vochten op deze plek en Saladin, de sultan van Egypte, vernietigde het fort van Latrun tijdens zijn campagne tegen de kruisvaarders in de twaalfde eeuw.
In 1917 lanceerde het oprukkende Britse leger een tweeledige aanval vanuit Latrun (één via Bäb al-Wād (Sha’ar ha-Gai) en de andere via Beit Liqyā, nabij Beth-Horon, wat resulteerde in de verovering van Jeruzalem. In 1948, tijdens de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog, vormden het politiefort en het kruispunt van Latrun een sleutelpositie in de strijd om Jeruzalem, en de Israëlische strijdkrachten deden verschillende mislukte pogingen om het gebied in te nemen en zodoende bevoorradingskonvooien te brengen naar de belegerde hoofdstad.
Het streng ogende Britse politiefort
Hoewel de hoofdweg naar de hoofdstad aldus werd afgesneden bij Latrun, slaagde het Arabische Legioen er niet in zijn doel te bereiken om de ring rond het belegerde Jeruzalem te sluiten. Begin juni 1948, terwijl de gevechten nog aan de gang waren, werd door de Israëli’s waarvan de meeste Holocaustoverlevenden waren in het geheim een nieuwe route, de Burma Road, aangelegd. De aanleg van deze zandweg van ca. 40 km lang, legde men aan in slechts één maand tijd. De weg liep parallel met de hoofdroute naar Jeruzalem, maar uit het zicht, net achter de heuvels. Daardoor konden de Israëlische strijdkrachten de belegerde hoofdstad van voedsel, water, manschappen en wapens voorzien.
Onder de wapenstilstand met Jordanië (1949) bleef het hele Latrun-gebied, inclusief het klooster en het politiefort, in handen van Jordanië, als een enclave die door één enkele weg verbonden was met het Arabische achterland, een strook niemandsland tussen de posities van Jordanië en Israël. Het gemaal, gelegen in niemandsland, werd door de Arabieren opgeblazen om het Joodse Jeruzalem van zijn watervoorziening te beroven (in strijd met het onder auspiciën van de VN bereikte akkoord). Het kruispunt bleef ook in het niemandsland, maar het plan om bevoorradingskonvooien er onder bescherming van de VN doorheen te laten trekken werd opgegeven nadat een poging om een proefkonvooi te laten passeren had geleid tot de moord op verschillende Israëli’s waaronder vele artsen en verplegers. Anderzijds werden de velden in het niemandsland door beide partijen bebouwd op basis van lokale regelingen. Tijdens de Zesdaagse Oorlog, op 6 juni 1967, vielen Latrun en het kruispunt bijna zonder gevechten in handen van de Israel Defense Force en vervolgens werd de hoofdweg van de kustvlakte naar Jeruzalem heropend.
Vandaag de dag is Latrun één van de mooiste gebieden van Midden-Israel. Vanuit het klooster heeft men een prachtig uitzicht op de beboste hellingen en het politiefort, wat tegenwoordig dienstdoet als tank- en oorlogsmuseum en vooral als memorial. Wie de rust van het gebied ervaart kan zich nog nauwelijks voorstellen dat er zoveel strijd om is geweest…
Het monument van de strijd in ‘48